Posts filed under ‘Auteurs’

In memoriam Rob van Altena (1931-2014)

Rob van Altena aan zijn werktafel in Oosterhout afgelopen zomer op 6 augustus 2014 (Foto P. Tromp)

Rob van Altena aan zijn werktafel in Oosterhout afgelopen zomer op 6 augustus 2014 (Foto P. Tromp)

Met droefheid brengen we u op de hoogte van het overlijden van Rob van Altena in Oosterhout op woensdag 10 september 2014 om ca. 12:30 uur.
Rob is 82 jaar geworden. Het ging de laatste maanden al steeds minder goed met zijn gezondheid.

Rob van Altena (1931) was musicus en leraar Frans; later vertaler en daarbij huisman. Vanaf 1986 was hij ook een gewaardeerd publicist over ongelijkheid m/v in echtscheiding en de situatie van verstoten (zorg-)vaders. Hij had daarbij speciale aandacht voor de werking en behandeling van het ouderverstotingssyndroom bij scheidingskinderen als gevolg van oudervervreemding door die groep haatzaaiende ouders die, nadat zij in een falend familierecht bij (echt-)scheiding het hoofdverblijf van de kinderen kregen toegewezen, misbruik maakten van het hen daarmee toegekende machtsmonopolie om de kinderen tegen de uitwonende ouder op te zetten en van deze te vervreemden.

Enkele van Rob’s publicaties over vaderdiscriminatie, ouderverstoting, scheiding en familierecht waren:

Rob’s eigen echtscheiding vond plaats naar Belgisch familierecht en duurde 12 jaar. Wat zijn leven en werk gedurende de afgelopen ruim 30 jaar tijdens en na zijn echtscheiding sterk getekend heeft was de door het Belgische familierecht gelegitimeerde ouderverstoting door de moeder en het ontbreken van elk contact met zijn beide dochters en later ook zijn kleinkinderen. Gedurende zijn huwelijk deed Rob zijn werk voor een uitgeverij thuis en zorgde hij daarbij voor zijn beide dochters. Rob schreef daar zelf in 1999 over:

Niemand had daar veel op aan te merken, maar toch kreeg de buitenshuis werkende moeder door rechtersgewoonte na een zitting van zeven minuten en zonder motivering de kinderen toegewezen. Twee jaar later werd na een lukrake beschuldiging ook het schamele bezoekrecht geschrapt.

Dit heeft hem in zijn verdere leven sterk bewogen en veel verdriet gedaan. In 2012 schreef Rob in het voorwoord tot de publieksversie van de eerste twee hoofdstukken van zijn autobiografische publicatie “Vaders gediscrimineerd, Echtscheiden in België, 1965 – 2006” daarover het volgende:

Het gaat (in deze publicatie) over Belgisch familierecht in het laatste derde part van de 20ste eeuw. De jaartallen 1965 en 2006 staan voor twee mijlpalen: de wet op de jeugdbescherming van 8 april 1965 en de wet op gelijkwaardig ouderschap na scheiding (wet-Onkelinx) van 18 juli 2006.
In de ruim veertig jaar daartussen heerste mannendiscriminatie: in feite kon elke gehuwde vrouw haar man op aanvraag uit het gezin laten wegsturen. Verreweg de meeste scheidingen werden dan ook geëist door de vrouw. Daarna behield de vader op papier een recht op omgang met de kinderen, maar dat kon de moeder zonder meer naast zich neerleggen. Zo raakten per jaar tienduizenden mannen alle contact met hun kinderen kwijt. Pas van 1995 tot 2006 zou er in het familierecht stap voor stap meer gelijkheid m/v tot stand komen.
Het juridische en ideologische kader van deze discriminatie is geschetst in de eerste twee hoofdstukken. Een voorbeeld vult de rest van het boek. Dat voorbeeld is autobiografisch, het heeft exact zo plaatsgevonden en op de genoemde tijdstippen. De grondtonen zijn schijnheiligheid, bedrog, discriminatie en poging tot afpersing. Omwille van verificatie zijn persoonsnamen vrijwel niet veranderd.
Toen het boek af was, heb ik het met enige verbijstering herlezen. Was dat mijn leven? Moest mij dat nu allemaal overkomen?
Inderdaad. En andere vaders is het zelfs nog slechter vergaan.
Maar daar hoort men niet veel van want in België werd (wordt?) men al gauw gestraft voor het ‘boosaardig verbreiden van feiten’ (art. 444 Str.W.) waarmee bedoeld wordt: het bekend maken van andermans boosaardige daden. Men kan een ander mens soms het ergste aandoen maar de getroffene mag dat niet bekend maken. Dat geldt als boosaardig. Deze getroffene is daar al eens voor veroordeeld en dat kan hem als recidivist nu dus duur te staan komen.
Echter, hij staat nu wel sterker want hij heeft niets meer te verliezen: deze geschiedenis heeft hem niet alleen zijn kinderen, maar ook alle welstand gekost. Hij heeft niet veel meer over dan het leven zelf.
En ook dat, menselijkerwijs gezien, niet meer al te lang. Dus, geachte rechtspraak: mocht mevrouw opnieuw een eis tot ‘schadevergoeding’ indienen, wilt u zo vriendelijk zijn de behandeling daarvan even lang te rekken als indertijd haar eigen 12 jaar lang gerekte echtscheidingsprocedure – zodat de uitspraak deze schrijver (die nu 81 is) kan bereiken in een andere dan deze valse wereld.

Rob komt de door hem zo anders gewenste wereld meer dan toe.
En in de ‘valse wereld’ die hij nu achterlaat zal hij door ons nog node worden gemist.

Opdat zijn herinnering en nalatenschap ons als achterblijvenden kan en zal blijven inspireren om voort te gaan naar de betere wereld die hem voor ogen stond … en hij zelf na al zijn inspanningen voor die andere (en betere) wereld nu mag rusten in liefde en vrede.

Peter Tromp
Vader Kennis Centrum

Nawoord

Op woensdagmiddag 17 september 2014 is afscheid genomen van Rob van Altena met een herdenkingsdienst in het Witte Kerkje van Slijk-Ewijk aan de Waaldijk (Dorpstraat 70), waarna Rob begraven is op de even verder gelegen begraafplaats van het kerkje in het nog door hem zelf uitgezochte graf op een lieflijke plaats onder een boom met vogelgetwitter.  Rust zacht lieve Rob, ik hield van je “oude brompot” en ik zal je vele telefoontjes en briefjes met knipsels en mijn bezoekjes aan jou, en samen met jou aan het buitenterras van Restaurant De Altena aan de Waal, meer dan missen.

20141017-WitteKerkje-Slijk-Ewijk2

DSC_0714

DSC_0702

DSC_0718

DSC_0722

DSC_0735

Advertenties

september 10, 2014 at 10:57 pm Plaats een reactie

Parent-Child Reunification After Alienation (Edward Kruk, 2013)

Parent-Child Reunification After Alienation – Strategies to Reunite Alienated Parents and Their Children

By Edward Kruk, Ph.D., 2013

Children and parents who have undergone forced separation from each other in the absence of abuse, including cases of parental alienation, are highly subject to post-traumatic stress, and reunification efforts in these cases should proceed carefully and with sensitivity. Alienated children seem to have a secret wish for someone to call their bluff, compelling them to reconnect with the parent they claim to hate; despite strongly held positions of alignment, alienated children want nothing more than to be given the permission and freedom to love and be loved by both parents (Baker, 2010). Yet the influence of the alienating parent is too strong to withstand, and children’s fear that the alienating parent may fall apart or withdraw his or her love holds them back. Research has shown that many alienated children can transform quickly from refusing or staunchly resisting the rejected parent to being able to show and receive love from that parent, followed by an equally swift shift back to the alienated position when back in the orbit of the alienating parent (Fidler and Bala, 2010). Thus while children’s stated wishes regarding parental residence and contact in contested custody after divorce should be considered, they should not be determinative in cases of parental alienation.

Reunification efforts subsequent to prolonged absence should be undertaken with service providers with specialized expertise in parental alienation reunification. A number of models of intervention have been developed, the best-known being Warshak’s (2010) Family Bridges Program, an educative and experiential program focused on multiple goals: allowing the child to have a healthy relationship with both parents, removing the child from the parental conflict, and encouraging child autonomy, multiple perspective-taking, and critical thinking. Sullivan’s Overcoming Barriers Family Camp (Sullivan et al, 2010), which combines psycho-educational and clinical intervention within an environment of milieu therapy, is aimed toward the development of an agreement regarding the sharing of parenting time, and a written aftercare plan. Friedlander and Walters’ (2010) Multimodal Family Intervention provides differential interventions for situations of parental alignment, alienation, enmeshment and estrangement. All of these programs emphasize the clinical significance of children coming to regard their parents as equally valued and important in their lives, while at the same time helping enmeshed children relinquish their protective role toward their alienating parents.

In reunification programs, alienated parents will benefit from guidelines with respect to their efforts to provide a safe, comfortable, open and inviting atmosphere for their children. Ellis (2005) outlines five strategies for alienated parents: (1) erode children’s negative image by providing incongruent information; (2) refrain from actions that put the child in the middle of conflict; (3) consider ways to mollify the anger and hurt of the alienating parent; (4) look for ways to dismantle the coalition between the child and alienating parent and convert enemies to allies; and (5) never give up on reunification efforts. As much as possible, Warshak (2010) recommends, alienated parents should try to expose their children to people who regard them, as parents, with honor and respect, to let children see that their negative opinion, and the opinion of the alienating parent, is not shared by the rest of the world. This type of experience will leave a stronger impression than anything the alienated parent can say on his or her own behalf, according to Warshak.

As Baker (2010) writes, alienated parents acutely feel the hostility and rejection of their children. These children seem cruel, heartless, and devaluing of their parents. Yet it is important to realize that from the child’s perspective, it is the targeted parent who has rejected them; they have been led to believe that the parent whom they are rejecting does not love them, is unsafe, and has abandoned them. Thus, the primary response of the alienated parent must always be one of loving compassion, emotional availability, and absolute safety. Patience and hope, unconditional love, being there for the child, is the best response that alienated parents can provide their children, even in the face of the sad truth that this may not be enough to bring back the child.

With alienating parents, it is important to emphasize that as responsible parenting involves respecting the other parent’s role in the child’s life, any form of denigration of a former partner and co-parent is harmful to children. Children’s connections to each parent must be fully respected, to ensure their well being, as children instinctively know, at the core of their being, that they are half their mother and half their father. This is easier said than done, as alienating parents are themselves emotionally fragile, with a prodigious sense of entitlement and need to control (Richardson, 2006), and thus pose significant clinical challenges. Yet poisoned minds and instilled hatred toward a parent is a very serious form of abuse of children. When children grow up in an atmosphere of parental alienation, their primary role model is a maladaptive, dysfunctional parent. It is for this reason that many divorce specialists (e.g., Fidler and Bala, 2010) recommend custody reversal in such cases, or at least a period of separation between a child and an alienating parent during the reunification process with an alienated parent. I have come to believe, however, that the means of combating alienation should not themselves be alienating, and that a non-punitive approach is most effective, with co-parenting being the primary goal. Thus engaging and involving the alienating parent in reunification programs, whenever possible, is critical (Sullivan et al, 2010).

Finally, it is often quite difficult to discern who is the alienating and who is the targeted parent in alienation cases. Thus equal or shared parenting is clearly preferable to primary residence or sole custody orders in potential alienation cases, as courts are ill-equipped to assess the dynamics attendant to parental alienation, and co-parenting is preventive of alienation.

Literature:

Baker, A. (2010). “Adult recall of parental alienation in a community sample: Prevalence and associations with psychological maltreatment.” Journal of Divorce and Remarriage, 51, 16-35.

Ellis, E.M. (2005). “Support for the alienated parent.” American Journal of Family Therapy, 33, 415-426.

Fidler, B. and Bala, N. (2010). “Children resisting postseparation contact with a parent: Concepts, controversies, and conundrums.” Family Court Review, 48 (1), 10-47.

Friedlander, S. & Walters, M.G. (2010). “When a child rejects a parent: Tailoring the intervention to fit the problem.” Family Court Review, 48 (1), 98-111.

Richardson, P. (2006). A Kidnapped Mind. Toronto: Dundurn Press.

Sullivan, M.J. et al. (2010). “Overcoming Barriers Family Camp.” Family Court Review, 48 (1), 116-135.

Warshak, R. (2010). “Family Bridges: Using insights from social science to reconnect parents and alienated children.” Family Court Review, 48 (1), 48-80.

december 31, 2013 at 10:58 pm Plaats een reactie

Parent-Child-Alienation and the Parental Alienation Syndrome (PAS) – Update by Von Boch-Galhau, Kodjoe, Andritzky and Koeppel

Letter to fellow professionals in the divorce related disciplines
http://www.drvboch.de/doc/Kombi-Brief_englisch.doc

From PAS-Arbeitsgemeinschaft

c/o Dr. med. Wilfrid v. Boch-Galhau
Facharzt für psychotherapeutische Medizin
Nervenarzt – Psychotherapie
PAS-Arbeitsgemeinschaft
Oberer Dallenbergweg 15
D-97082 Würzburg
Telefon +49 931 3592133 (AB)
Fax +49 931 3592249
E-Mail: praxis@drvboch.de
www.drvboch.de
www.pas-konferenz.de

November 2011

Subject: Update on Parent-Child-Alienation and the Parental Alienation Syndrome (PAS)

 

Dear colleagues,

As organizers of the International Conference on the Parental Alienation Syndrome (PAS), Frankfurt/Main October 2002 (see http://www.pas-konferenz.de, especially conference proceedings, Verlag Wissenschaft und Bildung, Berlin, 2003) we would like to pass on to you, in connection with the topics of parent-child-alienation and Parental Alienation Syndrome, the following information, which might be of some interest for your work:

Introductive Remarks to PAS

In recent years psychiatrists and psychotherapists are confronted in their clinical work more and more often with severe psychiatric and psychosomatic consequences of the Parental Alienation Syndrome (PAS) in now adult “children of divorce” as well as in parents, who have been traumatized by alienation and rupture of contact with their children.

In PAS we deal with a special subcategory of parent-child alienation mainly in separation/divorce conflicts in the sense of an induced disorder in the child, as a result of severe manipulative and aberrant parental behavior in which the child irrationally and without true reason radically refuses contact with a once loved, caring parent.

Research in recent times refers to the condition resulting from induced alienation between parent and child as “pathological alienation” [1], “parental alienation”[2],[3], “parental alienation disorder” [4], “alienated child” [5] or “parental alienation syndrome”. The term “parental alienation syndrome” was introduced in 1985 [6] by the american child psychiatrist Richard A. Gardner, who died in 2003. Standard works on PAS include his book “The Parental Alienation Syndrome – a guide for mental health and legal professionals”, first edition published in 1992 [7], second edition 1998 [8], and Gardner/Sauber/Lorandos (eds., 2006) “The International Handbook of Parental Alienation Syndrome” [9].

Dr. Gardner, M. D. defined PAS as follows:
“The Parental Alienation Syndrome (PAS) is a disorder that arises primarily in the context of child-custody disputes. Its primary manifestation is the child’s campaign of denigration against a parent, a campaign that has no justification. It results from the combination of a programming (brainwashing) parent’s indoctrina¬tions and the child’s own contributions to the vilification of the target parent. When true parental abuse and/or neglect is present the child’s animosity may be justified, and so the parental alienation syndrome explanation for the child’s hostility is not applicable.” [10]:

The concept “Parental Alienation Syndrome” thus is characterized by three elements [11]:

a) Rejection or denigration of a parent that reaches the level of a campaign, i.e., it is persistent and not merely an occasional episode;
b) the rejection is irrational, i.e. the alienation is not a reasonable response to the alienated parent’s behavior; and
c) it is a partial result of the non-alienated parent’s influence.

If any of these three elements is absent, the term PAS is not applicable.

In PAS – especially in its moderate and severe manifestation – one can identify a complex of eight chief symptoms in the behavior of the child (in a mild case of PAS not all of them may show up). These symptoms can vary in markedness and strength, which is significant for the decision on the kind of required legal and psychological intervention:

1. A campaign of denigration
2. Weak, absurd, or frivolous rationalizations for the deprecation
3. Lack of ambivalence
4. The “independent-thinker” phenomenon
5. Reflexive support of the alienating parent in the parental conflict
6. Absence of guilt over cruelty to and/or exploitation of the alienated parent
7. The presence of borrowed scenarios
8. Spread of the animosity to the friends and/or extended family of the alienated parent.

The diagnosis and the degree of PAS are established on the basis of the observed behavior of the child, not on the basis of the degree of manipulation to which the child is exposed. A careful evaluation of the entire family system and identification of the manipulating person(s) is indispensable. Also, the role of the so called alienated parent and his/her possible contribution to the process of alienation need to be evaluated, in order to avoid a misdiagnosis.

PAS is not the same as hindrance of visitation, or any kind of refusal of contact and alienation with respect to the non-residential parent — as many believe –, but a psychiatrically relevant disorder in the child, as a result of traumatization. In contrast to other, e.g. psycho-dynamic interpretations of contact refusal by children, one has in PAS always a massive hindrance of contacts and/or manipulation and indoctrination of the child by others. Active manipulation is carried out — consciously or not – by the chiefly caretaking parent and/or other important persons to whom the child relates or is dependent upon. In these manipulative persons one can usually identify specific psychological problems, e.g. severe narcissistic and /or borderline personality disorder, traumatic childhood experiences, paranoid coping with the divorce conflict, or psychosis. Also, attitude and behavior of professionals accompanying the divorce process play an important role in the course of the alienation process.

Significant alienation techniques in the induction of PAS are, among others, denigration, reality distorting negative presentation of the other parent, boycott of visitation, rupture of contacts, planned misinformation, suggestive influence, and confusing double-bind messages. Sometimes direct psychological (e.g. threats of withdrawal of love, suicide threats) or physical threats ( hitting, locking in) are used against the children. The loyalty conflict in the child, which exists anyway in a divorce situation, is enhanced. Fear, dependence on and identification with the alienator play an important role. A related psychodynamics is found in the Stockholm Syndrome, in cases of hostage taking, or also within sect systems. Some cases of PAS of the severe degree show similarities in their dynamics with the Munchausen-by-Proxy-Syndrome. The affected children depend upon outside help.

In order to be able to better support children of divorce, affected by PAS, by appropriate prevention and intervention measures numerous international experts recommend that the diagnosis “Parental Alienation Syndrome” (or “Parental Alienation Disorder”) in the sense of an induced child disorder be included in the forthcoming DSM-5 of the American Psychiatric Association [12], [13], [14]. Appropriate intervention in the case of PAS by divorce accompanying professionals – especially in the context of the family court system — often is precluded by the fact that PAS is not diagnosed, its psychotraumatic importance or its existence even denied, with reference to the fact that the disorder is not included in DSM (-IV). The alienated children often are left for years in a pathological environment, with corresponding risks for their psychological development and mental health. [15], [16], [17], [18]

It remains to be seen whether sufficient clinical research results will exist at the time of the concluding preparation phase for DSM-5, in order to further clarify open questions on the validity and reliability of the PAS diagnosis, on long-term effects of PAS-induction on the child of divorce, and on the effectiveness of intervention for the various degrees of this particular child disorder. Various studies so far indicate that moderate to severe alienation scenarios require, besides guiding psychotherapeutic treatment, first of all structural intervention in the form of court directed custody-, visitation-, and residence orders, in order to protect the contact of the child with both parents (cf.. Lampel, 1986 [19]; Clawar & Rivlin, 1991 [20]; Dunne & Hedrick, 1994 [21]; Gardner, 2001 [22]; Kopetski, Rand & Rand, 2005 [23]).

An important clinical research topic appears to be a clarification in as far there are connections between induction of PAS in the child of divorce and later Borderline-, personality-, or other trauma- related disorders in the adult, as well as a trans-generational passing on of corresponding pathological behavioral patterns. Furthermore: whether and what kind of psycho-pathology can be found in severely alienating parents, what role the alienated parent and perhaps also the participating professionals possibly play in the process of alienation.

It remains to hope that the considerable confusion on the concept of Parental Alienation and Parental Alienation Syndrome can soon be ended, in order to better, as up to now, help pathologically alienated children of divorce and their families.

Further information about Parent-Child-Alienation and Parental Alienation Syndrome (PAS)

1. A survey of the current international scientific literature on parent-child-alienation and PAS can be found at: http://home.att.net/~rawars/pasarticles.html and www.beideeltern.de/paslit.php

There now exists an international body of specialist literature with in excess of 600 scientifically relevant publications from more than 30 countries and 6 continents on the subject of Parental Alienation and Parental Alienation Syndrome (see Bernet, W. et al.: “Parental Alienation, DSM-5 and ICD 11” in American Journal of Family Therapy, 38 (2): 76 – 187, 2010. See here in particular “References”, pp. 143 – 182. http://dx.doi.org/10.1080/01926180903586583).

2. In July 2006 publication of: Gardner/Sauber/Lorandos, “International Handbook of Parental Alienation Syndrome: Conceptual, Clinical and Legal Considerations”, Charles C. Thomas Publisher Ltd., Springfield, Illinois. This is a comprehensive textbook of remarkable quality for interested professionals of the various divorce related disciplines. In this handbook 32 experts from 8 countries present the current scientific knowledge about the Parental Alienation Syndrome, as well as on the theoretical and practical questions connected with it.

Contents and details about the handbook can be found at http://www.ccthomas.com/details.cfm?P_ISBN13=9780398076474 (book orders directly from the publisher, Amazon.com (USA), or other book sellers).

The professional database of the American Psychological Association (APA) cites two reviews of the “International Handbook of Parental Alienation Syndrome”:

” The International Handbook of Parental Alienation Syndrome (IHPAS) is a powerful volume that provides therapists and justices a wealth of knowledge and wisdom that may positively impact the lives of children who have become fodder in marital and custodial conflicts. The International Handbook of Parental Aliena¬tion Syndrome delivers on several fronts. Structurally, it is comprehensive, well organized and easy to navigate. It provides both an historic and cross-cultural perspective. It reads well, with many brief case pres¬entations as illustrations. In addition, it provides solid diagnostic and treatment guidance.” (APA PsycINFO Database Record 2007).
Robert M. Pressmann, American Journal of Family Therapy. Vol. 35 (3) May-Jun 2007, 284 – 285.

“The strengths of this volume are its comprehensiveness and its clinical components. There is much to learn from the contributions about how children are manipulated in the aftermath of separation, and how to pre¬vent and repair the damage. I would recommend it to any child welfare professional, particularly those in¬volved in residency and contact disputes.” (APA PsycINFO Database, 2007)
Christine Dunkley, British Journal of Guidance & Counseling. Vol 25 (3) Aug 2007, 357 – 358.

3. A very informative, new book on the Parental Alienation Syndrome by the British clinical and forensic psychologist L. F. Lowenstein was published in 2007: „How to Understand and Address Parental Alienation Resulting from Acrimonious Divorce or Separation“, Russell House Publishing, Lyme Regis Dorset, www.russellhouse.co.uk. Based upon the international research results on this topic, this book deals with the problems and the effects on children affected by PAS and on parents affected by alienation and rupture of contacts. The role of legal professionals is considered in full and therapeutic intervention in PAS cases is treated in detail. In a separate chapter, Lowenstein illuminates the Stockholm-Syndrome in connection with the well known Austrian abduction case Natascha Kampusch and shows the relation to the Parental Alienation Syndrome (PAS).

4. A scientifically excellent review of the concepts and the controversies relating to PAS can be found in Warshak, R. A., (2006), Social science and parental alienation: Examining the disputes and the evidence; in: Gardner, R. A., Sauber, S. R. & . Lorandos, D. (eds.), International Handbook of Parental Alienation Syndrome. C.C. Thomas Publisher, Springfield, IL., p. 352 – 371(German translation in Warshak, R. A. (2005), Eltern-Kind-Entfremdung und Sozialwissenschaften – Sachlichkeit statt Polemik, Zentralblatt für Jugendrecht (ZfJ) 92 (5), S. 186 – 200.)

This publication is an update of his article: “Bringing Sense to Parental Alienation: A Look at the Disputes and the Evidence” in Family Law Quarterly 2003, 37 (2): 273-301. In this article professor Warshak presents the current status of research on PAS. He discusses in detail the familiar points of criticism and also in his presentation of the PAS concept makes numerous suggestions for further scientific research. In addition to the formulation “Parental Alienation Syndrome” (R. A. Gardner), he also deals with the alternative formulation developed by Kelly and Johnston (2001), “The Alienated Child”. Among the controversies surrounding PAS he states in particular his position regarding the very questionable article by C. S. Bruch, “Parental Alienation Syndrome: Getting it Wrong in Child Custody Cases, Family Law Quarterly 2001, 35 (3): 527 – 552. This article, in the German translation ,,Parental Alienation Syndrome und Parental Alienation: Wie man sich in Sorgerechtsfällen irren kann“ (FamRZ 2002, 49 (19): 304 – 315) is despite the devastating criticism, also by other internationally recognized experts, still used in Germany to down play the problem of induced parent-child alienation.

5. In connection with the Parental Alienation Syndrome the standard commentary to the German civil code (Bürgerliches Gesetzbuch –BGB), Palandt, C. H. Beck-Verlag, München 2006, 65th edition, Vol. 7, § 1684, Rd-Nr. 7, p. 1970 and 2007, 66th edition, Vol. 7, § 1684, Rd.-Nr. 7, p. 1975 as well as 2008, 67th edition, Vol. 7, § 1684, Rd.-Nr. 9, p. 1952 refers to the German translation of Warshak’s paper in Zentralblatt für Jugendrecht (ZfJ) 05: 186 – 200.

6. a) A detailed review of the discussion on PAS from the view point of civil law can be found in von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, Buch 4 Familienrecht §§ 1684 – 1717 (Elterliche Sorge 3 – Umgangsrecht), Neubearbeitung 2006 von Michael Coester, Thomas Rauscher, Ludwig Salgo, Sellier – de Gruyter-Verlag, Berlin, Randnummer 37 – 39, Seite 55 – 60. (Worth reading here also Randnummer 16 a and b with reference to decisions of the European Court on Human Rights against Germany for violation of Article 8 of the convention e. g. Elsholz, Sommerfeld, Sahin, Haase and Görgülü).

b) An important comment on PAS by D. Büte can also be found in: Gerhardt, P./von Heintschel-Heinegg, B. & Klein, M., Handbuch des Fachanwalts Familienrecht, 6th edition, 2008, 4., Rd.-Nr. 595 – 599, p. 446 – 447, Luchterhand-Verlag, Munich.

7. The topics “Parental Alienation Syndrome“, “Patterns of Behavior and Personality Structure of Alienating Parents“ and “Problems of child psychiatric attestations in visitation- and custody con¬flicts” are dealt with by W. Andritzky in: Deutsches Ärzteblatt, 100 (2) 2003, p. 81 – 82, in: Psychotherapie in Psychiatrie, Psychotherapeutischer Medizin und klinischer Psychologie 7 (2) 2002, p. 166 – 182 and in: Praxis der Kinderpsychologie und Kinderpsychiatrie, 52 (10) 2003, p. 794 – 811. See also in english language The International Handbook of Parental Alienation Syndrome. Conceptual, Clinical and Legal Considerations (eds. R. A. Gardner, S. R. Sauber, D. Lorandos), C. C. Thomas Publ., Springfield, Ill., 2006, p. 195 – 208.

8. The psychological consequences of PAS-induction for manipulated, alienated children of divorce and for mothers and fathers affected by alienation and rupture of contacts are considered by v. Boch-Galhau, W. & Kodjoe, U. (2006): “Psychologicial consequences of PAS indoctrination for adult children of divorce and the effects of alienation on parents”, in: Gardner, R. A., Sauber, S. R. & Lorandos, D. (eds.) International Handbook of Parental Alienation Syndrome: Conceptual, Clinical and Legal Considerations, C. C. Thomas, Springfield, Il., p. 310 – 322.

9. The handbook Kindesmisshandlung und Vernachlässigung (Child Abuse and Neglect) by Deegener, G. and Körner, W., (Eds.) Hogrefe, Göttingen, 2005, refers on pages 684 f. and 694 to the “Parental Alienation Syndrome”as a particular kind of psychological violence against children in the context of custody and visitation conflicts, which we consider worth mentioning here.

10. We would like to draw attention to: Katona, E. (2007). Parental Alienation Syndrome – Der Verlust des eigenen Kindes durch Trennung und Scheidung. Eine Studie über den Verlauf des Kontaktabbruchs zum eige¬nen Kind und der daraus resultierenden Auswirkungen. Unpublished diploma thesis at the Psychologische Institut der Universität Freiburg i. Br. (http://www.freidok.uni-freiburg.de/volltexte/6203)

The psychologist Esther Katona analyzed in her extensive work (2007) the experiences of fathers and mothers separated from their children. 80 % of the participants in this study had not seen their children for at least one year, 20% even not for more than 7 years. The psychologist was surprised by the extent of their health, psychological and social impairments. The quality of life was graded by 64% of the participants as mediocre or poor. Unsatisfied with their psychological condition were 53 %. The physical condition was seen by 45 % as „severely impaired“. More than 2/3 suffered from chronic fatigue, insomnia, as well as neck -and back pain. 67 % showed clinically relevant symptoms of depression. In addition to the effects on health the rupture of contacts to the children also had significant effects on their social life. Many of the fathers and mothers separated from their children reacted with social withdrawal, lack of motivation, and other symptoms of depression. Some experienced the rupture of contacts as ,,worse than the death of a child“

11. We would also like to mention the studies by Baker (2005 and 2007) about long-term effects of parent-child alienation and of Baker & Darnall (2006) about alienation strategies:

a) Baker, A. J. L. (2005). The Long-Term Effects of Parental Alienation on Adult Children: A Qualitative Research Study. American Journal of Family Therapy, 33: 289 – 302. In this study 38 adults participated who as children were affected by parental alienation. Seven key effects were found: Low self esteem – depression – drug/alcohol abuse – lack of trust – alienation from their own children -divorce – others.

b) Baker, A. J. L. & Darnall, D. (2006). Behaviors and Strategies Employed in Parental Alienation: A Survey of Parental Experiences, Journal of Divorce & Remarriage. 45 (1/2): 97 – 123.

c) Baker, A. J. L. (2007). Adult Children of Parental Alienation Syndrome – Breaking the Ties that Bind. W. W. Norton & Company, New York, London. This book is based upon on detailed questioning of 40 now adult children affected by PAS. Their experience is analyzed in the context of clinical and child developmental theories (A review, in German, of this work can be found at http://www.vaeterfuerkinder.de/Baker.htm)

In addition to these:

  • Baker, Amy J. L. (2005). The cult of parenthood: A qualitative study of parental alienation. Cultic Studies Review 4(1):np. (Comparison of indoctrination in sect systems and in cases of PAS)
  • Baker, A. J.L. (2010). Parental alienation: A special case of parental rejection. Parental Acceptance, 4(3), 4-5.
  • Baker, A. J. L. (in press). Resisting the pressure to choose between parents: A school-based program. Cultic Studies Journal.
  • Baker, A. J. L. & BenAmi, N. (in press). To turn a child against a parent is to turn a child against himself. To appear in Journal of Divorce and Remarriage .
  • Baker, A. J. L. & Chambers, J. (2011). Adult recall of childhood exposure to parental conflict: Unpacking the black box of parental alienation. Journal of Divorce and Remarriage, 52(1), 55-76.
  • BenAmi, N. & Baker, A.J.L. (in press). The long-term correlates of childhood exposure to parental alienation on adult self-sufficiency and well-being. American Journal of Family Therapy.

12. a) The Belgian journals Divorce et Séparation no 3, 2005, La Revue d’Action Juridique et Sociale, no 222, 2002 : p. 31 – 35 and no 237, 2004 : p. 11 – 17, and Acta Psychiatrica Belgica, no 108/4, 2008: pp. 25 – 36, as well as the French journals Actualité Juridique famille, no 11,2004 : p. 397 – 399, Synapse, Journal de Psychiatrie et Système Nerveux Central, no 188, 2002, p. 23 – 34 and no 227, 2006: p. 11 – 18 and Revue Internationale de Psychosociologie Vol. XIII, no 30, 2007, p. 89 – 111 deal extensively with the topics of „Aliénation Parentale“ and „Syndrome d’Aliénation Parentale“ (SAP).

b)La Gazette du Palais (note de J. Pannier, Avocat à la Cour de Paris) 18 – 20 nov. 127 (322 – 324) 2007, p. 11 – 15 reports a significant decision of the Tribunal de Grande Instance de Toulon (JAF) RG no 04/00694 of June 4th, 2007, in which the Syndrome d’Aliénation Paren¬tale is dis¬cussed in detail. Compare also La Revue d’Action Juridique et Sociale, no 270, 2007, p. 58 – 62.

c) In France, a medical dissertation (thèse de doctorat de médecine) has been presented on 22 oct. 2008 by B. Goudard, at the Faculty of Medicine, Lyon-Nord, University Claude Bernard Lyon 1, with the issue Syndrome d’Aliénation Parentale, (this work can be downloaded from: http://www.acalpa.org/pdf/sapthese.pdf).

d) Conferences on l’aliénation parentale were held on May 20-21, 2011 in Clermont-Ferrand, on June 17, 2011 in Grasse and on June 24, 2011 in Grenoble. (For further information see www.acalpa.org)

13. In the october-issue of the American Journal of Family Therapy 36 (5) 2008: 349 – 366 an important article by the American clinical and forensic psychiatrist W. Bernet, M. D. “Parental Alienation Disorder and DSM-5” has been published. (See: http://www.informaworld.com/smpp/title~content=t713722633~db=all) This text is similar to a proposal submitted by Prof. Bernet and a group of clinical and forensic psychiatrists and psychologists to the Disorders in Childhood and Adolescence Work Group of the American Psychiatric Association for the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition (DSM-5).

14. An article by Deirdre C. Rand titled “Parental Alienation Critics and the Politics of Science” was published in the American Journal of Family Therapy, 39: 48 – 71, 2011. This article looks into claims mainly put forward by two groups of critics of parental alienation syndrome and parental alienation. The issues discussed include the following: the role of the alienated parent, structural interventions such as custody changes, the relationship between PAS and accusations of sexual abuse, and the controversy over the use of the word “syndrome”.

15. a) In Spain, the Co-ordination Council of Forensic Psychologists attached to the General Council of the Official College of Spanish Psychologists (Coordinadora de Psicologia Juridica del Consejo General de Colegios Oficiales de Psicólogos de España) published a declaration on 18 of june 2008, in which the advisability of PAS analysis in psychological expertises for family court proceedings and thus concomitant fields finds wide support. Accordingly, researchers and psychologists largely agree in considering PAS a cognitive, emotional and behavioral disorder of a child that requires corresponding scientific and professional attention. It goes without saying that in the diagnosis any form of abuse and neglect in the child`s care must be completely precluded.
(The Spanish text “Consideraciones en torno a la Pertinencia del Síndrome de Alienación parental en la evaluación psicológica” is to be found on http://www.infocop.es/view_article.asp?id=1942&cat=9.)

Further Spanish literature and information about PAS in Spain is also available at the Web pages: www.jmaguilar.com, www.asunte.blogspot.com; http://amnistia-infantil.org/sap.htm; www.separaciones-divorcios.com; Some Spanish PAS-titles can also be found at www.beideeltern.de/paslit.php.

b) On 14 of june 2007 an important judgement concerning PAS/SAP was taken in Manresa/Spain See: Sentencia pionera sobre el síndrome de alienación parental, Sentencia del Juzgado de Primera Instancia número 4 de Manresa, de 14 de junio de 2007, (No. 567/06). (http://www.separaciones-divorcios.com/noticias/index.php?id=31) Custody was withdrawn from a mother and transferred to the father, for having, out of hatred, programmed her 8 year old daughter against the father. For the subsequent 6 months she and the maternal family at large were prohibited from contacting the daughter. Until transfer of residence to the father the child was to live temporarily with the paternal grandparents.

c) We would like to draw attention to an international conference on the subject of “Sindrome de Alienacion Parental y Custodia Compartida“, which was held from June 10 to 13, 2009 in Leon (Spain). A second international conference on the same subject took place from May 27 to 29, 2010 in Madrid, Universidad de Alcalá de Henares, and a third from March 24 to 26, 2011 in Zaragoza. (See www.congresointernacionalsap.org/index.html)

16. We would like to draw attention to the book by E. Schmidt & A. Mees, “Vergiss, dass es Dein Vater ist! Ehemals entfremdete Kinder im Gespräch”, Books on Demand GmbH, Mainz 2006. In this book four children of separation at the current ages of 15, 20, 28 and 34 tell in interviews, how they experienced the separation of their parents and the loss of their father. They describe their experiences with youth welfare authorities and the courts and also report on the re-encounter with their father. These reports once again confirm: Children need both parents, regardless of whether the parents remain together or not.

17. Professionals, as well as affected parents, frequently report to us that the self-help book (in german language) by Gabriele ten Hövel, “Liebe Mama, böser Papa – Eltern-Kind-Entfremdung nach Trennung und Scheidung –Das PAS-Syndrom” (Kösel, Munich, 2003) is found to be very helpful.

18. A concise description of the Parental Alienation Syndrome by the American psychologist and attorney, D. Lorandos, PhD., JD., (www.psychlaw.net) co-editor of the International Handbook of Parental Alienation Syndrome can be seen online at:
http://www.falsely-accused.net/clientvideos/clientWMV/Parental%20Alienation%20cases.wmv

19. An excellent report on parental alienation and parental alienation syndrome was broadcast on Canadian television. An online version is available. “W5 investigates: Children on the frontlines of divorce”, “W5: Poisoned Minds, part one” and “W5: Poisoned Minds, part two”.  Among the persons appearing in this film is Pamela Richardson who describes her extremely tragic case in which her child, having been alienated by the father, eventually jumped from a bridge and died at the age of 16. (She has also written a book about it: Pamela Richardson (2006), “A kidnapped mind: A mother’s heartbreaking memoir of parental alienation. Toronto: Dundurm.) http://www.ctv.ca/servlet/ArticleNews/story/CTVNews/20091106/w5_divorce_091107/20091107?hub=Canada

20. The documentary on the topic of child abduction and alienation, “Victims of Another War –The Aftermath of Parental Alienation”, with interviews of three adult victims is suitable as an educational film for divorce related professions. A description of this film can be found in Summers, C. C. & Summers, D.M. (2006): “Parentectomy in the crossfire”, American Journal of Family Therapy, 34 (3): 243 -261, DVD, 30 min. Orders: www.victimsofanotherwar.com .

21. For the further training of family judges on the topic of PAS with its three degrees of severity the Superior Court of Maricopa County, Phoenix, AZ (M. K. Jeanes) created in 2003 the documentary “Children of Divorce –A View from the Bench” (DVD, 42 min.). A description of this film can also be found in the above article by Summers & Summers (2006).

22. a) The film “Family Ties and Knots: Children of Divorce“ is suitable for facilitating the contact between non-custodial parents and their children. The film can be used for making parents aware of the harmful effects of alienating behavior. Orders: http://www.familysupportcenter.com/tiesandknots/videos.html (16 min., DVD, also online as video stream and for download).

b) The film “Family Ties and Knots: Parents on the See-saw“ can be helpful for parents who try to engage in constructive discussions, in order to promote a positive contact of the child with both parents and for conveying a feeling of continuity and stability between the two parental households. A psychologist informs on visiting models and schedules which are suitable for the various age groups. Orders: http://www.familysupportcenter.com/tiesandknots/videos.html (25 min., DVD, also online as preview and for download).

23. On July 20th 2006 the European Court on Human Rights at Strasbourg came to a sensational decision in the family conflict case of Koudelka vs. Czech Republic (App.-No. 1633/05), regarding a violation of Article 8 of the European Convention on Human Rights. In paragraphs 35, 39 and 62 the term “Syndrome d’Aliénation Parentale” is used explicitly, which amounts to a legal recognition of the PAS phenomenon by this high supranational court.

The decision (in French) can be found at the web site of the ECHR ( http://www.echr.coe.int/ECHR/EN/Header/Case-Law/HUDOC/HUDOC+database/ List of recent judgements – Search – select French as language – enter application number). A press release in English can be found at the this web-site by entering the name or case number into the search field. A detailed commentary, with a partial translation from the French into German, which we recommend, can be found at www.vaeterfuerkinder.de/Koudelka_Teil.htm.

24. On January 18, 2007, the European Court on Human Rights at Strasbourg issued in the family law case Zavřel vs. Czech Republic (no. 14044/05) a further decision regarding violation of article 8 of the European Human Rights Convention. Also this decision, in §§ 16, 24, 28, 45 and 52, refers in detail to the “Syndrome d’Aliénation Parentale“, as diagnosed by psychological experts, with detailed substantiation especially in §§ 48, 50, 52 and 53. The decision can be found in French on the web site of the ECHR, http://www.echr.coe.int/ECHR/EN/Header/Case-Law/HUDOC/HUDOC+database/. A press release in English can be found at this web-site by entering the name or case number into the search field.

25. On August 26, 2010, Brazil’s then President Lula signed a “Parental Alienation” law (LAW 12318). This law penalizes alienating behavior by divorced or separated parents. A German translation can be found at: http://www.vaeterfuerkinder.de; the original text of the law in Brazilian Portuguese is published at: http://www.planalto.gov.br/ccivil_03/_Ato2007-2010/2010/Lei/L12318.htm).

26. A form of interdisciplinary cooperation, practiced successfully since 1993 in the court district of Cochem, Rheinland-Pfalz, and known meanwhile in Germany as “Cochem Practice” (see www.ak-cochem.de ) appears to us as an effective means for preventing the development of PAS and of the social, medical-psychological and economic consequences connected with it. The Cochem methodology, in the sense of “Konfliktlösung durch multiprofessionelle Vernetzung” and of a “Verordnete Kooperation im Familienkonflikt als Prozess der Einstellungsänderung” is described in more detail by T. Füchsle-Voigt, from a psychological point of view (in Familie, Partnerschaft und Recht [FPR] 10 (11) 2004: 600 – 602, and in Divorce et Séparation, 5, 2006: 101 – 109), as well as by family judge J. Rudolph from a juridical point of view (in: “Du bist mein Kind – Die Cochemer Praxis, Wege zu einem menschlicheren Familienrecht”, Berlin, 2007). The Cochem methodology was developed from practical working experience and has its theoretical foundations in the classical social-psychological attitude research and in the well known dissonance theory (L. Festinger). This methodology aims at the reduction of conflicts and the restitution of parental autonomy and responsibility on the basis of the protection of the rights of children, as well as of the parents.

27. In 2008, the internationally distinguished Canadian authors Fidler, B. (psychologist), Bala, N. (legal scholar), Birnbaum, R. (social scientist) & Kavassalis, K. (legal scholar) published a book aimed at professionals involved in divorce cases, with the title “Challenging Issues in Child Custody Disputes – A Guide for Legal and Mental Health Professionals“, Thomson, Carswell, Toronto, Canada. This publication provides a detailed scientific review of the subjects Parental Alienation and Parental Alienation Syndrome. The controversies surrounding these subjects are presented in objective and clearly understandable terms, with reference to key international literature in the field, and recent interdisciplinary intervention models for cases of severe parental alienation are discussed (on this subject see also item 29 below).
This work also includes a scholarly treatment of important issues, such as residential moves and relocation, domestic violence and sexual abuse allegations in connection with custody disputes, devoting two comprehensive chapters to each of these topics. We thoroughly recommend this book.

28. An international working group of more than 70 psychiatrists, child psychiatrists, psychologists, social workers, legal professionals, practitioners and scholars from 13 countries has developed a proposal for the American Psychiatric Association (APA) and the World Health Organization (WHO) calling for the inclusion of “Parental Alienation Disorder” in the diagnostic systems DSM-5 and ICD-11. This was submitted to the respective scientific committees for consideration in late 2009 (see: Bernet, W. et al.: “Parental Alienation, DSM-5 and ICD 11” in American Journal of Family Therapy, 38 (2): pp. 76 – 187, 2010, http://dx.doi.org/10.1080/01926180903586583). An extended version of this text was published as a book in october 2010: Bernet, W. (2010). Parental Alienation, DSM-5, and ICD-11. Charles C. Thomas Publis¬her Ltd., Springfield, Illinois, http://www.ccthomas.com/details.cfm?P_ISBN13=9780398079444).

29. In January 2010, the highly respected journal Family Court Review (see Family Court Review, Vol. 48, no. 1 (Jan. 2010), see http://www3.interscience.wiley.com/journal/118499535/home) published over 200 pages of works by distinguished scholars and professionals from the US and Canada on the subject of “Alienated Children in Divorce and Separation”, which examine various aspects of the scientific discussion on this subject and present well-established intervention models for cases of severe parental alienation (e.g. by R. A. Warshak [24], [25]; R. A. Warshak & M. R. Otis [26] and by J. Sullivan, P. A. Ward & R. M. Deutsch [27]). These psychological programs, which may also be of interest in other countries, attempt to rebuild the lost relationship to a parent and the lost identity of severely alienated children of divorce, and show that – contrary to popular opinion – it is indeed possible to mitigate parental alienation in high-conflict cases.

30. After roughly a dozen international conferences on Parental Alienation and Parental Alienation Syndrome in Europe, South and North America and Canada between 2002 and 2011 (to name a few examples: www.pas-konferenz.de, www.cspas.ca, www.congresointernacionalsap.org), the renowned Association of Family and Conciliation Courts (AFCC) in the US devoted its 47th Annual Conference (June 2 to 5, 2010 in Denver, Colorado) entirely to the subject of Parental Alienation with over 80 presentations and workshops. All key aspects and controversies surrounding this subject were covered at the conference and various intervention models presented (see www.afccnet.org).

Sincerely,

Dr. med. W. v. Boch-Galhau
www.drvboch.de
www.pas-konferenz.de

Dipl.-Psych. U. Kodjoe
www.ursula-kodjoe.net

Dr. phil. W. Andritzky
www.andritzky-online.de

Dr. iur. P. Koeppel
www.koeppel-kindschaftsrecht.de

Footnotes:

[1] Warshak, Richard A. (2006). Social science and parental alienation: Examining the disputes and the evidence. In: The International Handbook of Parental Alienation Syndrome: Conceptual, Clinical and Legal Considerations, Eds. Richard A. Gardner, S. Richard Sauber, and Demosthenes Lorandos, pages 352-71. Springfield, Illinois: Charles C. Thomas.
[2] Bernet, W. et al.(2010): “Parental Alienation, DSM-5 and ICD 11” in : American Journal of Family Therapy, 38 (2): 76 – 187, http://dx.doi.org/10.1080/01926180903586583
[3] Bernet, W. (2010). Parental Alienation, DSM-5, and ICD-11. C. C. Thomas, Springfield, Illinois, http://www.ccthomas.com/details.cfm?P_ISBN13=9780398079444
[4] Bernet, W. (2008). Parental alienation disorder and DSM-5. American Journal of Family Therapy 36 (5): 349 – 66.
[5] Kelly, Joan B., and Janet R. Johnston (2001). The alienated child: reformulation of parental alienation syndrome. Family Court Review Special Issue: Alienated children in divorce. 39 (3):249 – 66.
[6] Gardner, R. A. (1985). Recent trends in divorce and custody litigation. Academy Forum 29(2):3-7.
[7] Gardner, R. A. (1992) The Parental Alienation Syndrome: A Guide for Mental Health and Legal Professionals, 1st ed., Creative Therapeutics, Cresskill, NJ,
[8] Gardner, R. A. (1998). The Parental Alienation Syndrome: A Guide for Mental Health and Legal Professionals, Creative Therapeutics, 2nd ed. Cresskill, New Jersey.
[9] Gardner, R. A., Sauber, S. R. & Lorandos, D. (eds., 2006), International Handbook of Parental Alienation Syndrome: Conceptual, Clinical and Legal Considerations, C.C. Thomas Publisher, Springfield, Ill.
[10] Gardner, R. A. (1998) The Parental Alienation Syndrome (2. Ed.) Creative Therapeutics, Cresskill, NJ, page xx, introduction.
[11] See Warshak, R. A., (2006), Social science and parental alienation: Examining the disputes and the evidence; in: Gardner, R. A., Sauber, S. R. & . Lorandos, D. (eds.), International Handbook of Parental Alienation Syndrome. C.C. Thomas, Springfield, Ill., p. 352 – 371
[12] Bernet, W. (2008). Parental Alienation Disorder and DSM-5, American Journal of Family Therapy 36 (5): 345 – 366.
[13] Siehe Bernet, W. et al. (2010): “Parental Alienation, DSM-5 and ICD 11”, American Journal of Family Therapy, 38 (2): 76 – 187. http://dx.doi.org/10.1080/01926180903586583
[14] Siehe Bernet, W. (2010). Parental Alienation, DSM-5, and ICD-11. Charles C. Thomas Publis¬her Ltd., Springfield, Illinois, http://www.ccthomas.com/details.cfm?P_ISBN13=9780398079444.
[15] von Boch-Galhau, W. & Kodjoe, U. (2006). Psychologicial consequences of PAS indoctrination for adult children of divorce and the effects of alienation on parents in: Gardner, R. A.,Sauber, S. R. & Lorandos, D. (eds.) International Handbook of Parental Alienation Syndrome: Conceptual, Clinical and Legal Considerations, C. C. Thomas Publisher, Springfield, Il., p. 310 – 322.
[16] Kopetski, L., Rand, D. & Rand, R. (2005). The spectrum of Parental Alienation Syndrome, (Part III): The Kopetski Follow-Up Study, American Journal of Forensic Psychology vol. 23 (1): 15 – 43.
[17] Baker, A. J. L. (2005). The Long-Term Effects of Parental Alienation on Adult Children: A Qualitative Research Study. American Journal of Family Therapy, 33: 289 – 302.
[18] Baker, A. J. L. (2007). Adult Children of Parental Alienation Syndrome – Breaking the Ties that Bind. W. W. Norton & Company, New York, London. (A review of this book can be found in german language: http://www.vaeterfuerkinder.de/Baker.htm)
[19] Lampel, A., (1986). Post-divorce therapy with high conflict families. The independent Practitioner, Bulletin of the Division of Psychologists in Independent Practice, Div. 42 of the American Psychological Association. 6 (3): 22 – 26.
[20] Clawar, S. S. & Rivlin, B.V.(1991). Children Held Hostage. Dealing with Programmed and Brainwashed Children. American Bar Associa¬tion, Division of Family Law, Chicago.
[21] Dunne, J. & Hedrick, M., (1994). The Parental Alienation Syndrome: an Analysis of Sixteen Selected Cases. Journal of Divorce and Remarriage. 21 (3/4): 21 – 38.
[22] Gardner, R. A. (2001). Should courts order PAS-children to visit/reside with the alienated parent? A Follow-up Study. American Jour¬nal Forensic Psychology 19 (3): 61 – 106.
[23] Kopetski, L., Rand, D. & Rand, R. (2005). The spectrum of Parental Alienation Syndrome, (Part III): The Kopetski Follow-Up Study, American Journal of Forensic Psychology vol. 23 (1): 15 – 43.
[24] Family Bridges Using insights from social science to reconnect parents and alienated children, pp. 48 – 80.
[25] See also Kelly, J. B.: Commentary on “Family bridges: Using insights from social science to reconnect parents and alienated children” (Warshak, 2010), pp. 81 – 90.
[26] Helping alienated children with family bridges: Practice, research, and the pursuit of “Humbition”, pp. 91 – 97.
[27] Overcoming barriers family camp: A program for high-conflict divorced families where a child is resisting contact with a parent, pp. 116 – 135.

november 1, 2011 at 7:42 pm Plaats een reactie

Belgisch wetsvoorstel tegen oudervervreemding en tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht in het strafrecht

Belgisch Wetsvoorstel tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht (indien de vrederechter of jeugdrechter vaststelt dat, na scheiding, de ouderband met een van de ouders verloren dreigt te gaan : wijziging Burgerlijk Wetboek en Gerechtelijk Wetboek – Wijziging Strafwetboek : ouderverstoting) (5-520)
– Voorstel van mevrouw Christine Defraigne

5-520/1 p. 1-12

Wetsvoorstel tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht
(Ingediend door mevrouw Christine Defraigne) –Wetgevingsstuk 5-520/1 – 2010/2011 – 23 november 2010
http://www.senate.be/www/webdriver?MItabObj=pdf&MIcolObj=pdf&MInamObj=pdfid&MItypeObj=application/pdf&MIvalObj=83886634
http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub&COLL=S&LEG=5&NR=520&PUID=83886624&LANG=nl

BELGISCHE SENAAT, ZITTING 2010-2011, 23 NOVEMBER 2010

TOELICHTING

Tegenwoordig gaan steeds meer koppels uit elkaar. Hun aantal stijgt voortdurend. Volgens de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, KMO, Middenstand en Energie vonden er in 2008 in België 35 366 scheidingen plaats. Dat zijn er 5 285 meer dan in 2007 en 6 177 meer dan in 2006. In januari van dit jaar (2010) alleen al scheidden 3 411 koppels. Deze cijfers tonen een duidelijke toename van het aantal scheidingen in ons land aan.

Een relatiebreuk kan een zeer moeilijke periode zijn voor de gezinsleden. Volgens psychiater Jean-Marc Delfieu (1) past een kind dat met deze situatie wordt geconfronteerd zich over het algemeen tamelijk goed aan en ontwikkelt zich pas ongeveer twee jaar na de scheiding van zijn ouders psychisch verder op een normale manier. (2) Indien een van beide ouders ontbreekt, kan het kind later als volwassene communicatiepro- blemen ondervinden in de omgang met mensen van het andere of hetzelfde geslacht.

Helaas gebeurt het dat bij een relatiebreuk een van beide ouders wraak wil nemen op de andere wegens het leed dat die hem of haar heeft aangedaan. Een van de ouders wil de ex-partner dan moreel vernietigen. In een dergelijk geval kan die ouder het kind gijzelen.

Het komt ook voor dat een ouder het kind exclusief voor zich wil houden omdat hij of zij reeds zijn of haar partner heeft verloren. In een dergelijke situatie kunnen die ouder en het kind zich tegen de andere ouder keren, die dan de boeman wordt die verantwoordelijk is voor alle ellende.

Het is zo dat het « ouderverstotingssyndroom » kan ontstaan. Dit syndroom wordt in 1986 omschreven door Richard A. Gardner, Amerikaans professor kinderpsychiatrie en psychiatrie. Volgens hem is het « ouderverstotingssyndroom » een afwijking bij kinderen, die zich bijna uitsluitend voordoet in de context van conflicten rond ouderlijk gezag. Primair kenmerk is de campagne van denigreren van een ouder (voortdurende kritiek en negatieve voorstelling), een campagne waar geen rechtvaardiging voor is. Het is het resultaat van de combinatie van de indoctrinatie van een programmerende (hersenspoelende) ouder en de eigen bijdragen van het kind aan de verkettering van de ouder die het doelwit is. » (3). Het kind verstoot en verkettert de ouder van wie het zoveel hield en is onverbrekelijk één met de verstotende ouder, wat die laatste ook wil.

In extreme gevallen van ouderverstoting gaat de verstotende ouder zelfs zover dat hij het kind ontvoert naar het buitenland, uit wraak of uit overtuiging dat dit voor het kind het beste is. De verstotende ouder verbreekt definitief de ouderband tussen het kind en de andere ouder. Zo heeft de verstoten ouder niet alleen geen affectieve band meer met zijn of haar kind, maar worden hem of haar daarenboven zijn of haar ouderlijke rechten ontzegd, namelijk zeggenschap hebben in de beslissingen die betrekking hebben op het leven van het kind, weten waar het kind zich bevindt en op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen met het kind onderhouden. Het hogere belang van het kind wordt geschonden. Dit feit heeft zware gevolgen voor het kind, vooral als het nog jong is.

Volgens Gardner zijn er vier kenmerken om het gedrag van de verstotende ouder te herkennen : « 1) de belemmering van de relatie en het contact met het kind; 2) valse aantijgingen van allerlei misbruiken; 3) de angstreactie van de kinderen; en 4) de verslechtering van de relatie sinds de scheiding. » (4)

Hij beschrijft vervolgens acht belangrijke uitingen bij het kind :

— ongegronde afwijzings- en lastercampagne : de afgewezen ouder wordt onderuitgehaald zonder het minste schuldgevoel bij het kind. De afgewezen ouder wordt als gemeen en gevaarlijk beschreven;

— absurde rationalisering : het kind voert irrationele of absurde excuses aan die geen reëel verband houden met de daadwerkelijke ervaringen;

— het ontbreken van ambivalente gevoelens : de afgewezen ouder is louter « slecht » en de verstotende ouder is louter « goed ». Er is niks daartussenin;

— reflexmatige steun aan de verstotende ouder : wanneer beide ouders zich in elkaars aanwezigheid bevinden, kiest het kind partij voor de ouder bij wie het leeft, soms zelfs vooraleer de afgewezen ouder zich heeft uitgesproken;

— uitbreiding van de vijandigheid tot de hele familie in ruime zin (grootouders, tantes, neven, enz.) en tot de omgeving van de afgewezen ouder (buren, vrienden, enz.);

— nageprate « eigen mening » van het kind : het kind wordt geconditioneerd om de mening van de verstotende ouder voor te stellen als zijn eigen mening. Psychoanalist Jean-Marc Delfieu verklaart dit doordat geen enkel kind de ouder die zich over hem ontfermt en van wie het afhangt, wil ontgoochelen (5);

— afwezigheid van schuldgevoelens over de onverbiddelijkheid jegens de verstoten ouder : het kind gaat ervan uit dat de afgewezen ouder koel en ongevoelig is en bijgevolg niet lijdt onder de afwijzing, maar verdient wat er hem of haar overkomt;

— letterlijk citeren van onbegrepen woorden : het kind neemt de verhalen van de verstotende, manipulerende ouder over.

Volgens Jean-Marc Delfieu indoctrineert in geval van ouderverstotingssyndroom de ouder die de vervreemding realiseert, het kind bewust of onbewust. Hiertoe maakt de ouder misbruik van zijn of haar praktisch onbeperkte macht om invloed uit te oefenen op en te beschikken over het kind. Een dergelijke invloed heeft veel weg van misbruik en brengt ernstige psychische gevolgen voor het kind en de verstoten ouder met zich mee (6).

Het begrip « ouderverstoting », de criteria die tot een diagnose leiden en de opvatting van het syndroom verschillen naar gelang van de specialisten. Zo bestaan er definities die al dan niet sterk verschillen van die van Gardner. Bijvoorbeeld :

Warshak (7) legt de nadruk op drie randvoorwaarden : de lastercampagne gebeurt via voortdurend gestook; de afwijzing van de betrokken ouder is niet gerechtvaardigd; de afwijzing vloeit gedeeltelijk voort uit de invloed van de verstotende ouder. Net zoals bij Gardner bevat zijn definitie dus een onontbeerlijk causaal verband.

Kelly negeert elk oorzakelijk verband en richt zich uitsluitend op het gedrag van het kind. Volgens hem is er sprake van ouderverstoting wanneer een kind tegenover een ouder vrijuit en voortdurend onredelijke gevoelens (woede, haat, afwijzing, vrees) en meningen koestert die overdreven zijn in verhouding tot de reële ervaring van het kind met die ouder (8).

Volgens Darnall daarentegen heeft het kind geen actief aandeel, maar speelt het uitsluitend de rol die de ouder die uit is op de verstoting van de ex-partner, suggereert. Hij omschrijft het verschijnsel van ouderverstoting als een gedrag bij de kribbige ouder dat kan leiden tot een verstoring in de relatie tussen het kind en de andere ouder.

In België tracht psycholoog en bemiddelaar Benoît Van Dieren, die een stevige ervaring heeft met deze problematiek, specifieke middelen te vinden om deze situaties, waarbij de ouderband dreigt verloren te gaan of effectief verloren is gegaan, en die in de ergste gevallen kunnen leiden tot ouderverstoting, te diagnosticeren en te verhelpen. Het klopt dat het Belgische gerecht onvoldoende is uitgerust om enerzijds een diagnose te maken van gevaarlijke situaties die kunnen ontaarden in het verlies van de ouderband en anderzijds de strijd aan te gaan tegen het onvermogen of de onwil van de ouders om samen te werken om het ouderlijk gezag gezamenlijk uit te oefenen.

De heer Van Dieren zegt zelfs dat de manipulerende ouder, die zijn of haar greep op het kind wil behouden en daarbij de andere ouder zwartmaakt, er min of meer zeker van is dat zijn of haar streven om de « foute » of storende ouder te vernietigen, uiteindelijk zal slagen. De verstotende ouder speculeert enerzijds op de tijd die voorbijgaat en op de procedures, wetende dat het op het einde van de rit de « wil » van het kind is die het zal halen van justitie. Hij benadrukt tevens dat uiteindelijk het « spontane » verhaal van het kind, dat, als het kind eenmaal goed geconditioneerd is, een eigen leven gaat leiden en zeer overtuigend wordt tegenover iedereen, magistraten en psychologen inbegrepen (9) ».

Een van de vernieuwende middelen die deze psycholoog voorstelt, is ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht, een begeleidingsvorm die moet worden opgelegd zodra de rechter vaststelt dat de ouderband met een van de ouders dreigt verloren te gaan of reeds effectief verloren is gegaan.

De indiener van het wetsvoorstel stelt voor om de mogelijkheid voor de rechter in te voeren om een beroep te doen op deze begeleiding wanneer er in een zaak met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van een kind (artikelen 223, 373, 374, 387bis, 387ter van het Burgerlijk Wetboek en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek) sprake is van een (dreigend) verlies van de ouderband.

De snelheid waarmee deze begeleiding wordt opgelegd is een troef om een situatie te verhelpen die zeer snel dreigt vast te lopen, te verslechteren en jammer genoeg definitief kan worden. Zodra het proces van ouderverstoting is begonnen en alle contact met de afgewezen ouder verbannen wordt, blijkt het moeilijk om de situatie te verhelpen omdat de afgewezen ouder niet meer aan het kind kan tonen wie hij of zij echt is.

Om dezelfde redenen is het uiterst belangrijk dat de begeleiding plaatsvindt binnen een strakke timing die evenwel ruimte laat voor een diepgaande evolutie van de relaties en standpunten van eenieder (10). De indiener van het voorstel voorziet dan ook in bemiddelingszittingen binnen termijnen van maximaal twee maanden.

Ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht impliceert in een eerste fase voor de rechter die vaststelt dat de ouderband verloren dreigt te gaan of reeds verloren is gegaan, dat deze vaststelling aan de partijen wordt meegedeeld. De rechter geeft aan dat deze situatie niet toelaatbaar is en dat ze moet worden verholpen voor het welzijn van het kind. Met het oog op dit welzijn is het de facto nodig om zo snel mogelijk de banden tussen de kinderen en elk van hun ouders naar best vermogen te herstellen.

De rechter speelt een pedagogische rol die erin bestaat de ouders bewust te maken van hun ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het kind. Hier- toe is het vaak noodzakelijk dat de « verstotende » ouder zijn of haar rol van ex-partner los ziet van die als ouder, aangezien het proces van oudervervreemding in de meeste gevallen ontstaat bij de scheiding van het koppel. Dat is geen evidente zaak.

De rechter deelt de ouders in dit verband mee dat er een deskundige in ouderbegeleiding zal worden aangesteld die hen zal helpen een oplossing voor dit probleem te vinden via onderhandelingen. Hij benadrukt dat om tot een oplossing te komen beide partijen zullen moeten samenwerken. Dit psychologisch-juridisch hulpmiddel impliceert tevens de actieve medewerking van de advocaten die zich ertoe verbinden de confrontatielogica te laten vallen om deze ouderlijke samenwerking met respect voor elk familielid alle slaagkansen te bieden.

Men maakt de partijen duidelijk dat de deskundige de partijen — en hun advocaten — en de rechter telkens als hij dat nodig acht een verslag zal sturen over de evolutie van de relaties en standpunten van elke partij. Er is dus sprake van een permanent toezicht van de rechter.

Zoals de heer Van Dieren aangeeft (11) kan de tussenkomende partij in geval van matige of ernstige ouderverstoting de rechter zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van reacties als sabotage van het proces, niet-naleving van verbintenissen, laster, manipulatie, of kwade trouw die ze zelf heeft kunnen vaststellen tijdens het begeleidingsproces zelf en die niet bij het begin naar voren werden geschoven (hetgeen altijd met klem wordt ontkend door de betrokkene).

Anderzijds is deze ouderlijke samenwerking een fundamenteel element waarmee de rechter rekening houdt om een oordeel te vormen met betrekking tot de beslechting van het geschil. Zo kan een gebrek aan samenwerking in het kader van deze begeleiding zware gevolgen hebben zoals bijvoorbeeld een voorlopige omkering van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, een beslissing die definitief kan worden in een definitief vonnis, of een dwangsom, een veroordeling tot de betaling van alle onkosten en honoraria van de deskundige of een veroordeling tot de procedurekosten en de advocatenkosten van de tegenpartij.

De mogelijkheid om op elk moment van de begeleiding dergelijke sancties opgelegd te krijgen, is bijgevolg een doorslaggevende vorm van dwang voor het welslagen van het proces.

Binnen de procedure van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht wordt er op verzoek van de rechter of wanneer de deskundige het opportuun acht een voorlopig verslag ingediend volgens de procedure van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen of hun raadsman delen hun commentaar mee binnen een termijn die wordt vastgesteld door de deskundige, rekening houdend met de aard van het geschil. De deskundige stelt dan het definitieve verslag op dat hij bezorgt aan de rechter en aan de partijen en hun raadsman.

Teneinde de ouderbegeleiding aan een bepaalde timing te koppelen, wordt bepaald dat de rechter binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het definitieve verslag de rechtsdag bepaalt.

Het is duidelijk dat dit middel geen wondermiddel is dat alle conflicten kan oplossen. Het is een van de vele actiemiddelen waarover de beroepsmensen beschikken, zoals bijvoorbeeld de klassieke expertise, de bemiddeling in gezinszaken, maar ook — sinds de wet op de gelijkmatig verdeelde huisvesting — de voortdurende aanhangigmaking voor de jeugdrechter, de mogelijkheid om een dwangsom te eisen en de gedwongen uitvoering in uitzonderlijke gevallen.

Gezien de schade ten aanzien van het kind dat geen affectieve band met een van zijn ouders heeft en ten aanzien van de « verstoten » ouder moet de Belgische justitie worden uitgerust met bijkomende middelen. Het beschikbare arsenaal is duidelijk niet voldoende. De ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht komt tegemoet aan een lacune op grond van de bijzondere elementen ervan, namelijk :

— reële interdisciplinaire samenwerking : rechter, advocaten, deskundige;

— permanente en effectieve controle — men wacht niet gedurende zes maanden op de expertise, want tijdens deze periode kan de situatie voorgoed vastlopen — van de rechter op het verloop van de begeleiding via verslagen van de deskundige;

— focus tijdens de begeleiding op de wil en het vermogen om samen te werken en niet op de geschiktheid om een goede ouder te zijn;

— dreiging van sancties in geval van niet-samenwerking vanwege een ouder;

— responsabilisering van de ouders;

— snelheid van de invoering en van het verloop van de begeleiding.

De indiener van het genoemde voorstel meent dat een strafrechtelijk aspect eveneens noodzakelijk is. Net zoals familieverlating of niet-afgeven van kinderen moet worden bestraft, moet ook de ouder die aan ouderverstoting doet strafrechtelijk kunnen worden gestraft, ofwel met een geldboete, ofwel met een gevangenisstraf, ofwel met beide. De strafrechtelijke sanctie zal in laatste instantie worden ingezet. Zonder dit zwaard van Damocles zouden sommige ouders de begeleiding onder gerechtelijk toezicht niet volgen en de zaken laten ontaarden.

De uitspraak van een probatie-uitstel door de rechter is altijd mogelijk en zou een bijkomende stimulans kunnen zijn om de begeleiding onder gerechtelijk toezicht na te leven en een einde te maken aan dit verstotingssydroom. Dat wordt uiteraard aan de rechter overgelaten.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen 2, 3 en 4

Deze bepalingen stellen de vrederechter of de jeugdrechter in staat om ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht op te leggen wanneer hij of zij vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of dreigt te gaan.

Artikel 5

Dit artikel voegt in boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek een hoofdstuk XIIter in. Het beschrijft de procedure van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht.

Artikel 6

Dit artikel voegt een afdeling Vbis in hoofdstuk III van deel VIII van het Strafwetboek in, met als opschrift : Ouderverstoting.

Deze bepaling strekt ertoe een misdrijf wegens belemmering van de uitoefening van het ouderlijk gezag te creëren, dat wordt bestraft met een gevangenisstraf en/of een geldboete, aangezien elk kind het recht heeft op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen met beide ouders te onderhouden, zoals bepaald in artikel 9, punt 3, van het International Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989. In dit artikel wordt dus gezegd wat dient te worden verstaan onder « ouderverstoting » en wat de mogelijke straffen zijn.

Christine DEFRAIGNE.

***

WETSVOORSTEL

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Wijziging van het Burgerlijk Wetboek

Art. 2

In artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen door de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 28 januari 2003, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :

« Indien de vrederechter of de jeugdrechter vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan hij de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht als bedoeld in hoofdstuk XIIter van boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek opleggen. »

Art. 3

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387quater ingevoegd, luidende :

« 387quater. — Indien de rechter, tijdens de procedures bedoeld in de artikelen 373, 374, 387bis en 387ter, vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan hij de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht als bedoeld in hoofdstuk XIIter van boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek opleggen. »

Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 4

In artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 19 maart 2010, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :

« Indien de rechter vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan hij de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht als bedoeld in hoofdstuk XIIter van boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek opleggen. »

Art. 5

In boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek wordt een hoofdstuk XIIter ingevoegd, bestaande uit de artikelen 1322 quinquiesdecies tot 1322 vicies semel, luidende :

« Hoofdstuk XIIter. Ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht

Art. 1322quinquiesdecies. — De rechter bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt op grond van de artikelen 223, 373, 374, 387bis, 387ter van het Burgerlijke Wetboek en 1280, in eerste aanleg of in hoger beroep, en die vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht, hierna « begeleiding » genoemd, opleggen.

Art. 1322sexiesdecies. — Ter zitting deelt de rechter de partijen mee dat hij vastgesteld heeft dat de ouderband is verloren gegaan of dreigt verloren te gaan en dat die situatie moet worden verholpen.

Hij vraagt de partijen om via onderhandelingen een oplossing te vinden voor hun geschil rond de persoon van de kinderen, teneinde de bedreigde ouderband te versterken, wat de samenwerking van elkeen impliceert.

Hiertoe stelt hij een deskundige aan die de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht zal uitoefenen. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de deskundige moet voldoen om in het kader van deze begeleiding te worden aangesteld.

De rechter legt de partijen de procedure met betrekking tot de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht uit, met name de interactie tussen enerzijds de rechter, die de begeleiding permanent controleert, en anderzijds de deskundige, alsook de maatregelen die de rechter op elk moment kan nemen indien een van de partijen onvoldoende samenwerkt.

Hij deelt de partijen de datum van de volgende zitting mee, die binnen een termijn van drie maanden moet plaatsvinden.

Art. 1322septiesdecies. — Bij tussenvonnis stelt de rechter een deskundige aan die de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht zal uitvoeren.

Het vonnis maakt melding van de opdracht van de deskundige, die tot doel heeft de bedreigde ouderband te versterken. Teneinde de rechter te informeren over de evolutie van de situatie, is de deskundige verplicht tijdens het hele verloop van zijn opdracht verslag uit te brengen over elk relevant element. Hij moet de rechter tevens inlichten over het vermogen en de wil van de partijen om samen te werken in het belang van de kinderen.

Het vonnis vermeldt de datum waarop de volgende zitting plaatsvindt.

De artikelen van dit hoofdstuk worden bij het vonnis gevoegd.

Art. 1322octiesdecies. — § 1. Op de eerste vergadering legt de deskundige de partijen de procedure van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht uit. Hij herinnert de partijen eraan dat de samenwerking van ieder van hen vereist is, dat er geregeld verslagen naar de rechter worden gestuurd zodat die gaandeweg de evolutie van de situatie en met name hun vermogen en wil tot samenwerking kan volgen.

Men maakt de partijen de juridische gevolgen van een gebrek aan samenwerking duidelijk.

De instemming van de partijen en hun raadsman met deze procedure wordt door de deskundige verkregen alvorens hij de ouderbegeleiding aanvat.

§ 2. De deskundige informeert de rechter, de partijen en hun advocaat over de evolutie van zijn opdracht telkens als hij dat wenselijk acht.

Art. 1322noviesdecies. — § 1. Op de in het tussenvonnis vastgestelde zitting hoort de rechter de partijen of hun raadsman over de resultaten van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht.

Indien hij dat wenselijk acht, neemt hij de nodige voorlopige maatregelen voor de gerechtelijke begeleiding van de evolutie van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht.

Hij kan tevens vragen dat de deskundige zijn voorlopig verslag indient.

§ 2. Het voorlopig verslag kan op verzoek van de rechter of op initiatief van de deskundige worden opgesteld. Dit verslag vat het gehele begeleidingsproces samen en vermeldt de waarnemingen van de deskundige, meer bepaald wat de samenwerking van de partijen en de resultaten met betrekking tot de versterking van de ouderband betreft.

De partijen of hun raadsman delen hun commentaar mee binnen een termijn die wordt vastgesteld door de deskundige, rekening houdend met de aard van het geschil. De deskundige moet geen rekening houden met commentaar die te laat werd meegedeeld. De rechter kan die commentaar van ambtswege weglaten uit de behandeling.

De deskundige stelt het definitieve verslag op dat hij overlegt aan de rechter en aan de partijen en hun raadsman.

De rechter bepaalt de rechtsdag binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het definitieve verslag.

Art. 1322vicies. — De rechter doet uitspraak.

Hij kan in het bijzonder :

1o de huisvesting wijzigen teneinde een evenwichtige relatie met beide ouders te bevorderen;

2o een dwangsom uitspreken;

3o de partij die niet met de begeleiding meewerkt alle kosten en honoraria van de deskundige aanrekenen;

4o de partij die ondanks de begeleiding verantwoordelijk is voor het verlies van de ouderband, de procedurekosten en advocatenkosten van de tegenpartij aanrekenen.

De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Art. 1322viciessemel. — Voor het overige zijn de artikelen 962 en volgende betreffende het deskundigenonderzoek van toepassing. »

Wijziging van het Strafwetboek

Art. 6

In hoofdstuk III van deel VIII van het Strafwetboek wordt een afdeling Vbis ingevoegd, die een artikel 432bis bevat, luidende :

« Afdeling Vbis. Ouderverstoting.

Art. 432bis. — Onverminderd de toepassing van de artikelen 1385bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de dwangsom wordt elke ouder die bewust de uitoefening van het ouderlijk gezag belemmert door herhaalde handelingen of allerlei vormen van manipulatie, met de bedoeling de affectieve band met de andere ouder te verzwakken of zelfs te vernietigen, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen. »

30 september 2010.

Christine DEFRAIGNE.

104259 – I.P.M.

(1) Jean-Marc Delfieu is psychiater en deskundige bij het hof van beroep van Nîmes.
(2) Delfieu, J.-M., « Syndrome d’aliénation parentale, diagnostic et prise en charge médico-juridique », in Experts, nr. 67, juni 2005, bladzijde 25.
(3) Gardner, R.A. (1998), « The Parental Alienation Syndrome » (2. Ed.), Creative Therapeutics, Cresskill, NJ, page XX, Introduction.
(4) http://www.lepost.fr/article/2009/07/09/1613503_syndrome-d-alienation-parentale-sap.html.
(5) Delfieu, J.-M., op.cit., blz. 27.
(6) Delfieu, J.-M., op.cit., blz. 26.
(7) Van Gijseghem, « L’aliénation parentale : les principales controverses », in JDJ, nr. 237, september 2004, bladzijde 19.
(8) Van Gijseghem, H., op.cit., bladzijde 19.
(9) Van Dieren, B., « La justice face au processus d’aliénation parentale », lezing in het kader van de opleiding voor Franstalige en Nederlandstalige magistraten die door de Hoge Raad voor de Justitie wordt georganiseerd.
(10) Van Dieren, B., op.cit.
(11) Benoît Van Dieren, op.cit.

Christine Defraigne – MR
Wetgevingsstuk nr. 5-520/1
http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub&COLL=S&LEG=5&NR=520&PUID=83886624&LANG=nl
Wetgevingsstuk nr. 5-520/1 Dossierfiche

Gemeenschapssenator (Parlement van de Franse Gemeenschap )

Fractievoorzitter Senaat tel.: 02 501 77 14
e-mail: defraigne@senators.senate.be
Correspondentie Vinave d’Ile 9
4000 Liège
tel.: 04 223 01 11
fax: 04 222 36 13
e-mail: contact@christinedefraigne.be
Privé avenue Blonden 20
4000 Liège
tel.: 04 254 16 10
e-mail: contact@christinedefraigne.be

Geboren te Luik op 29 april 1962Licentiaat in de rechten (ULg)

Advocate

1985-1987 : kabinetsattaché (vice-eerste minister en minister van de Institutionele Hervormingen)
1989-1994 en sinds 2001 : gemeenteraadslid (Luik)
Sinds 1999 : lid van het Waals Parlement (vóór 25 februari 2005 genoemd : Waalse Gewestraad )
Sinds 1999 : lid van het Parlement van de Franse Gemeenschap (vóór 25 februari 2005 genoemd : Raad van de Franse Gemeenschap )
2003-2008 : voorzitster van TEC Luik-Verviers
Sinds 12 juni 2003 : senator aangewezen door het Parlement van de Franse Gemeenschap
2003-2009 : voorzitster van de MR-fractie (Senaat)
2004-2007 : plaatsvervangend lid van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie
Sinds 7 december 2011 : voorzitster van de MR-fractie (Senaat)

Ridder in de Leopoldsorde (5 juni 2007)

Lidmaatschap van commissies Lid

Plaatsvervanger

Parlementair werk Auteursregister
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Wetgevend werk
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Schriftelijke vragen
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Mondelinge vragen
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Vragen om uitleg
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007

christine defraigne mr – Google zoeken
http://www.google.nl/#hl=nl&gs_nf=1&cp=20&gs_id=7&xhr=t&q=Christine+Defraigne+mr&pf=p&sclient=psy-ab&site=&source=hp&pbx=1&oq=Christine+Defraigne+&aq=0&aqi=g1&aql=&gs_sm=&gs_upl=&bav=on.2,or.r_gc.r_pw.r_cp.,cf.osb&fp=a2ffff73d6b2e4c9&biw=1600&bih=668

christine defraigne aliénation parentale – Google zoeken
http://www.google.nl/#hl=nl&gs_nf=1&cp=40&gs_id=n&xhr=t&q=Christine+Defraigne+ali%C3%A9nation+parentale&pf=p&sclient=psy-ab&source=hp&pbx=1&oq=Christine+Defraigne+ali%C3%A9nation+parentale&aq=f&aqi=&aql=&gs_sm=&gs_upl=&bav=on.2,or.r_gc.r_pw.r_cp.,cf.osb&fp=a2ffff73d6b2e4c9&biw=1600&bih=668

christine defraigne ouderverstoting – Google zoeken
http://www.google.nl/#pq=christine+defraigne+ali%C3%A9nation+parentale&hl=nl&gs_nf=1&cp=35&gs_id=39&xhr=t&q=Christine+Defraigne+ouderverstoting&pf=p&sclient=psy-ab&source=hp&pbx=1&oq=Christine+Defraigne+ouderverstoting&aq=f&aqi=&aql=&gs_sm=&gs_upl=&bav=on.2,or.r_gc.r_pw.r_cp.,cf.osb&fp=a2ffff73d6b2e4c9&biw=1600&bih=668

Christine Defraigne – Ma politique
http://www.christinedefraigne.be/

november 23, 2010 at 7:19 am Plaats een reactie

Esma Kaplan – Ouderverstoting in Nederland (Masterthesis, Universiteit van Utrecht, 2008)

Ouderverstoting in Nederland – Parental Alienation Syndrome (PAS) en loyaliteitsproblemen bij recente scheidingsgezinnen.

Universiteit van Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen, Masterthesis Pedagogische Wetenschappen, Kaplan, E., 31 juli 2008

English: Esma Kaplan – Research study – Parental Alienation in the Netherlands

Francais: Esma Kaplan – Recherche – Alienation Parentale aux Pays-Bas

Deutsch: Esma Kaplan – Research – Elterliche Entfremdung in die Niederlanden

Espagnol: Esma Kaplan – Research – Alienación des padres en los Países Bajos

Enkele hoofdconclusies:
• 72% van de Nederlandse gescheiden vaders beschouwt het oudervervreemdingssyndroom (PAS of Parental Alienation Syndrome) als een probleem.
• 64% van de Nederlandse gescheiden moeders beschouwt het oudervervreemdingssyndroom (PAS of Parental Alienation Syndrome) als een probleem.
• Volgens vaders vormt het oudervervreemdingssyndroom (PAS) een ernstig probleem in 21% van de gevallen
• Maar volgens moeders vormt het oudervervreemdingssyndroom (PAS) slechts een ernstig probleem in 10% van de gevallen
• Al met al beschouwen vaders ernstige vormen van PAS als een twee keer zo groot probleem dan moeders.
• Het in dit onderzoek gevonden hoge percentage van de ernstige vorm van ouderverstoting is tegenstrijdig met de eerdere bevindingen van het onderzoek van Ed Spruijt en zijn collega’s (2005), waaruit naar voren kwam dat PAS wel voorkomt in Nederland, maar dat de ernstige vorm niet of nauwelijks zou voorkomen.

Samenvatting:

In deze studie wordt gepretendeerd meer inzicht te krijgen over ouderverstoting. Er is onderzocht in hoeverre ouderverstoting voorkomt in Nederland, wat de kenmerken van ouderverstoting zijn en de gevolgen voor het functioneren van de jongere. Voor deze studie is een survey-onderzoek uitgevoerd, waarbij de data van eerdere onderzoeken is gebruikt.

De scheidingsgezinnen in deze onderzoeken zijn geworven in het kader van het onderzoek “Gezinnen en scheiding” uitgevoerd door Dr. I. van der Valk en in het kader van het onderzoek “Jongeren en gezinnen” onder leiding van Dr. A.P. Spruijt. Het onderzoek is gedaan bij n = 400 jongeren en n = 159 ouders.

Uit de resultaten blijkt dat ouderverstoting voorkomt in Nederland. De ernstige vorm van PAS komt volgens vaders twee keer zo vaak voor dan volgens moeders. Zowel conflicten voor en na de scheiding als de mate van betrokkenheid van ouders zijn belangrijke kenmerken van ouderverstoting. Zo leidt conflicten tussen ouders tot loyaliteitsproblemen bij het kind, waarbij meisjes meer last hebben van conflicten voor de scheiding in tegenstelling tot jongens. De mate van betrokkenheid hangt samen met hoezeer ouders zich verstoot voelen door hun kind. Wanneer de mate van betrokkenheid moeder hoog is leidt dit tot minder loyaliteitsproblemen bij de jongere. Over de gevolgen van ouderverstoting voor het functioneren van de jongere blijkt dat loyaliteitsproblemen bij jongens tot een laag algemeen welbevinden en tot angst leidt. Ook bij meisjes leidt loyaliteitproblemen tot een laag algemeen welbevinden en angst. Bovendien hebben meisjes met loyaliteitsproblemen een lage zelfwaardering en is er meer kans op depressie wanneer zij loyaliteitsproblemen ervaren.

Citaat uit de “Resultaten” op blz. 28 van de masterthesis van E Kaplan:

“De resultaten laten zien dat PAS voorkomt in Nederland. Slechts 36% van de moeders en 28% van de vaders vinden dat er geen sprake is van PAS. De milde vorm van PAS komt het vaakst voor bij zowel vaders (45%) als bij moeders (49%). De matige vorm komt volgens vaders in 6 % van de gevallen voor en volgens moeders in 5 % van de gevallen. In 21 % van de gevallen komt volgens vaders de ernstige vorm van PAS voor en volgens moeders in 10% van de gevallen.”

Citaat uit de “Conclusies” op blz. 31 van de masterthesis van E Kaplan:

“Uit de resultaten blijkt namelijk dat de mate van ouderverstoting volgens vaders in 45 % van de gevallen mild, 6 % matig en in 21% van de gevallen ernstig te noemen is. Daarentegen geven 28 % van de vaders aan dat er geen sprake is van ouderverstoting. Volgens moeders betreft het in 49% van de gevallen een milde vorm, 5 % matig en 10% een ernstige vorm. 36 % van de moeders vindt dat er geen sprake is van PAS.

Deze resultaten lijken tegenstrijdig met de bevindingen van het onderzoek van Ed Spruijt en zijn collega’s (2005). Uit het onderzoek van Ed Spruijt en collega’s (2005) kwam immers naar voren dat PAS wel voorkomt in Nederland, maar dat de ernstige vorm niet of nauwelijks voorkomt. Het hoge percentage van de ernstige vorm van ouderverstoting in dit onderzoek kan mogelijk verklaard worden doordat het in dit onderzoek alleen recente scheidingsgezinnen betreft.”

Sleutelwoorden: loyaliteitsproblemen, ouderverstoting, oudervervreemding, ouderlijke conflicten, (echt)scheiding, Sociale Wetenschappen, Orthopedagogiek

Bijdragers: Valk, I. van der, Spruijt, E.

OUDERVERSTOTING

IN NEDERLAND

Parental Alienation Syndrome (PAS) en loyaliteitsproblemen bij recente scheidingsgezinnen

E. Kaplan

Masterthesis Pedagogische Wetenschappen

Faculteit Sociale Wetenschappen

Esma Kaplan, Universiteit Utrecht, Juli 2008

Download PDF-versie: Masterthesis Kaplan, E-0206725.pdf

Ouderverstoting in Nederland

Parental Alienation Syndrome (PAS) en loyaliteitsproblemen bij recente scheidingsgezinnen.

Masterthesis Pedagogische Wetenschappen

Werkveld: Jeugdzorg

Auteur: E. Kaplan 0206725

Begeleider: Dr. I. van der Valk

Tweede Lezer: Dr. E. Spruijt

Universiteit Utrecht, Juli 2008


Voorwoord

Voor u ligt de Masterthesis die in de eindfase van de studie Orthopedagogiek geschreven wordt. Binnen het thema ‘echtscheidingsgezinnen’ heb ik gekozen om onderzoek te doen naar een veel voorkomend maar weinig bekend onderwerp, namelijk het Parental Alienation Syndrome (PAS) en loyaliteitsproblemen bij jongeren. Dit onderwerp sprak mij aan, omdat omtrent dit probleem nog onwetendheid bestaat op zowel wetenschappelijk als maatschappelijk domein. Zodoende zou mijn onderzoek een zekere bijdrage leveren aan de wetenschap, hetgeen mij gedrevener en nieuwsgierig maakte.

Voor de uitvoering van dit onderzoek ben ik in de eerste plaats veel dank verschuldigd aan Dr. Inge van der Valk voor haar inzet en deskundige adviezen bij de totstandkoming van deze masterthesis. Zij heeft mij zeer goed op weg geholpen in zowel de oriënterende als de uitvoerende fase. Te allen tijde kon ik met vragen en onduidelijkheden bij haar terecht. Ook in moeilijke tijden heeft ze mij met veel geduld en betrokkenheid begeleid. Tevens gaat mijn dank uit naar Ed Spruijt voor het gebruik van zijn data. Verder wil ik iedereen bedanken die op welke wijze dan ook bij de totstandkoming van deze thesis heeft geholpen

Esma Kaplan.

Utrecht, Juli 2008


INHOUDSOPGAVE

Voorwoord

Samenvatting 5

Inleiding 6

1. Literatuurverkenning 7

1.1 Inleiding 7

1.1.1 Echtscheidingscijfers en contact na scheiding 7

1.1.2 Parental Alienation Syndrome (PAS) 8

1.1.3 Symptomen 9

1.1.4 Niveaus 10

1.1.5 Kritiek op PAS 11

1.1.6 Onderzoeksresultaten omtrent de strategieën en de niveaus van PAS 12

1.1.7 Loyaliteit 13

1.1.8 De gevolgen van ouderverstoting voor het functioneren van de jongere 14

1.1.9 De gevolgen van loyaliteitsproblemen voor het functioneren van de jongere 15

1.2 Deze studie 16

1.2.1 Probleemstelling 16

1.2.2 Vraagstelling 16

1.2.3 Hypothesen 17

2. Methoden 19

2.1 Inleiding 19

2.2 Procedure 19

2.3 Steekproef 19

2.4 Meetinstrumenten 20

3. Resultaten 22

3.1 Deelnemers 22

3.2 Ouderverstoting in Nederland 24

3.3 Kenmerken van ouderverstoting 27

3.4 Gevolgen van ouderverstoting 29

4. Conclusie en discussie 31

Literatuur 35


Samenvatting

In deze studie wordt getracht meer inzicht te krijgen in PAS en loyaliteitsproblemen. Er is onderzocht in hoeverre ouderverstoting voorkomt in Nederland, wat de kenmerken van ouderverstoting zijn en de gevolgen ervan voor het functioneren van de jongere. Voor deze studie is een survey-onderzoek uitgevoerd, waarbij de data van eerdere onderzoeken is gebruikt. De scheidingsgezinnen in deze onderzoeken zijn geworven in het kader van het onderzoek “Gezinnen en scheiding” uitgevoerd door Dr. I. van der Valk en in het kader van het onderzoek “Jongeren en gezinnen” onder leiding van Dr. A.P. Spruijt. Het huidig onderzoek is gedaan bij n = 400 jongeren en n = 156 ouders.

Uit de resultaten blijkt dat ouderverstoting inderdaad voorkomt in Nederland. De ernstige vorm van ouderverstoting komt volgens vaders twee keer zo vaak voor dan volgens moeders. Zowel conflicten voor en na de scheiding als de mate van betrokkenheid van ouders zijn belangrijke kenmerken van ouderverstoting. Zo leidt conflicten tussen ouders tot loyaliteitsproblemen bij het kind, waarbij meisjes meer last hebben van conflicten voor de scheiding in tegenstelling tot jongens. De mate van betrokkenheid hangt samen met hoezeer ouders zich verstoten voelen door hun kind. Wanneer de mate van betrokkenheid moeder hoog is leidt dit tot minder loyaliteitsproblemen bij de jongere. Over de gevolgen van ouderverstoting voor het functioneren van de jongere blijkt dat loyaliteitsproblemen bij jongens tot een laag algemeen welbevinden en tot angst leiden. Ook bij meisjes leiden loyaliteitproblemen tot een laag algemeen welbevinden en angst. Bovendien hebben meisjes met loyaliteitsproblemen een lage zelfwaardering en is er meer kans op depressie wanneer zij loyaliteitsproblemen ervaren.


Inleiding

In dit rapport gaat het over een ernstig probleem waarmee scheidingsgezinnen te maken kunnen krijgen, namelijk het Parental Alienation Syndrome (PAS). Over het PAS is in Nederland nog erg weinig bekend. De onderzoeken die er zijn hebben zich overigens alleen gericht op ouders. Dit onderzoek zal naast PAS dat alleen gemeten is bij ouders ook loyaliteitsproblemen bij jongeren meten welke een mogelijke indicator van PAS is.

Dit onderzoek is daarom in eerste instantie gericht om beter zicht te krijgen over het PAS en loyaliteitsproblemen bij jongeren. De centrale vraagstelling hierbij is ‘In hoeverre komt ouderverstoting voor in Nederland en wat zijn daarvan de kenmerken en de gevolgen ervan voor het functioneren van de jongere?’

De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek ligt in het feit, dat de resultaten van het onderzoek van belang kunnen zijn bij het ontwikkelen van fundamentele theorieën omtrent dit probleem. Meer kennis over het verschijnsel kan de omstandigheden voor kinderen in de toekomst verbeteren. Er wordt namelijk meer kennis verworven over de beleving van ouderverstoting door zowel ouders als jongeren.

Uiteraard is dit onderzoek ook gefundeerd op reeds bestaande literatuur. In hoofdstuk 1 wordt verslag gedaan over de onderzoeksvragen en begrippen aan de hand van relevante en recente publicaties. In dit hoofdstuk volgt ook de formulering van de vraagstelling, de onderzoeksvragen en de hypotheses. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden beschreven in hoofdstuk 2. De wijze van dataverzameling, steekproeftrekking en de beschrijving van de meetinstrumenten komen hier onder andere aan bod. In hoofdstuk 3 zullen de gevonden resultaten worden toegelicht. Tot slot wordt in het laatste hoofdstuk de vergekregen resultaten vergeleken, verklaard en geëvalueerd met de literatuur die in hoofdstuk 1 is beschreven.


1. Literatuurverkenning

1.1 Inleiding

Ieder jaar krijgt een groot aantal minderjarige kinderen te maken met scheiding van de ouders.

Ongeveer 20% van deze kinderen heeft na de ouderlijke echtscheiding geen contact meer met de uitwonende ouder (Spruijt et al. 2005). Het komt tegenwoordig regelmatig voor dat het kind, zonder een aanwijsbare reden, het contact met de ouder die elders woont, verbreekt. Dat kinderen zonder een aanwijsbare reden het contact met een ouder verbreken wordt ook wel het ouderverstotingssyndroom genoemd. Hoewel het probleem zich regelmatig voordoet is er weinig bekend over dit fenomeen. Dit hoofdstuk kan gezien worden als aanvullende informatie omtrent het fenomeen ouderverstoting. In paragraaf 2 van dit hoofdstuk komt de informatie aan de orde waar het in het onderzoek om gaat.

1.1.1 Echtscheidingscijfers en contact na scheiding

In Nederland vinden er circa 35.000 scheidingen per jaar plaats. Na een stijging van het aantal scheidingen in de jaren zeventig en tachtig, is het echtscheidingscijfer in Nederland de laatste decennia hoog en redelijk stabiel. Bij ongeveer de helft van deze scheidingen zijn minderjarige kinderen en adolescenten betrokken (Spruijt, 2007).

Scheiding kan voor alle leden van het gezin voor ernstige gevolgen zorgen. De belangrijkste negatieve uitkomsten voor kinderen nadat de scheiding heeft plaatsgevonden zijn onder andere de externaliserende problemen, internaliserende problemen, lagere schoolprestaties, problemen in vriendschapsrelaties en zwakkere band met ouders (Spruijt, 2007). De lange termijn gevolgen zijn volgens Amato (2006): een lager opleidingsniveau, minder inkomen, groter risico op depressie, zwakkere relatie met ouders en een groter eigen scheidingsrisico (Spruijt, 2007). De periode voor, tijdens en direct na de scheiding is voor alle kinderen moeilijk. Terwijl er voor de scheiding de vrijheid was om met elkaar in contact te komen wanneer zij dat wensten, dienen zij zich na de scheiding aan regels te houden die door anderen zijn vastgesteld. Derhalve is de belangrijkste verandering, dat het kind vaak bij een ouder verblijft en dat de uitwonende ouder een ‘bezoeker’ wordt die het kind alleen op bepaalde tijden kan zien (Vassiliou en Cartwright, 2001).

Sinds de wetswijziging in 1998 bestaat echter de mogelijk op gezamenlijk ouderschap. Gelukkig zien steeds meer ouders de noodzaak om goede afspraken te maken en wordt coouderschap steeds populairder in Nederland (Spruijt, 2007). Wellicht is de wet op gezamenlijk ouderlijk gezag een belangrijke factor voor de toename van de contact tussen kind en ouders.

Wanneer immers uitkomsten van recente studies vergeleken worden met die van enkele jaren geleden, is het percentage ‘helemaal geen contact’ met de uitwonende ouder tussen 2001 en 2005 langzaam afgenomen van ongeveer 25% naar ongeveer 17% (Spruijt, 2007). Ondanks deze goede ontwikkelingen in de praktijk en in de wetgeving zullen er toch conflictueuze scheidingen blijven bestaan. Ouders raken na een scheiding dan vaak in een machtstrijd verwikkeld hetgeen kan leiden tot loyaliteitsproblemen bij het kind en verstoting van een van de ouders door het kind. De Amerikaanse psychiater Gardner heeft dit verschijnsel benoemd als de Parental Alienation Syndrome (PAS). In Nederland heet dit het ouderverstotingssyndroom of kortweg PAS.

1.1.2 Parental Alienation Syndrome (PAS)

Het verschijnsel van een pathologische binding tussen ouder en kind met uitsluiting van de andere ouder was al eerder geconstateerd. Het was Gardner die een meer uitgebreide en gedetailleerde beschrijving van dit fenomeen ontwikkelde. PAS is volgens de definitie van Gardner (1998) een stoornis die primair optreedt in het kader van een juridische strijd om het ouderlijk gezag. Voornaamste uiting ervan is een ongerechtvaardigd denigrerende houding van het kind tegenover de uitwonende ouder. Deze komt voort uit een combinatie van indoctrinatie door de thuiswonende ouder – welke in het vervolg de programmerende ouder genoemd zal worden – en een eigen bijdrage van het kind aan de lasterpraat over de andere ouder – welke in het vervolg de uitwonende of het slachtoffer ouder genoemd zal worden. Overigens wordt er niet van PAS gesproken wanneer er sprake is van mishandeling of verwaarlozing door een ouder aangezien de vijandigheid van het kind gerechtvaardigd wordt (Spruijt, 2007; Gardner 1998).

1.1.3 Symptomen

Het ouderverstotingssyndroom bestaat volgens Gardner uit acht symptomen (Gardner, 1998).

1. De lastercampagne tegen de uitwonende ouder.

Het kind laat voortdurend zijn/haar haat zien ten opzichte van de uitwonende ouder. De programmerende ouder vertelt het kind negatieve verhalen over de uitwonende ouder en geeft negatieve benamingen. Wanneer de programmerende ouder dit doet zonder medewerking van het kind is er geen sprake van PAS. Er is immers sprake van PAS wanneer het kind ook een bijdrage heeft aan de lastercampagne (O’Leary & Moerk, 1999; Gardner 2002; Baker, 2006).

2. Absurde, irreële rechtvaardigingen van de lastercampagne.

Hoewel het vaak gaat om ouders met goede ouderschapskwaliteiten en waarbij voor de scheiding sprake was van een liefdevolle relatie met het kind, probeert het kind zijn/haar gedrag te rechtvaardigen door bijvoorbeeld te zeggen: “hij maakt geluiden tijdens het eten” (Rand, 1997; O’Leary & Moerk, 1999; Gardner 2002; Baker, 2006).

3. Gebrek aan ambivalentie.

De slachtofferouder heeft volgens het kind alleen maar negatieve kenmerken terwijl aan de programmerende ouder alleen maar positieve kenmerken wordt toegeschreven. Het kind kan zelfs beweren dat het alle plezierige momenten met de slachtofferouder is vergeten (Rand, 1997; O’Leary & Moerk, 1999, Baker, 2006).

4. De schijnbare onafhankelijkheid.

Het kind beweert dat de ideeën van hem of haarzelf zijn (Rand, 1997; O’Leary & Moerk, 1999; Gardner, 2002). Vaak gebruiken deze kinderen woorden en zinnen van de programmerende ouder (Cartwright, 1993).

5. Reflexmatige steun aan de thuiswonende ouder.

Dit kan zo ver gaan dat een kind overtuigende bewijzen van een ander afwijst (Rand, 1997; Gardner, 2002; Baker, 2006). Het kind gelooft dat de verzorgende ouder een ideaal persoon is die geen kwaad kan doen of denkt dat de programmerende ouder de zwakste van de twee ouders is die verdediging nodig heeft (Cartwright, 1993).

6. Het kind heeft gebrek aan schuld, sympathie en empathie voor de slachtofferouder.

Het kind verdedigt zijn/haar gedrag door te stellen dat het een slechte ouder is en niet verdient hem/haar te zien. De slachtoffer ouder heeft de keuze om een dergelijke behandeling te tolereren of juist te vermijden met als gevolg het contact met het kind verliezen. Vaak kiezen ouders voor de laatste optie (O’Leary & Moerk, 1999; Gardner, 2002).

7. Letterlijk citeren van onbegrepen woorden.

Het kind gebruikt zinnen en ideeën die zij aanleren van de programerende ouder. Dit kan afgeleid worden uit de woorden of zinnen die niet bij de leeftijd passen of gebeurtenissen die ze niet kunnen herinneren.

8. Uitbreiding van de vijandschap tot de familie van de uitwonende ouder.

Het kind verbreekt het contact met voorheen dierbare familieleden.

1.1.4 Niveaus

Naast de acht symptomen onderscheidt Gardner drie niveaus van PAS; namelijk mild, gematigd en ernstig (Gardner, 2002). Bij kinderen met PAS komen de meeste van de hierboven genoemde symptomen voor. Wanneer alle of bijna alle symptomen voorkomen is er sprake van gematigd of ernstige vorm van PAS. Vooral de ernstige type van PAS heeft volgens Gardner een negatieve invloed op de psychologische ontwikkeling van het kind. Hierbij is de programmerende ouder volkomen fanatiek en soms zelfs paranoïde. Het kind is zodanig vijandelijk jegens de uitwonende ouder dat zelfs in de meeste gevallen een bezoek van de uitwonende ouder onmogelijk wordt. Het kind kan zelfs fysiek geweld laten zien jegens gehate ouder (Rand, 1997; O’Leary & Moerk, 1999). In sommige gevallen kan de vijandigheid van het kind oplopen tot paranoïde vormen. Het kind denkt dat hij/zij achtervolgd wordt en is bang om vermoord te worden door de uitwonende ouder (Gardner, 2002).

De matige vorm wordt gekenmerkt door razernij. De ouder is boos door de verlating van zijn/haar partner. Hierbij is de binding met het kind gezond en voor de scheiding was de ouder een goede opvoeder, wat niet het geval is bij de ernstige vorm. Het kind is vaak disruptief en onrespectvol jegens de slachtofferouder (Rand, 1997; O’Leary & Moer, 1999).

In de lichte gevallen wil de geprogrammeerde ouder alleen zijn/haar positie veilig stellen. Herstel is hierbij makkelijker te verwezenlijken. De verstoting is relatief oppervlakkig, de kinderen zijn over het algemeen coöperatief tijdens bezoeken, maar zijn vaak kritisch en onvriendelijk jegens de slachtofferouder ( O’Leary & Moerk, 1999; Gardner, 2002).

1.1.5 Kritiek op PAS

Ondanks dat PAS veel gebruikt wordt in de literatuur is niet iedereen het eens met het werk van Gardner. Dat het kind een van de ouders afwijst zonder een aanwijsbare reden, wordt door iedereen als een probleem gezien, alleen bestaat er onenigheid over de beschrijving en benoeming ervan (Warshak, 2001). Zo voldoet volgens O’Leary en Moerk (1999) PAS niet aan de algemeen geaccepteerde definitie van een syndroom. De symptomen zijn namelijk niet specifiek genoeg en onderscheiden zich bijvoorbeeld onvoldoende van een normale verstoting die zich voordoet tijdens de meeste echtscheidingsgevallen. De meeste kinderen hebben namelijk preferenties en het is moeilijk te achterhalen of er sprake is van enige verstoting van een van de ouders (O’Leary & Moerk, 1999). Een ander kritiekpunt is dat PAS niet een stoornis is van het kind, maar het resultaat van een probleem of een stoornis van de programmerende ouder (O’Leary & Moerk, 1999). Bovendien noemt Gardner geen criterium van het aantal symptomen dat er moet voorkomen om de diagnose PAS te stellen, in tegenstelling tot de DSM-IV, waarin heel specifiek wordt aangegeven hoeveel van de symptomen het individu moet hebben om een bepaalde diagnose te krijgen (O’Leary & Moerk, 1999).

Volgens Kelly en Johnston is het model van Gardner te simplistisch omdat het andere factoren die van belang kunnen zijn worden genegeerd (Spruijt, 2007; Warshak, 2001). Verder is de aandacht te exclusief gericht op de programmerende ouder als de aanstichter van het kwaad (Spruijt, 2007; Warshak, 2001). Bovendien vinden zij dat de formulering van Gardner tot verwarring leidt en misbruikt wordt in de rechtbanken (Warshak, 2001). Om deze redenen hebben ze getracht PAS te herformuleren en spreken ze liever over oudervervreemding dan over ouderverstoting. Zij geven de volgende definitie: “Een vervreemd kind geeft vrijelijk en voortdurend uitdrukking aan onredelijke negatieve gevoelens en opvattingen (zoals boosheid, haat, verwerping en/of angst) over een ouder die disproportioneel zijn ten aanzien van de feitelijke ervaringen van het kind met die ouder ” (Spruijt, 2007).

In de definitie van Johnston en Kelly wordt de invloed van de programmerende ouder niet opgenomen. Het oudervervreemding model stelt dat alleen manipulaties van een ouder onvoldoende zijn om de vervreemding te verklaren, omdat sommige kinderen wel weerstand kunnen bieden tegen pogingen die hun liefde voor een ouder trachten te ondermijnen (Warshak, 2001). Zodoende spelen ook andere factoren een rol bij het ontstaan van oudervervreemding. Het oudervervreemding model maakt onderscheid in achtergrond factoren en interveniërende factoren. Achtergrond factoren kunnen het kind direct of indirect beïnvloeden zoals het meemaken van ouderlijke conflicten, de omstandigheden gedurende de scheiding en de cognitieve capaciteit en temperament van het kind. Interveniërende variabelen beïnvloeden de respons van het kind op de achtergrond factoren. Voorbeelden van interveniërende variabelen zijn de gedragingen van beide ouders, sibling relaties en de kwetsbaarheid van het kind (Warshak, 2001).

In de literatuur wordt dus bevestigd dat het fenomeen bestaat. Door sommige wetenschappers wordt het PAS genoemd en door anderen oudervervreemding of simpelweg het programmeerde kind (Baker en Darnall, 2007). Volgens Warshak (2001) vertonen de twee formuleringen meer overeenkomsten dan verschillen. Bovendien zijn beide modellen gebaseerd op klinische ervaringen. Beiden vinden in de literatuur steun voor enkele aspecten van hun formuleringen, terwijl beiden geen empirisch onderzoeken hebben die de validiteit van hun concept aantonen (Warshak, 2001). Een voordeel van het oudervervreemdings model is dat het zich ook richt op processen, factoren en gedragingen in het hele gezinssysteem. Voordeel van PAS is dat het concept algemeen bekend is geworden en veel heeft bijgedragen aan de literatuur omtrent dit fenomeen (Warshak, 2001). Het veelvuldig voorkomen van het concept PAS in de literatuur en de vele overeenkomsten van andere beschrijvingen met PAS, ondersteunt in feite de validiteit van PAS (Baker en Darnall, 2007; Warshak, 2001).

1.1.6 Onderzoeksresultaten omtrent de strategieën en het niveau van PAS

Ondanks de algemene consensus over het bestaan van het probleem, is er nog geen betrouwbare en valide meetinstrument van PAS (Baker en Darnall, 2007). Baker en Darnall (2007) trachten een gedetailleerde beschrijving te geven van de strategieën die de programmerende ouder gebruikt om het kind te vervreemden van de andere ouder. Uit dit onderzoek blijkt dat tussen de 80 en 98% van de ouders, waarbij sprake is van ouderverstoting, vinden dat de acht symptomen van PAS altijd of vaak aanwezig zijn bij hun kind. Er was echter sprake van diversiteit in de frequentie van deze symptomen wat ook zelfs bij de meest ernstige vorm van PAS gebleken is (Baker en Darnall, 2007).

Uit een eerder onderzoek van Baker en Darnall (2006), waarin 97 participanten deelnamen, komt naar voren dat niet alle kinderen in dezelfde mate beïnvloed worden door de programmerende ouder. Er is een samenhang gevonden tussen het niveau van PAS en de sekse en leeftijd van kinderen. Zo wordt de mate van PAS bij meisjes en oudere kinderen vaker beoordeeld als ernstig vergeleken met jongens en jongere kinderen (Baker en Darnall, 2006).

Uit een ander onderzoek van Braver, Coatsworth en Peralta (2006) komt naar voren dat er een duidelijke overeenstemming bestaat tussen kinderen en ouders over de vraag of er sprake is geweest van oudervervreemding (Spruijt, 2007). Ook blijkt dat de kinderen rapporteerden dat vaders en moeders zich ongeveer evenveel schuldig maakten aan vervreemdend gedrag (Spruijt, 2007).

In Nederland is een bevolkingsonderzoek gedaan naar de mate van voorkomen van PAS volgens echtscheidingsbemiddelaars en volgens gescheiden uitwonende ouders (Spruijt, 2007).

Volgens de resultaten van dit onderzoek komt PAS in Nederland in 33% van de gevallen in milde vorm voor en 9% van de gevallen in matige vorm. De ernstige vorm van PAS komt volgens dit onderzoek niet of nauwelijks voor. Het is namelijk bij een bevolkingsonderzoek zeer lastig om scheidingsgezinnen of kinderen te vinden die in de categorie ernstig vallen omdat er geen sprake is van een gerichte steekproef.

1.1.7 Loyaliteit

Volgens Gardner raken ouders na een scheiding vaak in een machtstrijd verwikkeld hetgeen kan leiden tot loyaliteitsproblemen bij het kind (Rand, 1997; Gardner, 2002a). Het kind zit in eerste instantie klem tussen beide ouders. Zodoende kan Loyaliteitsproblemen beschouwd worden als een indicator van PAS bij kinderen.

De begrippen loyaliteit en loyaliteitsconflict zijn afkomstig van de psychiater Ivan Boszormeny Nagy. Volgens zijn theorie bestaat er een band tussen kind en ouders. Doordat het kind zijn bestaan te danken heeft aan beide ouders kan het kind niet anders dan loyaal zijn aan hen beiden. Loyaliteit is een bindend fenomeen, waarbij dus de primaire loyaliteit bij de geboorte al ontstaat (Eerenbeemt en Oele, 1987). Dit wordt de verticale loyaliteit genoemd en kan niet worden verbroken. Wel kan ze worden ontkend. Daarnaast maakt Nagy onderscheidt in horizontale loyaliteit. Dit ontstaat als ouders het kind verzorgen en opvoeden. De primaire loyaliteit wordt dus in de loop van de jaren uitgebouwd en verdiept, waardoor in feite een verworven loyaliteit ontstaat. Horizontale loyaliteit kan in tegenstelling tot de verticale loyaliteit wel verbroken worden (Eerenbeemt en Oele, 1987).

Indien een kind het gevoel heeft te moeten kiezen tussen ouders, ontstaat er een innerlijk conflict bij het kind. Er ontstaat namelijk een kruising tussen verticale loyaliteit en horizontale loyaliteit. Terwijl het kind zijn loyaliteit uit naar een van de ouder, doet hij/zij tegelijkertijd de andere ouder tekort en andersom. Dit kan leiden tot ernstige problemen bij het kind met als gevolg dat het kind zich onttrekt aan loyaliteitsconflicten, door de kant te kiezen van de verzorgende ouder (Gardner, 2002a).

1.1.8 De gevolgen van PAS voor het functioneren van de jongere

Er is nog verbazend weinig bekend over de kinderen die een van hun ouders verstoten (Baker, 2005). In de studie van Johnston, Walters en Olesen (2005) die een onderzoek hebben gedaan naar de psychologische functioneren van vervreemde kinderen komen interessante bevindingen naar voren. Zo hebben kinderen die hun moeder of vader afwijzen, volgens ouders significant meer gedragsproblemen (Johnston et al. 2005). Ze zijn meer geneigd tot depressieve gevoelens, teruggetrokken gedrag, somatische klachten en zijn meer agressief volgens ouders. Een opvallende bevinding was dat ouders die verstoten zijn minder problemen constateren vergeleken met de niet verstootte ouder (Johnston et al. 2005).

Verder blijkt uit het onderzoek dat kinderen die vervreemd zijn van hun vader vaker onnauwkeurig zijn en onlogisch redeneren. Overigens hebben deze kinderen gebrekkige oplossingsvaardigheden vergeleken met niet vervreemde kinderen, waardoor ze bij het oplossen van problemen hulp gaan zoeken bij anderen (Johnston et al. 2005). Omdat een van de ouders emotioneel niet beschikbaar is, leidt dit bij deze kinderen wellicht tot meer stress. Er zijn ook aanwijzingen dat kinderen die vervreemd zijn van hun vader hun emoties vaak onderdrukken of ondervinden vaak intense gevoelens (Johnston et al. 2005). Op het gebied van zelfbeeld hebben kinderen die vervreemd zijn van hun moeder een zeer sterk gevoel van eigenwaarde en zijn meer geneigd tot narcisme in tegenstelling tot kinderen die vervreemd zijn van hun vader (Johsnton et al. 2005).

Uit een onderzoek van Baker (2005) waarin 38 volwassenen werden geïnterviewd die als kind een ouder hebben verstoten, komen zeven hoofddomeinen van functioneren naar voren welke beïnvloed zijn door het beleven van ouderverstoting. De meeste participanten lijden aan lage zelfwaardering, gebrek aan (zelf)vertrouwen, depressie, drugs en/of alcohol misbruik, verstoting door eigen kinderen en echtscheiding. Volgens dit onderzoek is een lage zelfwaardering mogelijk het gevolg van de internalisatie van de haat jegens de slachtoffer ouder. Het kind voelt dat de ‘slechte’ ouder een deel van hem/haar is waardoor het denkt dat zij/hij ook ‘slecht’ moet zijn. De afwijzing van de slachtoffer ouder door de programmerende ouder wordt door het kind ervaren als afwijzing van het deel van het kind dat op het slachtoffer ouder lijkt, zoals fysiek en karakter. Dit fenomeen is vooral terug te zien bij kinderen die de ouder verstoten van dezelfde sexe. Bovendien vertelt de programmerende ouder het kind vaak dat de andere ouder het kind niet wil en niet van ze houdt, waardoor het kind zelf-haat ontwikkelt (Baker, 2005). Ondanks de verstoting kan het kind verlies ervaren, waardoor gevoelens van depressie kunnen optreden. Om van hun gevoelens van pijn en verlies te ontsnappen, is de kans groot dat deze kinderen later in hun leven ernstige problemen met drugs en/of alcohol krijgen (Baker, 2005).

Zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen is tevens een belangrijk thema dat naar voren komt in het onderzoek van Baker (2005). Zo hebben vrouwen problemen met het vertrouwen van een man, omdat zij al een slechte ervaring hebben gehad met de eerste man (vader) in hun leven.

Verder is de kans groot dat kinderen die hun ouders hebben verstoten later door hun eigen kinderen verstoot worden. Er wordt beweerd dat de programmerende ouders zelf een conflictueuze en/of een slechte relatie hadden met hun eigen ouders (Baker, 2005). Uit dit onderzoek blijkt verder dat bij degenen die in hun jeugd een ouder hebben verstoot, de echtscheidingscijfers boven het gemiddelde liggen. Andere effecten van ouderverstoting die door een aantal participanten werden genoemd zijn; problemen met identiteit, geen kinderen willen uit angst voor afwijzing, weinig succeservaringen, boosheid over de verloren tijd met de verstoten ouder (Baker, 2005).

1.1.9 De gevolgen van loyaliteitsproblemen voor het functioneren van de jongere

Onderzoek naar loyaliteitsproblemen bij kinderen heeft aangetoond dat de gevolgen van echtscheiding vooral ernstig zijn wanneer er sprake is van loyaliteitsproblemen (Buchanan, Maccoby en Dornbusch, 1991). Aan het onderzoek van Bucanan et al. (1991) hebben 552 kinderen tussen de leeftijd 10 en 18 jaar deelgenomen. Zij zijn 4 ½ jaar na de echtscheiding van hun ouders telefonisch geïnterviewd. Uit de resultaten blijkt dat wanneer er sprake is van een goede band tussen ouders en kind er minder sprake is van loyaliteitsproblemen. Als verklaring hiervoor wordt genoemd dat bij een goede band tussen ouder en kind dikwijls sprake is van betrokken ouders. Wanneer ouders betrokken zijn is er vaak minder sprake van loyaliteitsproblemen (Burchanan et al, 1991).

Er is een sterke samenhang gevonden tussen de mate van loyaliteitsproblemen bij het kind en de mate van ruzie tussen ouders (Buchanan et al, 1991; Spruijt, 2007). Tevens rapporteerden oudere kinderen vaker loyaliteitsproblemen dan jongere kinderen. Mogelijk omdat oudere kinderen beter beseffen wat er gaande is en vaak worden gebruikt door ouders. Het kind moet bijvoorbeeld boodschappen van de ene ouder naar de andere ouder overbrengen en andersom.

Dit leidt ertoe dat het kind het gevoel krijgt klem te zitten tussen beide ouders (Buchanan et al., 1991). Verder blijkt uit het onderzoek dat meisjes meer loyaliteitsproblemen ervaren dan jongens. Ook is gebleken dat hoe meer er sprake is van loyaliteitsconflicten, des te meer kinderen last hebben van geïnternaliseerde problemen. Zo zijn jongeren die loyaliteitsproblemen ervaren vaker depressief en angstig (Buchanan et al, 1991).

Zoals uit voorgaande blijkt, zijn er in Nederland nog erg weinig onderzoeken verricht over ouderverstoting. Het is interessant om te kijken of de resultaten die uit onderzoeken in de VS naar voren komen ook voor de Nederlandse situatie gelden. In de volgende paragraaf zal aan de orde komen waar het in dit onderzoek om gaat.


1.2 Deze studie

1.2.1 Probleemstelling

Met dit onderzoek wordt nagegaan in hoeverre ouderverstoting voorkomt in Nederland en wat de kenmerken en de eventuele gevolgen van ouderverstoting is. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan loyaliteitsproblemen bij jongeren. De aanwezigheid van loyaliteitsproblemen is namelijk een indicator van PAS bij jongeren. In tegenstelling tot voorgaande onderzoeken wordt dus in dit onderzoek het probleem ouderverstoting vanuit zowel ouders als jongeren bekeken.

Het onderzoek zal een kennisbijdrage leveren aan het oplossen van praktische problemen en een aanleiding zijn voor nader onderzoek omtrent dit fenomeen. Er is in Nederland namelijk nog erg weinig bekend over dit fenomeen, terwijl het aantal kinderen dat na de ouderlijke scheiding geen contact meer heeft met een van de ouders vrij hoog is. Ouderverstoting heeft negatieve gevolgen voor zowel het kind als de ouders. De gevolgen mogen niet onderschat worden en er dient meer onderzoek naar gedaan te worden. Wanneer meer bekend is over dit verschijnsel, kan de problematiek op een goede manier aangepakt worden. De verkregen kennis kan oplossingen bieden, die van belang zijn bij het voorkomen van eventuele probleemsituaties met betrekking tot kinderen en jongeren.

1.2.2 Vraagstelling

Op basis van de probleemstelling wordt de volgende vraagstelling opgesteld: “In hoeverre komt ouderverstoting voor in Nederland en wat zijn daarvan de kenmerken en gevolgen voor het functioneren van de jongere?

Er zijn drie onderzoeksvragen opgesteld, welke weer onderverdeeld zijn in deelvragen:

1. Hoe vaak komt ouderverstoting voor in Nederlandse scheidingsgezinnen?

2. Wat zijn de kenmerken van ouderverstoting?

2.1. Wat is de samenhang tussen de mate van ouderlijke conflicten voor en na de scheiding en ouderverstoting?

2.2. Wat is de samenhang tussen de mate van betrokkenheid van ouders en ouderverstoting?

2.3. Wat is de samenhang tussen de mate van ouderlijke conflicten voor en na de scheiding en loyaliteitsproblemen bij het kind?

2.4. Wat is de samenhang tussen de mate van betrokkenheid van ouders en loyaliteitsproblemen bij het kind?

3. Wat zijn de gevolgen van ouderverstoting voor het functioneren van de jongere?

3.1. Wat is de samenhang tussen ouderverstoting/loyaliteitsproblemen en algemeen welbevinden?

3.2. Wat is de samenhang tussen ouderverstoting/loyaliteitsproblemen en zelfwaardering?

3.3. Wat is de samenhang tussen ouderverstoting/loyaliteitsproblemen en depressie?

3.4. Wat is de samenhang tussen ouderverstoting/loyaliteitsproblemen en angst?

3.5. Wat is de samenhang tussen ouderverstoting/loyaliteitsproblemen en agressie?

In de onderzoeksvragen wordt uitgegaan van een causaal verband, welke in figuur 1 wordt weergegeven.

1.2.3 Hypothesen

Ed Spruijt (2005) bevestigt met zijn onderzoek dat ouderverstoting wel voorkomt in Nederland. De milde vorm blijkt het meest te voorkomen gevolgd door matige vorm van ouderverstoting. De ernstige vorm van ouderverstoting komt niet of nauwelijks voor volgens de bevindingen van zijn onderzoek. Uit de literatuur is verder bekend dat ouderverstoting een gevolg is van de machtstrijd tussen ouders na een echtscheiding (Gardner, 1998). De conflicten tussen ouders leiden tot loyaliteitsproblemen bij het kind die partij moet kiezen voor een van de ouders.

Hierbij is de rol van de uitwonende ouder ook van belang. Een passieve uitwonende ouder heeft een grotere kans op verstoting (Gardner, 2002). De vraag bestaat nog wel steeds hoe het komt dat niet alle kinderen hun ouders verstoten ondanks hun programmerende ouder.

Mogelijk spelen ook andere factoren een rol, zoals de mate van ouderlijke conflicten voor en na de scheiding en de betrokkenheid van ouders. De verwachting is dat hoe minder conflicten tussen ouders hoe kleiner of minder ernstiger de ouderverstoting en loyaliteitsproblemen bij het kind zullen zijn. Tevens zal de kans op ouderverstoting en loyaliteitsproblemen kleiner zijn wanneer er sprake is van betrokken ouders.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat ouderverstoting ernstige gevolgen heeft. In dit onderzoek zal enkel gekeken worden naar de aspecten, algemeen welbevinden, zelfwaardering, depressie, angst en agressie. De verwachting is dat jongeren op deze aspecten meer problemen zullen ervaren in tegenstelling tot jongeren waarbij geen sprake is van ouderverstoting.

Naar aanleiding van de onderzoeksvragen en de literatuurstudie zijn de volgende hypothesen opgesteld:

1. Ouderverstoting komt voor in Nederlandse echtscheidingsgezinnen.

2. Er is een positieve samenhang tussen de mate van ouderlijke conflicten met zowel ouderverstoting als loyaliteitsproblemen bij het kind.

3. Er is een negatieve samenhang tussen de mate van betrokkenheid ouders met zowel ouderverstoting als loyaliteitsproblemen bij het kind.

4. Er is een positieve samenhang tussen de aspecten depressie, angst, agressie, delinquentie met zowel ouderverstoting als loyaliteitsproblemen .

5. Er is een negatieve samenhang tussen de aspecten algemeen welbevinden, zelfwaardering met zowel ouderverstoting als loyaliteitsproblemen.


2. Methoden

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zal ingegaan worden op de methodische karakterisering van het onderzoek. Voor deze studie is een survey-onderzoek uitgevoerd, waarbij de data van eerdere onderzoeken gebruikt zijn. Deze scheidingsgezinnen zijn geworven in het kader van het onderzoek “Gezinnen en scheiding” uitgevoerd door Dr. I. van der Valk en in het kader van het onderzoek “Jongeren en gezinnen” onder leiding van Dr. A.P. Spruijt. De eenheden van dit onderzoek zijn adolescenten, vaders en moeders uit recente scheidingsgezinnen. Het onderzoek dat uitgevoerd wordt is exploratief, omdat er in Nederland nog erg weinig bekend is over PAS.

2.2 Procedure

Bij het onderzoek “Gescheiden Gezinnen” betreft het een selecte steekproef: de eenheden worden niet op toevalsbasis uit de populatie getrokken, maar gericht gezocht/benaderd via bepaalde trajecten. Het steekproefkader wordt gevormd door de volgende trajecten:

– Drie regio’s van de Raad voor de Kinderbescherming: Utrecht, Den Bosch en Arnhem.

Hiervan zijn alle scheidingsgezinnen benaderd waarbij de afgelopen twee jaar een omgangsonderzoek door de Raad plaatsvond en sprake is van een kind tussen 12 en 18 jaar.

Advocaten en mediators die zijn aangesloten bij de VFAS (Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsbemiddelaars). Zij hebben folders over het onderzoek uitgedeeld aan scheidingsgezinnen.

– KIES (Kinderen In Echtscheidings Situaties). Een interventieprogramma voor kinderen na scheiding. De leiders van dit programma hebben adressen verstrekt van scheidingsgezinnen en deze hebben folders thuisgestuurd gekregen.

– De volgende sites op internet zijn benaderd: www.ouderalleen.nl / www.1ouder.nl / www.kinderenvangescheidenouders.nl.

Het onderzoek “jongeren en gezinnen” betreft een aselecte steekproef. Op een twintigtal scholen zijn klassikaal door jongeren vragenlijsten ingevuld. Van dit onderzoek worden enkel de gescheiden gezinnen gebruikt.

2.3 Steekproef

De steekproef van het onderzoek “Gezinnen en scheiding“ bestaat uit ongeveer 110 gezinnen die bestaan uit jongeren tussen 12-18 jaar, vader en moeder, waar de afgelopen jaren een echtscheiding heeft plaatsgevonden of nog gaande is. Hierbij zijn er ongeveer evenveel conflictueuze als niet-conflictueuze scheidingsgezinnen aanwezig. Het totaal aantal jongeren in dit onderzoek is N=110 en het totaal aantal ouders is N = 165.

De steekproef van het onderzoek “Jongeren en gezinnen” dat plaats vond in het kader van de bachelorthesis bestaat uit 1632 jongeren in de leeftijd van 12 tot 16 jaar vanuit verschillende schooltypes, waarvan 1342 jongeren uit intacte gezinnen en 290 jongeren uit gescheiden gezinnen komen. Van dit dataset zijn alleen de jongeren uit gescheiden gezinnen gebruikt. De totaal aantal jongeren in dit onderzoek is N = 290.

De totale steekproef van het huidig onderzoek bestaat in totaal uit N= 165 ouders en N= 400 jongeren.

2.4 Meetinstrumenten

PAS

Ouderverstoting wordt gemeten aan de hand van de PAS vragenlijst dat door Ed Spruijt verkort, vertaald en bewerkt is (Spruijt, 2004). De vragenlijst is afgeleid van de theorie van Gardner over het PAS en bestaat uit 11 items, waarop ouders met ‘niet’, ‘een enkele keer’, ‘meerdere keren’ en ‘vaak’ beantwoorden. Voorbeeld items uit deze vragenlijst zijn: ‘Bent u het wel eens tegengekomen dat uw ex-partner zegt dat uw kind voortdurend hatelijke opmerkingen maakt over u?’ of ‘ Bent u het wel eens tegengekomen dat uw kind, wat u ook doet, het altijd als fout bestempelt?’. Betrouwbaarheidsanalyse geeft voor de totale schaal PASmoeder (α = .84) een hoge betrouwbaarheid weer. Aangezien de vragenlijst uit twee onderdelen bestaat, namelijk wat vader/moeder vindt over het kind en wat vader/moeder vindt over ex-partner, is een factoranalyse uitgevoerd. Hieruit komt inderdaad naar voren dat de vragenlijst verdeeld kan worden in twee schalen, namelijk PASmoeder over kind (α = .82), PASmoeder over ex (α = .85) waarvan de betrouwbaarheden redelijk hoog zijn. Ook voor de totale schaal PASvader (α = .91) geeft de betrouwbaarheidsanalyse een zeer hoge betrouwbaarheid weer. Voor de schalen PASvader over kind (α = .90) en PASvader over ex (α = .86) geldt eveneens een hoge betrouwbaarheid.

Loyaliteitsproblemen

Ouderverstoting bij het kind wordt gemeten aan de hand van drie items die een indicatie zijn van loyaliteitsproblemen bij het kind. De drie items zijn; ‘ik voel mij vaak tussen mijn ouders in staan’, ‘ik heb het gevoel dat ik partij moet kiezen’ en ‘ik heb het gevoel dat mijn ouders aan mij trekken’. De antwoordmogelijkheden bij de betreffende items zijn, ‘onwaar’, ‘min of meer onwaar’, ‘niet waar/niet onwaar’, ‘min of meer waar’ en ’waar’. Uit de betrouwbaarheidsanalyse blijkt dat de betrouwbaarheid van deze schaal matig is (α = .62). Echter de items correleren wel hoog met elkaar. De correlaties variëren namelijk van .25 tot .50.

Ouderlijke conflicten

De mate van ouderlijke conflicten wordt gemeten aan de hand van een aangepaste versie van Conflict Awareness (Grych en Fincham, 1993). De vragenlijst bestaat uit 10 items, waarvan 5 items over de situatie voor de scheiding gaan en 5 items over de situatie na de scheiding. Een voorbeeld van een vraag die erin voorkomt is: ‘Hoe vaak maakten je ouders – voorzover je weet – ruzie over de opvoeding?’. De antwoordmogelijkheden op de items zijn: ‘nooit’, ‘zelden’, ‘soms’, ‘vaak’ en ‘voortdurend’. De betrouwbaarheidcoëfficiënt voor de schaal conflicten voor de scheiding is α = .86 en voor de schaal conflicten na de scheiding is α = .85, wat inhoudt dat de betrouwbaarheden hoog zijn.

Betrokkenheid ouders

De betrokkenheid van de ouder bij de opvoeding wordt gemeten aan de hand van de Nonresidential Parent-Child Involvement scale (NPCI) die vertaald is door Inge van de Valk (Ahronds, 1982,1983). De ouder geeft aan in hoeverre hij betrokken is in bijvoorbeeld de opvoeding, het vieren van feestdagen en school. De antwoordmogelijkheden op items zijn: ‘helemaal niet’, ‘niet’, ‘een beetje’, ‘veel’ en ‘heel veel’. Zowel de schaal betrokkenheid moeder als vader geven een betrouwbaarheidscoëfficiënt van α = .99.

Algemeen welbevinden

Het algemeen welbevinden wordt gemeten aan de hand van de Cantrill ladder (Cantrill, 1965). Het kind geeft door middel van een cijfer te omcirkelen aan hoe hij zich voelt. Een “10” betekent dat het erg goed gaat met het kind, een “1” betekent dat het erg slecht gaat met het kind.

Zelfwaardering

Zelfwaardering van de jongere wordt gemeten aan de hand van de Rosenberg self-esteem scale (RSE; Rosenberg, 1965). De schaal bestaat uit 10 items, waarop met ‘helemaal mee eens’, ‘mee eens’, ‘oneens’ en ‘helemaal mee oneens’, beantwoord kan worden. Een voorbeeld item van de RSE is: “ Over het algemeen ben ik tevreden over mezelf”. Betrouwbaarheidsanalyse geeft een betrouwbaarheid van α = .85.

Depressie

Depressie wordt gemeten met de Childrens Depression Inventory (CDI) die uit 27 items bestaat, m aar voor dit onderzoek slechts 10 items zijn geselecteerd. Voorbeeld items uit deze vragenlijst zijn: ‘ik ben de hele tijd verdrietig’, ‘het zal nooit goed met mij aflopen’. Er zijn drie antwoordcategorieën, namelijk ‘niet waar’, ‘een beetje waar’ en ‘erg waar’. Betrouwbaarheidsanalyse geeft een α = .90 voor de CDI.

Angst

De variabele angst wordt gemeten aan de hand van The Screen for Child Anxiety Related Disorders-Revised (SCARED-R; Muris en Steerneman, 2001). De vragenlijst bestaat uit vier subschalen; paniekaanval, sociale fobie en separatie-angststoornis en een totale schaal. Er zijn in totaal 9 items geselecteerd uit het totale instrument, waarbij vragen als, ‘ik ben zenuwachtig’, ‘ik vind het moeilijk om met mensen te praten die ik niet ken’, ‘ik maak me zorgen over de toekomst’, in voor komen en waarbij de antwoorden ‘bijna nooit’, ‘soms’ of ‘vaak’ gegeven kunnen worden. Ook voor dit instrument geldt een hoge betrouwbaarheid (α =.82).

Agressie

De mate van agressief gedrag wordt gemeten aan de hand van The Direct and Indirect Agression Scales. De vragenlijst bestaat uit 12 items. Voorbeeld items uit deze vragenlijst zijn: ‘Als jij boos of kwaad bent op iemand in je klas, wat doe je dan?. ik probeer de ander belachelijk te maken / ik vertel roddels over de ander / ik scheld de ander uit’. De antwoordmogelijkheden zijn: ‘nooit’, ‘soms’, ‘vaak’ en ‘heel vaak’. Er is een betrouwbaarheid van α = .91 gevonden voor deze vragenlijst.


3. Resultaten

3.1 Deelnemers

Aan het onderzoek hebben in totaal N = 400 jongeren deelgenomen, bestaande uit 191 jongens (48%) en 209 meisjes (52%). De leeftijd van de jongeren varieert tussen 11 en 18 jaar (M = 13.7; SD = 1.16). In 13 % (N = 52) van de gevallen had het kind een niet Nederlandse achtergrond.

Naast de jongere hebben in totaal N = 156 ouders deelgenomen aan het onderzoek bestaan uit N = 95 moeders (61%) en N= 61 vaders (39%).

24 % ( N = 101) van de jongeren heeft helemaal geen contact met hun vader terwijl slechts 3 % ( N = 13) van de jongeren geen contact met moeder heeft. Gemiddeld verblijft 7 % ( N = 29) van de jongeren alleen bij vader en 33% (N=141) bij moeder.

In Tabel 1 worden de algemene gegevens van de respondenten nader weergegeven.

3.2 Ouderverstoting in Nederland

In deze paragraaf zal getracht worden antwoord te geven op de vraag hoe vaak ouderverstoting in Nederlandse echtscheidingsgezinnen voorkomt. Zoals eerder vermeld, wordt ouderverstoting gemeten aan de hand van de verkorte PAS vragenlijst dat door Ed Spruijt (2004) is vertaald en bewerkt. Deze vragenlijst is echter alleen door ouders ingevuld. Om ook een beeld te krijgen over hoe jongeren denken wat betreft ouderverstoting zijn de loyaliteitsproblemen bij jongeren gemeten.

PAS

De PAS vragenlijst bestaat uit een aantal vragen die over het kind gaan en een aantal vragen die over ex-partner gaan. Door middel van de factoranalyse blijkt dat de PAS schaal opgesplitst kan worden in twee schalen, namelijk wat vader/moeder vindt over het kind en wat vader/moeder vindt over ex-partner.

Uit de resultaten blijkt dat gemiddeld genomen vaders vaker denken dat er sprake is van ouderverstoting ( M = 1.83; sd = .82) dan moeders (M = 1.54; sd = .55). Dit verschil is echter niet significant ( t = -.53; df = 18; p = .59). Bovendien denken vaders vaker dat ex-partner aan partnerverstoting doet ( M = 1.91; sd = .90) dan moeders ( M= 1.47; sd = .70). Ook dit verschil is echter niet significant ( t =.25 ; df = 18; p = .81).

De gemiddelden en de standaarddeviaties voor de schalen berekend zijn weergegeven in Tabel 2.

Om de vraag te kunnen beantwoorden hoe vaak ouderverstoting voorkomt in Nederlandse echtscheidingsgezinnen wordt als eerst gekeken naar de gemiddelden per item. Aan de hand van dit gegeven wordt een beeld gevormd over welke items vaak of minder vaak voorkomen.

Dit gegeven wordt gepresenteerd in Tabel 3 en Tabel 4.

Het blijkt dat vaders bij de schaal PAS kind gemiddeld hoog scoren op de items ‘alleen positief praat over de andere ouder’ en ‘totaal geen schuldgevoelens lijkt te hebben’. Moeders scoren het hoogst op de item ‘zich na de scheiding begon terug te trekken van u’. Het valt op dat het gemiddelde score op alle items bij vaders hoger ligt dan bij moeders.

Wat betreft de schaal PAS ex-partner blijkt uit Tabel 4 dat vaders gemiddeld hoog scoren op de items ‘uw tekortkomingen overdrijft’ en ‘alle herinneringen aan u uit huis haalt’. Tevens is uit Tabel 4 af te leiden dat moeders evenals vaders het hoogste gemiddelde score heeft op de item ‘uw tekortkomingen overdrijft’.

Om een uitspraak te kunnen doen over de mate van PAS in Nederland zij er op itembasis vier categorieën gemaakt, namelijk niet, mild, matig en ernstig. De gegevens worden weergegeven in de onderstaande Tabel.

De resultaten laten zien dat PAS voorkomt in Nederland. Slechts 36% van de moeders en 28% van de vaders vinden dat er geen sprake is van PAS. De milde vorm van PAS komt het vaakst voor bij zowel vaders (45%) als bij moeders (49%). De matige vorm komt volgens vaders in 6 % van de gevallen voor en volgens moeders in 5 % van de gevallen. In 21 % van de gevallen komt volgens vaders de ernstige vorm van PAS voor en volgens moeders in 10% van de gevallen.

Loyaliteit

In Tabel 2 is tevens af te lezen dat de schaal loyaliteit – zoals gemeten bij de jongere – een gemiddelde score heeft van 2.11 en een standaardafwijking van 1.18. Gemiddeld genomen scoren de meisjes hoger ( M = 2.57; sd = .086) dan jongens (M = 2.29; sd = .084). Dit verschil is tevens statistisch significant ( t = -2.28; df = 38; p < .05). Er kan geconcludeerd worden dat meisjes meer loyaliteitsproblemen ervaren dan jongens.

Correlatie PAS en Loyaliteit

Wanneer naar de correlatie tussen de schalen PAS en loyaliteit wordt gekeken, die in Tabel 6 wordt weergegeven, blijkt dat er sprake is van een significante positieve correlatie tussen loyaliteit en PAS moeder ( r = .25; p < .05). Hierbij valt op dat loyaliteit enkel significant correleert met de schaal PAS moeder over kind. Hoe hoger moeder scoort op PAS kind, hoe meer loyaliteitsproblemen het kind zal ervaren. Wanneer uitgesplitst wordt naar geslacht kan er voor zowel jongens als meisjes geen significante verband aangetoond worden.

3.3 Kenmerken van ouderverstoting en loyaliteitsproblemen

In deze paragraaf zal er geanalyseerd worden of ouderlijke conflicten en de mate van betrokkenheid van ouders samenhangen met PAS en loyaliteitsproblemen. Er wordt in feite gekeken of deze variabelen beschouwd kunnen worden als kenmerken van ouderverstoting.

Als eerst zijn de gemiddelden en de standaarddeviaties voor de schalen berekend, hetgeen in Tabel 7 wordt weergegeven. Voor de schaal ouderlijke conflicten voor de scheiding is een gemiddelde score gevonden van 2.13 met een standaarddeviatie van .94. De schaal ouderlijke conflicten na de scheiding heeft een gemiddelde score van 2.79 en een standaarddeviatie .99. De gemiddelde score voor betrokkenheid moeder (M= .4.43; sd = .97) is hoger dan de gemiddelde score voor betrokkenheid vader ( M = .3.23; sd = 1.57). Dit verschil is niet significant ( t = 1.77; df = 20; p = .092).

Ouderlijke conflicten en PAS

Uit Tabel 8 is af te leiden dat ouderlijke conflicten voor de scheiding samenhangt met hoe moeder over ex-partner oordeelt ( r = .24; p < .01). Hoe meer ouderlijke conflicten voor de scheiding hoe hoger de score van moeder over PAS ex-partner. Ook bij vader is er sprake van een positieve samenhang tussen ouderlijke conflicten voor de scheiding en PAS ex-partner, maar is er geen significante resultaat gevonden. Wat betreft ouderlijke conflicten na de scheiding zijn er geen verbanden gevonden met de PAS schalen.

Ouderlijke conflicten en loyaliteit

Ouderlijke conflicten voor (r = .33; p < .01) en na de scheiding (r = .42; p < .01) correleren relatief sterk met loyaliteitsproblemen bij het kind. Dit betekent dat hoe meer conflicten tussen ouders, hoe meer loyaliteitsproblemen het kind voor en na de scheiding ervaart.

Wanneer gekeken wordt naar de correlatie tussen de schalen voor het functioneren van meisjes en jongens apart valt op dat er bij jongens een minder sterke samenhang bestaat ( r = .19; p < .05) tussen loyaliteitsproblemen en ouderlijke conflicten voor de scheiding in tegenstelling tot de meisjes waarbij een relatief sterke samenhang is gevonden ( r = .44; p < .01). Hieruit kan afgeleid worden dat meisjes meer last hebben van conflicten voor de scheiding dan jongens. Na de scheiding is er voor zowel jongens ( r = .38; p < .01) als meisjes ( r = .44; p < .01) een relatief sterke samenhang gevonden met loyaliteitsproblemen.

Betrokkenheid ouders en PAS

Ook is er gekeken naar de samenhang tussen de mate van betrokkenheid en ouderverstoting. Uit Tabel 8 kan afgeleid worden dat er veel correlaties boven .20 zijn, maar door de kleine steekproef er slecht een aantal resultaten significant zijn. Uit de resultaten blijkt dat er een negatieve samenhang bestaat tussen betrokkenheid moeder en PAS moeder over kind (r = -.42; p < .01). Moeders die minder betrokken zijn, zullen wellicht een hogere score hebben bij ouderverstoting door het kind. Dit laatste geldt ook voor vaders aangezien er een negatieve samenhang bestaat tussen betrokkenheid vader en PAS vader over kind ( r = -.46; p < .05). Ook de samenhang tussen betrokkenheid moeder en PAS moeder over ex-partner is negatief (r = -.23; p < .05) hetgeen ook voor betrokkenheid vader en PAS vader over ex-partner geldt (r = .-47; p < .01). Dus hoe hoger de mate van betrokkenheid ouders hoe minder negatief ouders over ex-partner oordelen.

Betrokkenheid ouders en loyaliteit

Verder blijkt uit de resultaten dat er een negatieve samenhang bestaat tussen betrokkenheid moeder en loyaliteitsproblemen bij het kind ( r = -.24; p < .05). Met andere woorden, hoe minder betrokken de moeder is hoe meer loyaliteitsproblemen het kind rapporteert. In tegenstelling tot de betrokkenheid moeder hangt de mate van betrokkenheid vader niet samen met loyaliteitsproblemen bij het kind.

3.4 Gevolgen van ouderverstoting en loyaliteitsproblemen

Uit literatuur is naar voren gekomen dat ouderverstoting en loyaliteitsproblemen ernstige gevolgen kan hebben voor het kind. In deze paragraaf zal een aantal aspecten van het functioneren van de jongere worden onderzocht, zoals algemeen welbevinden, zelfwaardering, depressie, angst en agressie. De resultaten worden weergegeven in Tabel 9.

PAS

Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat alleen PAS moeder significant samenhangt met depressie bij jongens ( r = .36; p < .05). Hoe meer moeder van mening is dat zij verstoten wordt door haar zoon hoe meer kans hij heeft op een depressie. Bij meisjes is dit verband tevens sterk, maar niet significant ( r = .27).

Verder correleert agressie bij meisjes redelijk hoog ( r = .26; p > .05) met PAS volgens vader, maar ook dit verband is niet significant.

Loyaliteit

Het blijkt dat er een negatieve samenhang bestaat tussen algemeen welbevinden en loyaliteit bij het kind, welke significant is ( r = -.24; p < .01). Dit betekent dat hoe meer loyaliteitsproblemen de jongere ervaart hoe lager het algemeen welbevinden is. Dit geldt voor zowel jongens ( r = -.22; p < .01) als meisjes ( r = .-24; p < .01).

Uit Tabel 9 is verder af te leiden dat loyaliteitsproblemen bij het kind negatief samenhangt met zelfwaardering (r = -.19; p < .01). Wanneer echter gesplitst wordt naar geslacht, zien we bij meisjes een relatief sterke negatieve samenhang ( r = -.23; p < .05) tussen loyaliteitsproblemen en zelfwaardering. Bij jongens zien we in tegenstelling tot meisjes een zeer zwakke samenhang, hetgeen niet significant is. Zodoende heeft loyaliteitsproblemen enkel bij meisjes gevolgen voor de zelfwaardering. Hoe meer loyaliteitsproblemen meisjes ervaren hoe lager de zelfwaardering van meisjes mogelijk zal zijn. Verder blijkt dat meisjes meer kans oplopen tot depressie wanneer er sprake is van loyaliteitsproblemen. Er is een significante samenhang gevonden tussen depressie en loyaliteitsproblemen bij meisjes ( r = .25; p < .01).

Wat betreft angst kan uit Tabel 9 afgeleid worden dat het relatief sterk samenhangt met loyaliteitsproblemen bij zowel jongens ( r = .22; p < .01) als meisjes ( r = .27; p < .01). Er kan geconcludeerd worden dat loyaliteitsproblemen bij het kind wellicht leidt tot angstige kinderen.

Als laatst blijkt uit deze studie dat agressie niet significant samenhangt met loyaliteitsproblemen of tot verstoten van ouders. Wel correleert agressie bij meisjes redelijk hoog ( r = .26) met ouderverstoting volgens vader, maar is echter niet significant.


4. Conclusie en discussie

In dit onderzoek is gekeken in hoeverre ouderverstoting voorkomt in Nederland en wat daarvan de kenmerken zijn en de gevolgen voor het functioneren van de jongere. Hierbij is in tegenstelling tot eerdere onderzoeken in Nederland tevens aandacht besteed aan loyaliteitsproblemen bij jongeren. Aanwezigheid van loyaliteitsproblemen is namelijk een indicator van PAS bij jongeren. In dit onderzoek zijn dus zowel ouders als jongeren betrokken.

Om antwoord te kunnen geven op de centrale vraagstelling van dit rapport, zullen allereerst de resultaten van onderzoeksvragen worden besproken.

Op de eerste onderzoeksvraag namelijk, hoe vaak ouderverstoting voorkomt in Nederlandse echtscheidingsgezinnen, is uit het onderzoek naar voren gekomen, dat gemiddeld genomen vaders vaker denken dat er sprake is van ouderverstoting ten opzichte van moeders. Helaas is dit verschil, mogelijk door de kleine steekproef ( N = 19) en de lage power, niet significant bevonden. Ook in de literatuur komt naar voren dat vaders vaak de slachtofferouders zijn (Gardner, 2002ab). Een verklaring voor waarom vaders vaker vinden dat er sprake is van ouderverstoting heeft wellicht te maken met hoeveel contact ze hebben met hun kind. Uit Tabel 1 komt namelijk naar voren dat vaders veel minder contact hebben met hun kinderen in tegenstelling tot moeders. Ook wanneer per item wordt gekeken naar de gemiddelde scores van vaders en moeders op de schaal PAS, scoren vaders op alle items gemiddeld hoger dan moeders. Over de mate waarin PAS voorkomt in Nederland verschillen de ouders ook van elkaar. Uit de resultaten blijkt namelijk dat de mate van ouderverstoting volgens vaders in 45 % van de gevallen mild, 6 % matig en in 21% van de gevallen ernstig te noemen is. Daarentegen geven 28 % van de vaders aan dat er geen sprake is van ouderverstoting. Volgens moeders betreft het in 49% van de gevallen een milde vorm, 5 % matig en 10% een ernstige vorm. 36 % van de moeders vindt dat er geen sprake is van PAS.

Deze resultaten lijken tegenstrijdig met de bevindingen van het onderzoek van Ed Spruijt en zijn collega’s (2005). Uit het onderzoek van Ed Spruijt en collega’s (2005) kwam immers naar voren dat PAS wel voorkomt in Nederland, maar dat de ernstige vorm niet of nauwelijks voorkomt. Het hoge percentage van de ernstige vorm van ouderverstoting in dit onderzoek kan mogelijk verklaard worden doordat het in dit onderzoek alleen recente scheidingsgezinnen betreft.

Als indicator voor ouderverstoting volgens jongeren, zijn de loyaliteitsproblemen gemeten. Hieruit komt naar voren dat hoe meer moeder denkt dat het kind de moeder verstoot des te meer loyaliteitsproblemen het kind zal ervaren. Vermoedelijk is het kind kwetsbaarder voor loyaliteitsproblemen wanneer het gaat om moeder die zich verstoten voelt, daar het kind vaker bij moeder verblijft. Verder komt naar voren dat meisjes meer loyaliteitsproblemen ervaren dan jongens. Dit gegeven komt ook terug in de literatuur (Buchanan et al., 1991).

Op de tweede onderzoeksvraag wat zijn de kenmerken van ouderverstoting is uit het onderzoek naar voren gekomen dat zowel ouderlijke conflicten voor en na de scheiding als de mate van betrokkenheid van ouders belangrijke kenmerken zijn van ouderverstoting.

Ouderlijke conflicten voor de scheiding hangen samen met hoe moeder over ex-partner oordeelt. Dit betekent dat hoe meer sprake is van ouderlijke conflicten voor de scheiding, hoe meer de moeder van mening is dat er partnerverstoting plaatsvindt door ex-partner. Ouderlijke conflicten voor de scheiding correleert tevens hoog met hoe vader oordeelt over ex-partner, echter is deze samenhang niet significant gevonden. Verder is er geen samenhang gevonden tussen ouderlijke conflicten na de scheiding en PAS.

Wat de samenhang tussen ouderlijke conflicten en loyaliteitsproblemen betreft, ervaren jongeren meer loyaliteitsproblemen, wanneer ouders zowel voor als na de scheiding veel conflicten hebben. Dit is tevens in overeenstemming met eerdere onderzoeken (Buchanan et al., 1991; Spruijt, 2007), waarin een sterke samenhang is aangetoond tussen de mate van loyaliteitsproblemen bij het kind en de mate van ruzie tussen ouders. Verder blijkt uit de resultaten van dit onderzoek dat met name meisjes meer last hebben van conflicten voor de scheiding ten opzichte van jongens.

Over de mate van betrokkenheid kan gezegd worden dat hoe minder betrokken de ouders zijn hoe meer ouders van mening zijn dat er sprake is van ouderverstoting door het kind. Uit resultaten blijkt overigens dat betrokken ouders minder negatief zijn over hun ex-partner.

Verder laten resultaten zien dat alleen de betrokkenheid van moeder samenhangt met loyaliteitsproblemen bij het kind. Hoe betrokken de moeder is hoe minder loyaliteitsproblemen het kind zal ervaren. In tegenstelling tot de betrokkenheid van moeder hangt de mate van betrokkenheid vader niet samen met loyaliteitsproblemen bij het kind. In het onderzoek van Buchanan en collega’s (1991) kwam naar voren dat hoe betrokken de ouders waren hoe minder sprake van loyaleitsproblemen bij kinderen was.

De derde onderzoeksvraag is ‘wat zijn de gevolgen van ouderverstoting voor het functioneren van de jongere?’ Er zijn analyses uitgevoerd naar het algemeen welbevinden, zelfwaardering, depressie, angst en agressie bij jongeren. Eerdere onderzoeken hebben aangetoond dat hoe meer loyaliteitsproblemen het kind ervaart des te meer last het van internaliserende problemen zal hebben (Spruijt, 2007). Ook de bevindingen van dit onderzoek bevestigt dit gegeven. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt namelijk dat hoe meer loyaliteitsproblemen de jongere ervaart hoe lager het algemeen welbevinden van de jongere is. Dit geldt voor zowel jongens als meisjes. Zelfwaardering heeft alleen bij meisjes een significant negatief verband met loyaliteitsproblemen. Hoe meer loyaliteitsproblemen meisjes ervaren hoe lager de zelfwaardering van meisjes mogelijk zal zijn. Uit het onderzoek van Baker (2005) kwam naar voren dat het verstoten van een ouder leidt tot lage zelfwaardering. Ook hebben meisjes meer kans op een depressie wanneer zij loyaliteitsproblemen ervaren. Er is immers een relatief sterk verband aangetoond tussen depressie bij meisjes en loyaliteitsproblemen. Bij jongens is er een relatief sterke samenhang gevonden tussen depressie en het verstoten van moeder. Voorts blijkt dat loyaliteitsproblemen tot meer angst bij zowel jongens als meisjes leidt. In de literatuur komt tevens naar voren dat jongeren met loyaliteitsproblemen meer kans hebben op depressie en angst (Buchanan et al., 1991). Agressie blijkt uit deze studie niet significant samen te hangen met PAS of loyaliteitsproblemen. Het is wel opvallend dat agressie bij meisjes redelijk hoog correleert met ouderverstoting volgens vader. Dit gegeven is niet significant. Een grotere steekproef zou wellicht meer significante resultaten leveren wat betreft de gevolgen van PAS.

Ook het gegeven dat het twee verschillende steekproeven betreft moet hierbij in acht genomen worden. Een klein aantal respondenten komen namelijk uit hetzelfde gezin.

Samenvattend bevestigt dit onderzoek dat ouderverstoting voorkomt in Nederland. Ofschoon de verschillen tussen de gemiddelden van ouderverstoting volgens vader en volgens moeder niet significant zijn bevonden, is er wel een verschil gevonden in de mate van PAS volgens ouders. De ernstige vorm van ouderverstoting komt immers twee keer zo vaak voor volgens vaders in tegenstelling tot moeders. Ook loyaliteitsproblemen bij kinderen komt voor. Het kind is met name kwetsbaarder voor loyaliteitsproblemen wanneer het gaat om moeder die zich verstoot voelt. Conflicten voor en na de scheiding als de mate van betrokkenheid van ouders zijn kenmerken van ouderverstoting. Conflicten tussen ouders leidt namelijk tot loyaliteitsproblemen bij het kind, waarbij meisjes meer last hebben van conflicten voor de scheiding in tegenstelling tot jongens. De mate van betrokkenheid hangt samen met hoe ouders denken over ouderverstoting door het kind. Namelijk, hoe minder betrokken de ouders zijn hoe meer ouders van mening zijn dat er sprake is van ouderverstoting door het kind. Verder zullen kinderen minder loyaliteitsproblemen ervaren, wanneer de mate van betrokkenheid moeder hoog is. Tot slot over het functioneren van de jongeren blijkt dat algemeen welbevinden bij zowel jongens als meisjes lager is wanneer zij loyaliteitsproblemen ervaren. Bij meisjes geldt ook een lage zelfwaardering bij loyaliteitsproblemen. Bovendien hebben meisjes in tegenstelling tot jongens meer kans op depressie wanneer zij loyaliteitsproblemen ervaren.

Loyaliteitsproblemen leiden verder tot meer angst bij zowel jongens als meisjes. Uit dit onderzoek blijkt verder dat loyaliteitsproblemen geen gevolgen heeft op de agressie van jongeren.

Om een specifieker uitspraak te kunnen doen over hoe vaak PAS voorkomt en in welke mate het in Nederland voorkomt is meer onderzoek nodig. Zo is de verdeling mild, matig en ernstig niet volgens een bepaald criterium gemaakt, aangezien in de Nederlandse literatuur nagenoeg niets te vinden is over deze verdeling. Zodoende is het niet duidelijk of deze typen inhoudelijk hetzelfde representeren als de typen die door Gardner onderscheiden worden. Daarom is het belangrijk om een goed diagnostisch meetinstrument te gebruiken waarin de verdeling in typen goed te onderscheiden is om meer duidelijkheid te verkrijgen over de ernst van het voorkomen van het PAS.

In tegenstelling tot eerdere studies zijn in dit onderzoek de loyaliteitsproblemen bij kinderen niet buiten beschouwing gelaten. Tot nu toe werd PAS alleen bij ouders of hulpverleners gemeten. In dit onderzoek zijn zowel de ouders als de jongeren betrokken. Dit heeft uiteraard enkele relevante gegevens opgeleverd. De gegevens die verkregen zijn, waren helaas niet altijd afkomstig uit één scheidingsgezin. Het aantal respondenten waarbij zowel de vader, de moeder als de jongere de vragenlijst heeft ingevuld is tamelijk klein. Veel resultaten waren daarom niet significant. Desondanks zijn er veel verbanden aangetoond. Een aanbeveling is gebruik te maken van een andere manier van dataverzameling om zowel vader, moeder als kind erin te betrekken. Zodoende zullen er meer relevante gegevens naar voren komen. Verder zijn de respondenten afkomstig uit verschillende instanties en betreffen recente scheidingsgezinnen.

Dit betekent dat de problemen bij deze gezinnen wellicht groter zijn dan gezinnen die langer gescheiden zijn. Dit kan mogelijk een verklaring zijn voor het hoge percentage ernstige vorm van ouderverstoting in dit onderzoek. Verder is het PAS in dit onderzoek vertaald met het begrip ouderverstoting, in plaats van het ouderverstotingssyndroom, aangezien er nog geen algemene erkenning is om ouderverstoting als syndroom te zien. Dit onderzoek toont tevens de gevolgen van ouderverstoting voor het functioneren van de jongere. Ook hierover is verder onderzoek aanbevolen. De resultaten laten immers zien dat het probleem niet onderschat mag worden.


Literatuur

Baker, A.J.L. (2005). The Long-term Effects of Parental Alienation on Adult Children: A Qualitative Research Study. The American Journal of Family Therapy, 33, 289-302.

Baker, A.J.L., Darnall, D. (2006). Behaviors and Strategies Employed in Parental Alienation: A Survey of Parental Experiences. Journal of Divorce & Remariagge, 45, 97-124.

Baker, A.J.L., Darnall, D.C. (2007). A Construct Study of the Eight Symptoms of Severe Parental Alienation Syndrome: A Survey of Parental Experiences. Journal of Divorce & Remarriage, 47, 55-75.

Baker, A.J.L. (2007). Knowledge and Attitudes About the Parental Alienation Syndrome: A Survey of Custody Evaluators. The American Journal of Family Therapy, 35, 1-19

Baker, A.J.L. (2006). Patterns of Parental Alienation Syndrome: A Qualitative Study of Adults Who were Alienated from a Parent as a Child. The American Journal of Family Therapy, 34, 63-78

Buchanan, C.M., Maccoby, E.E., Dornbusch, S.M. (1991). Caught between parents: Adolescents’ Experience in Divorces Homes. Child Development, 62, 1008-1029.

Cartwright, G.F. (1993). Expanding the parameters of parental alienation syndrome. The American Journal of Family Therapy, 21,113-124.

CBS (2008). Echtscheidingen: leeftijdsverschil, kinderen, geboorteland, huwelijksduur. Voorburg/Heerlen: CBS

Eerenbeemt, E. van den, Oele, B. (1987). De contextuele therapie: verdiende vrijheid. Kern: Centrum voor psychotherapie en relatievorming.

Gardner, R.A. (2002 a). The Empowerment of children in the development of parental alienation syndrome. American journal of forensic psychology, 20, 5-28.

Gardner, R.A. (2002 b). Parental Alienation Syndrome vs. Parental Alienation: Which Diagnosis Should Evaluators Use in Child-Custody Disputes? The American Journal of Family Therapy, 30, 93-115.

Gardner, R.A. (2002 c). Denial of the Parental Alienation Syndrome Also Harms Woman. The American Journal of Family Therapy, 30, 191-202

E.Kaplan Universiteit Utrecht Juli 2008 36

Johnston, J.R., Walters, M.G., Olesen, N.W. (2005). The psychological functioning of alienated children in custody disputing families: an exploratory study. American Journal of Forensic Psychology, 23, 39-62.

O’Leary, K.D., Moerk, K.C. (1999). Divorce, children and the courts: evaluating the use of parent alienation syndrome in custody disputes. Expert Evidence, 7, 127-146.

Rand, D.C. (1997). The spectrum of parental alienation syndrome (part I). American Journal of Forensic Psychology, 15, 23-51

Spruijt, E. (2007). Scheidingskinderen: overzicht van recent sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van ouderlijke scheiding voor kinderen en jongeren. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Spruijt, A.P., Eikelenboom, B., Harmeling, J., Stokkers, R., Kormos, H. (2005). Het ouderverstotingssyndroom (PAS) in Nederland. EB, Tijdschrift voor Echtscheidingsrecht, 11, 103-110.

VanderValk, I., Spruijt, E. (2004). De gevolgen voor echtscheiding voor kinderen. Jaarboek voor Ontwikkelings Psychologie, Orthopedagogiek en Kinderpsychiatrie,6, 324-342.

Vassiliou, D., Cartwright, G.F. (2001). The Lost Parents’ Perspective on Parental Alienation Syndrome. The American Journal of Family Therapy, 29, 181-191.

Warshak, R.A. (2001). Current controversies regarding parental alienation syndrome. American Journal of Forensic Psychology, 19, 29-56.

juli 31, 2008 at 3:06 am 35 reacties

Het Verdeelde Kind – Literatuuronderzoek omgang na scheiding (Spruijt c.s., Raad voor de Kinderbescherming, Utrecht, 2002)

Wat vooraf ging

In het verlengde van de op 24 juni 1999 in de Grote Kerk van Breda door Stichting Kind en Omgangsrecht (inmiddels Stichting Vader Kennis Centrum), het toenmalige Platform Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht (Platform SCJF, in 2003 opgeheven) en het Ministerie van Justitie (inmiddels Ministerie van Justitie en Veiligheid) georganiseerde conferentie “Het belang van het kind – Van toverformule naar hanteerbare definitie” en de daar door Prof. Dr. Richard A. Gardner gehouden lezing over het ‘Parental Alienation Syndrome (PAS)‘, drong het Platform SCJF in haar reguliere overleg met het Landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming in de daarop volgende jaren 2000/2001 bij herhaling sterk aan op erkenning door de Raad van het ouderverstotingssyndroom (PAS) als specifieke vorm van (geestelijke) kindermishandeling van scheidingskinderen door “verblijfsouders”.

De Raad voor de Kinderbescherming die dit geenszins van plan was, heeft daarop in haar eenzijdige opdracht en door haar bekostigd door Ed Spruijt van de Universiteit Utrecht een zgn. literatuurstudie ter derangering van het ouderverstotingssyndroom laten verrichten, waarop de Raad zich in de jaren daarna steeds is blijven beroepen om het ouderverstotingssyndroom NIET te erkennen als vorm van kindermishandeling van scheidingskinderen.

Deze literatuurstudie “Het verdeelde kind” van Ed Spruijt c.s. die in opdracht van het Landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming in 2002 werd gepubliceerd vindt u hieronder.

————————————————————-

Literatuuronderzoek omgang na scheiding

Het Verdeelde Kind

Auteurs: Ed Spruijt, Helga Kormos, Christine Burggraaf en Anneke Steenweg, Raad voor de Kinderbescherming, Utrecht, 2002. ISBN 90-39303262-2

Echtscheidingen die met conflicten gepaard gaan hebben allerlei negatieve effecten op kinderen zoals slechte schoolprestaties, depressieve klachten, meer riskante gewoonten en in een later stadium mogelijke relatieproblemen.

Daarnaast wordt er nog te weinig naar kinderen geluisterd als het gaat om de scheiding van hun ouders. Na een scheiding is omgang met beide ouders het beste voor kinderen. Maar dan wel met ouders, die geleerd hebben hun conflicten te beheersen en niet uit te vechten in het bijzijn van hun kinderen.

Deze en andere bevindingen staan in het rapport ‘Het verdeelde kind’, een literatuuronderzoek van de Universiteit Utrecht dat is gemaakt in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming. In het rapport worden meer dan 200 studies over scheiding en omgang besproken. Enkele aanbevelingen, die naar voren komen uit het rapport, over de gevolgen voor kinderen van verschillende omgangsregelingen na scheiding zijn:

  • meer aandacht voor kinderen tijdens de gehele periode van het scheidingproces,
  • fiscale beloning van goed lopende omgangsregelingen,
  • het verplicht opstellen van een ouderschapsplan voor de tijd na de scheiding,
  • verplichte hulpverlening voor ouders bij chronische conflicten.

Sinds 1998 blijft het gezamenlijk ouderlijk gezag na de scheiding in principe doorgaan. Toch ziet meer dan 20% van de kinderen na de scheiding hun uitwonende ouder, meestal de vader, niet meer. Soms belemmert moeder de omgang, soms vertrekt vader met de noorderzon of kan het voorkomen dat de kinderen zelf geen contact willen met de uitwonende ouder.

Vaak ruziën de ouders ook na de scheiding eindeloos verder over de omgangsregeling. Op verzoek van de rechter doet de Raad voor de Kinderbescherming jaarlijks onderzoek naar gezag en omgang na de scheiding voor 6000 à 8000 minderjarige kinderen.

Een van de doelen van de Raad, het bewerkstelligen van een voldoende aanbod op het gebied van scheidings- en omgangbemiddeling, wordt door het rapport ondersteund. Als het gaat om bemiddeling loopt Nederland duidelijk achter bij een aantal andere westerse landen.

Uit het rapport komen de volgende beschermende factoren voor kinderen na ouderlijke scheiding naar voren:

  • een goed functionerende verzorgende ouder,
  • een redelijke verstandhouding tussen vader en moeder,
  • een autoritatieve opvoeding (warmte en aandacht, maar ook controle),
  • goede (leeftijdspecifieke) communicatie tussen kind en ouders.

Risicofactoren voor kinderen zijn afwezigheid van beschermende factoren en verder doorruziënde ouders, weinig of geen sociale contacten en geen toegang tot hulpverlening. Ernstige problemen hebben kinderen bij vermoedens van PAS (ouderverstotingssyndroom) en kindermishandeling. Uiteindelijk zal grondig onderzoek moeten uitmaken of verplichte hulpverlening noodzakelijk is met een eventueel ingrijpen van de rechter.

november 1, 2002 at 11:59 pm Plaats een reactie

Verhaltensmuster und Persönlichkeitsstruktur Entfremdender Eltern (Walter Andritzky, 2002)

VERHALTENSMUSTER UND PERSÖNLICHKEITSSTRUKTUR ENTFREMDENDER ELTERN: PSYCHOSOZIALE DIAGNOSTIK UND ORIENTIERUNGSKRITERIEN FÜR INTERVENTIONEN

BEHAVIORAL PATTERNS AND PERSONALITY STRUCTURE OF ALIENATING PARENTS: PSYCHOSOCIAL AND DIAGNOSTIC CRITERIA FOR INTERVENTION

Walter Andritzky: Psychotherapie 7. Jahrg. 2002, Bd. 7, Heft 2 © CIP-Medien, München (S. 166-182)

PDF-versie

Walter Andritzky

Summary

This contribution examines behavioral patterns of alienating parents and the dynamics of their personality affecting childrens’ developmental chances. Knowledge of such factors allows psychotherapists, social workers, judicial personnel, judges, case workers, lawyers, teachers, kindergarten teachers, doctors, friends and neighbors early identification of alienating behavior following a separation/divorce. In cases that would require consistent limit-setting, alienating parents (because of their specific family- and personality dynamics) often engage professional helpers astonishingly effortlessly in the pursuit of their own goals and view of the parental strife. From a distance, and from the perspective of an uninvolved observer, the seemingly uncritical or helpless collaboration with the alienating parents’ ”tricks” and strategies is often incomprehensible. It can only be understood in context of a deeper understanding of the alienating parents’ personality- and family dynamics, and overcome through a philosophy of intervention that follows from this understanding. The main focus are behaviors that ultimately lead to a phenomenon that was introduced by Gardner (1998) as ”Parental Alienation Syndrome (PAS)”.

Hereby, some children, following the initial custody battle (often following a non-agreed-upon ”taking of the child”, visitation boycott and devaluation of the other parent), begin to refuse contact with the non-custodial parent and his/her familiar environment, for no apparent reason. They invent their own ”reasons” and stress that all this is of their ”own will”.

They present rather absurd reasoning, which they have taken over literally, from the alienating parent.

Keywords

divorce – borderline – visitation rights – intervention – parental alienation syndrome

Zusammenfassung

Der Beitrag untersucht Persönlichkeitsdynamik und Verhaltensmuster von Elternteilen, welche nach Scheidung/Trennung versuchen, den Kontakt eines Kindes zum anderen Elternteil z.B. durch Umgangsbehinderungen zu erschweren. Das für nicht beteiligte Beobachter und aus der Distanz oftmals unbegreifliche Mitagieren von Psychotherapeuten, Sozialarbeitern, Gerichtssachverständigen, Richtern, Verfahrenspflegern, Anwälten, Lehrern und KindergärtnerInnen mit den ‚Tricks‘ und Strategien entfremdender Eltern, kann nur vor dem Hintergrund eines tieferen Verständnisses für deren Persönlichkeitsund Familiendynamik und durch eine daraus abgeleitete Interventionsphilosophie überwunden werden. Es werden daher Kriterien entwickelt, um entfremdendes Verhalten nach Trennung/Scheidung frühzeitig erkennen und zum Wohle der betroffenen Kinder gegensteuern und ggf. die notwendigen Sorgerechts- und Umgangsregelungen einleiten zu können. Es werden jene Entfremdungstechniken beschrieben, die im Ergebnis beim betroffenen Kind zu einem ‚elterlichen Entfremdungssyndrom’ (nach Gardner 1998) führen und die Bedeutung deklaratorisch-grenzsetzender Interventionsstrategien hervorgehoben.

Schlüsselwörter

Scheidung – Borderline – Intervention – Sorgerecht – Umgangsrecht – Entfremdungssyndrom

Einleitung

In diesem Beitrag sollen stereotype Verhaltensweisen entfremdender Eltern und ihre Persönlichkeitsdynamik in Auswirkung auf die psychosozialen Entwicklungschancen der betroffenen Kinder untersucht werden. Für Psychotherapeuten, Sozialarbeiter, Gerichtssachverständige, Richter, Verfahrenspfleger, Anwälte, Lehrer, Kindergärtnerinnen, Ärzte, Bekannte und Nachbarn entstehen damit auch Kriterien, um entfremdendes Verhalten nach Trennung/Scheidung frühzeitig erkennen, zum Wohle der betroffenen Kinder gegensteuern und ggf. die notwendigen Sorgerechts- und Umgangsregelungen einleiten zu können. Wo ein konsequentes Grenzensetzen erforderlich wäre, funktionalisieren entfremdende Eltern professionelle Helfer aufgrund ihrer spezifischen Familien- und Persönlichkeitsdynamik oft mit erstaunlicher Mühelosigkeit für die eigene Zielsetzung und Sichtweise des Elternstreits um.

Das für nicht beteiligte Beobachter und aus der Distanz oftmals unbegreifliche, kritiklose oder ohnmächtig wirkende Mitagieren mit den ‚Tricks‘ und Strategien entfremdender Eltern kann nur vor dem Hintergrund eines tieferen Verständnisses für deren Persönlichkeits- und Familiendynamik und durch eine daraus abgeleitete Interventionsphilosophie überwunden werden.

Thema sind jene Verhaltensweisen, die im Endergebnis zu einem Phänomen führen, das in seinen verschiedenen Facetten durch Gardner (1998) als “elterliches Entfremdungssyndrom” (parental alienation syndrome, PAS) bekannt wurde. Dabei beginnen manche Kinder nach einer Trennung der Eltern und mit Beginn eines Sorgerechtstreites (oft nach einer nicht abgesprochenen Kindesmitnahme, Umgangsboykott und Abwertungen des anderen Elternteils) ohne nachvollziehbaren Anlass im Verhalten des nicht betreuenden Elternteils den Kontakt zu ihm und seinem familiären Umfeld zu verweigern. Sie erfinden eigene Gründe hinzu und betonen, dass alles “ihr Wille” sei. Sie weisen dabei eher absurde Begründungen vor und solche, die sie wörtlich vom entfremdenden Elternteil (eE) übernommen haben. Nach verschiedenen Studien in den USA wandten sich bei hochstreitigen Scheidungen 30-45% der Kinder zwischen 7 und 14 Jahren gegen einen Elternteil, ohne dass dafür Gründe im Verhalten dieses Elternteils feststellbar waren (Johnston und Campbell, 1988; Lampel, 1986, 1996). Nach den Erfahrungen des Autors liegt Verdacht auf PAS auch in Deutschland etwa in jedem zweiten Fall vor, für den ein psychologischer Sachverständiger von einem Familienrichter mit Klärung von Fragestellungen wie “ob der Umgang des xx-Elternteils dem Wohl des Kindes dient” oder “welchem Elternteil ggf. das alleinige Sorgerecht für xx übertragen werden sollte” beauftragt wird. Das in Deutschland nur fragmentarisch rezipierte PAS-Konzept wurde mittels “übergestülpter” Kriterien vorschnell angezweifelt, ohne dass zwischen “Kindesentfremdung” und “elterlichem Entfremdungssyndrom” unterschieden wurde (vgl. Salzgeber und Stadler, 1998; Stadler und Salzgeber, 1999; Fegert, 2001) oder auch nur der Erkenntnisgewinn gegenüber früheren Konzepten herausgearbeitet wurde.

Bei der psychologischen Begutachtung finden sich zwar komplexe Problemkonstellationen, wenn tatsächliches Fehlverhalten eines vom Kind abgelehnten Elternteil vorliegt (z.B. Schläge, mangelnde Zuwendung zum Kind), wenn neue Partner und Kinder hinzukommen und ein mehrfacher Loyalitätskonflikt entsteht (vgl. Warshak, 2000), wenn die geschlechtsspezifische Identifikation und gleichzeitiger Loyalitätskonflikt vorliegen oder Schuldzuschreibung des Kindes gegenüber dem verlassenden Elternteil. Diese Randbedingungen sind jedoch von Ursachen und Erscheinungsbild des PAS abzuheben: Erstere können lediglich Präferenzen des Kindes für einen Elternteil begründen, keinesfalls jedoch ein Verhalten, das die Merkmale von PAS umfasst. In allen Fällen von PAS kann in der psychologischen Familienuntersuchung ein massiv entfremdendes und den Kontakt des Kindes zum anderen Elternteil (aE) behinderndes Verhalten nachgewiesen werden, welches die Reaktionen des Kindes inhaltlich und im zeitlichen Auftreten erklärt (vgl. Klenner, 1995).

PAS als Ergebnis von Elternstreit zu deklarieren und die aus massiver Beeinflussung des Kindes und Behinderungen seines Kontaktes zum anderen Elternteil resultierende Manipulation des Kindeswillens zu leugnen (vgl. Lehmkuhl, 1999), verdreht bewusst die empirischen Sachverhalte und verkennt das Vorliegen verschiedener Abwehrmechanismen der Psychodynamik, z.B. der Identifikation mit dem Aggressor.

Ein Entfremdungssyndrom ist durch mehrere Merkmale definiert und stets Resultat eines emotionalen Missbrauchs eines Kindes mit dem Ziel, den Kontakt zum anderen Elternteil auf Dauer abzubrechen. Dabei liegen alle fünf von Rogers (1992) definierten Typen des emotionalen Kindesmissbrauchs vor: Zurückweisung, Terrorisieren, Ignorieren, Isolieren und Bestechen des Kindes. In Abgrenzung zu den häufigeren Loyalitätskonflikten, die Kinder (nicht nur) in Trennungsprozessen haben, tritt ein Entfremdungssyndrom zudem erst dann auf, wenn Scheidungsstreitigkeiten in Sorgerechts- oder Umgangsstreitigkeiten übergehen.

Was das Alter angeht, innerhalb dessen sich ein Entfremdungssyndrom ausbilden kann, betont Gardner (1998, S. 124), dass die Suggestibilität des Kindes umso höher ist, je jünger es ist. Aus Entwicklungspsychologie und Sozialisationsforschung leitet sich ab, dass Kinder bereits ab dem 8. Lebensmonat unterschiedliche Wiedererkennungsreaktionen zeigen, also personal zu unterscheiden vermögen. Wenngleich die sprachliche Beeinflussbarkeit bis zum 2. Lebensjahr noch begrenzt ist, lernt das Kind über nonverbale Konditionierungen nach dem Modell der Verhaltensformung (shaping), z.B. wenn das Kind bei Abwendungsreaktionen gegenüber dem anderen Elternteil belohnt wird oder Liebesentzug seitens des entfremdenden Elternteils erfährt, wenn es sich dem aE zuwendet. Es entsteht ein Ablehnungsverhalten gegenüber dem aE, das sich mit wachsender sprachlicher Kompetenz als “Ich will nicht zum aE” äußert. Ablehnungsreaktionen aufgrund von Manipulationen des eE und ohne nachvollziehbare Gründe sind daher bereits ab ca. dem zweiten Lebensjahr zu beobachten. Typischerweise erfolgen Trennungen mit späterer Entfremdungsdynamik zwischen 3. und ca. 7. Lebensjahr eines Kindes, wenn das Kind libidinöse Bindungen entwickelt und den aE als Interaktionspartner sukzessive und partiell ersetzen kann.

Einen Nährboden für entfremdendes Verhalten bilden Rahmenbedingungen und Konflikte, wie sie ganz generell nach einer Scheidung auftreten. Dazu zählen nach der Erhebung von Proksch (2000) u.a.:

  • die ungleich verteilte Betreuung der Kinder durch Vater bzw. Mutter: Betreut werden die Kinder von 66% bzw. 68% der Mütter mit alleinigem bzw. gemeinsamem Sorgerecht, aber nur von 12 bzw. 19% der Väter.
  • Je nach Sorgerechtsverteilung zeigen 37-47,5% der Kinder Sorge, einen Elternteil zu verlieren, 32% psychische Veränderungen, 20-22% Aggressionen.
  • Väter ohne Sorgeberechtigung zeigen mit 18% doppelt so häufig Angst, dass die Kinder den Kontakt zu ihnen ablehnen, wie Väter mit gemeinsamer Sorge.
  • Besonders konfliktträchtig ist die Abwertungstendenz gegenüber dem jeweils aE: 65 bzw. 74% der Väter bzw. Mütter mit alleiniger Sorge, aber nur 42% der Eltern mit gemeinsamer Sorge halten den Ex-Partner für weniger oder überhaupt nicht „verantwortlich für die gemeinsamen Kinder“.
  • Einem erheblichen Teil der Väter (17%) und Mütter (13%) mit alleiniger Sorge wäre es lieber‚ die Kinder gingen nicht zum anderen Elternteil. Probleme mit dem Umgangsrecht bekunden insg. 38,5% (!) der N=7008 befragten Elternteile. Etwa jeder dritte Vater bzw. Mutter (34%), bei dem/der das Kind nicht lebt, möchte häufigeren Umgang, 37 bzw. 31% auch einen längeren Umgang mit ihren Kindern haben (Proksch, 2000, S. 97).

1 Typische Verhaltensweisen entfremdender Eltern

Die detaillierte Kenntnis der acht Kriterien und der drei Schweregrade von PAS ist hilfreich, um z.B. im Rahmen psychotherapeutischer oder sozialarbeiterischer Beratung mit den Eltern, bei der Befragung des Kindes vor Gericht oder in der psychologischen Begutachtung die Authentizität kindlicher Willensäußerung kritisch zu hinterfragen. Da der “Produktionsprozess” von PAS bisher noch wenig geklärt ist, werden zunächst die empirisch beobachtbaren Verhaltensweisen entfremdender Elternteile zusammengefasst.

1.1 Interaktionsdynamik beider Eltern

Schon die vorangegangenen Partnerbeziehungen des eE sind hochgradig ambivalent, von vielfältiger Unzufriedenheit, zeitweiligen Trennungen und gewalttätigen Auseinandersetzungen bestimmt. Die Zeugung erfolgte oft zu einem Zeitpunkt, wo ein Elternteil innerlich die Beziehung schon beendet hatte. Es wird aber z.B. noch ein gemeinsamer Urlaub verbracht, oder ein Elternteil hatte bereits beschlossen, nach Australien auszuwandern, lernt auf dem Abschiedsfest dann aber die spätere Mutter (der dieser Umstand auch bekannt ist ) kennen und schwängert sie. Das Kind wird für den später entfremdenden Elternteil nun zum Garanten für eine unauflösliche Beziehung: Selbst wenn äußerlich keine Kontakte mehr bestehen, spielt der ausgegrenzte Partner für die seelische Homöostase als Sündenbock eine entlastende Rolle. Im projektiven Wahrnehmungsmodus wird er im Nachhinein als sehr unterschiedlich, meist oberflächlich und ohne Tiefgang bezeichnet, das eigene Defizit an Selbstsicherheit und Strukturlosigkeit kann projektiv nur im Mangel an narzisstischer Bestätigung durch den Partner wahrgenommen werden, der nicht genug Wärme oder Unterstützung gibt. Nach einer Phase anfänglicher Idealisierung entstehen bei den später entfremdenden Eltern mit wachsender Enttäuschung unrealistische Erwartungen an den Partner und narzisstische Wut. Allein der Partner wird nun für das Scheitern der Beziehung verantwortlich gemacht, jeglicher Eigenanteil daran wird geleugnet. Schon während der Beziehung wird der aE vom eE vielfach vor den Kindern herabwürdigt und als Identifikationsobjekt entwertet. Der eE (überwiegend Mutter) hat den aE während der Ehe/Partnerschaft oftmals körperlich misshandelt, was sich dieser aus Angst vor Stigmatisierung als gewalttätiger Mann oder in Helferhaltung (Verständnis) gefallen ließ (vgl. als Fallbeispiel Jäckel, 2001). Beispiele aus Begutachtungsfällen sind neben Ohrfeigen und Tritten, an den Haaren über den Tisch ziehen, Einsperren im Keller, hysterische Ausbrüche extremster Art (ins Lenkrad greifen, Haushaltsgegenstände in das Gesicht werfen, Wertobjekte zerstören).

Während der Geburt bei einer gesunden Mutter häufig eine Phase verminderten sexuellen Interesses folgt, die sich nach einigen Monaten normalisiert, beginnt bei eE nun eine kontinuierliche Abnahme des gesamten Interesses an der Person des Vaters, er wird nur noch in seiner Helferrolle wahrgenommen, das Kind wird mit seinen sich entwickelnden Ich-Funktionen zum Partnerersatz, wobei die Mutter jenes Machtgefühl genießt, das sie im Verhältnis zu erwachsenen Partnern entbehren muss. Gleichzeitig beginnt mit der Existenz des Kindes eine Auseinandersetzung um Lebensenergie: dem anfänglichen Ausgesaugtfühlen, ein für eE typisches Motiv, folgt nun die Forderung, Zeit für sich haben. Die emotionale Überforderung äußert sich dann in erbitterten Diskussionen, wer wie oft nachts aufstehen soll, um das aufgewachte Kind wieder zum Schlafen zu bringen, wer wie oft die Windeln gewechselt hat, es werden “freie Tage” eingefordert. Rückblickend charakterisieren eE ihr Verhältnis oft folgendermaßen: “Früher habe ich ja immer versucht, ihm immer alles recht zu machen, aber als dann das Kind da war, musste ich auch an das Kind denken.”

Häufig sind auch Kommunikationsverweigerung und -reglementierung: Der eE weigert sich, über vom aE geäußerte Sorgen um das Kind (oftmals ärztliche, medizinische Dinge wie fehlende Zahnbehandlungen etc.) zu sprechen. Aufgrund seiner Hypersensibilität gegenüber Kritik kann der eE auch berechtigte Sorgen nur als Kritik an seiner Person wahrnehmen (etwas unterlassen oder falsch gemacht zu haben). Er vermag darüber nicht in eine inhaltliche Klärung einzutreten. Typisch ist daneben eine bis ins Groteske gesteigerte Kommunikationsreglementierung: So äußerte ein eE anlässlich eines begleiteten Umgangs, der Sachverständige habe ihr gesagt, sie solle möglichst direkt mit dem Vater kommunizieren, und so habe sie ihm zu verstehen gegeben, er solle nur zuhören und keine Kommentare zu ihren Äußerungen geben. Dann wurde ihm vor dem Kind mitgeteilt, was Petra *) zu essen bekommen solle und was nicht …’ Handlungen des aE werden in abwertendem Sprachstil codiert, z.B.: Als sie “im Krankenhaus war und die fürsorglichen Krankenschwestern gern mit einem Trinkgeld belohnen wollte”, habe ihr der aE “nach dreimal Fragen schließlich eine Hand voll Banknoten auf das Bett geworfen”. Nach ausgiebigen Provokationen hervorgerufene Reaktionen beim aE werden mit “Ich habe Angst bekommen” und dem Gefühl, “Petra vor ihm schützen zu müssen”, kommentiert. Bei Anhörungen von eE wird deutlich, dass jegliches selbstkritisches Moment in der Beziehungsschilderung fehlt, der eE stellt sich ausschließlich als Opfer dar (“Ich bin am Ende meiner Kräfte”, “Der aE will mich fertigmachen”, “Bin mit den Nerven fertig”).

*) Namen und Orte sind verändert, Zitate wörtlich.

Aus generationsübergreifender Perspektive zeigt sich in den Familien von eE häufig eine Tradition männerausgrenzender Symbiose von Mutter/Tochter bzw. Söhnen, in den Familien der aE eine dominante, das Kind emotional als Partnersatz missbrauchende Mutter-Sohn-Beziehung bei wenig präsentem, ich-schwachem Vater. Fragen an eE, welche Rolle sie z.B. dem Vater für die Sozialisation des Kindes zumessen, enthüllen oftmals Muster wie “Er war für mich eigentlich nur der Samenspender”, oder er sei für die Erziehung verzichtbar. Die Täter-Opfer-Dynamik in Entfremdungsprozessen spiegelt zumeist die verinnerlichten Familienkonstellationen der Beteiligten wider (vgl. 2.3).

1.2 Soziale Kontakte

Bei geringem sozialem Netzwerk nach der Trennung (Fixierung auf eine Freundin oder die eigene Familie) werden Kontaktbedürfnisse des eE über das (institutionelle) Beziehungsumfeld des Kindes (u.a. Mütter-Treffs, Eltern anderer Kinder, Alleinerziehende-Vereine, Kinderärzte/-ärztinnen, Kindergarten- und Schulfeste) befriedigt. Zu mit den Kindern befassten Kindergärtnerinnen, Sozialarbeitern/-arbeiterinnen und Jugendgruppenleitern werden persönlich-freundschaftliche Beziehungen kultiviert. Oft sind es diese Personen, die bei späteren Umgangs- und Sorgerechtsstreitigkeiten Atteste und Bescheinigungen für die eE ausstellen. Das Kind fungiert im Sozialkontakt des eE als drittes Objekt und puffernder Beziehungsvermittler. Aufgrund dieser Konstellation stellt jeder Kontakt des aE zu Kindergarten, Lehrern, Freund(inn)en des Kindes, zu anderen Eltern eine Verunsicherung dieses über das Kind vermittelten sozialen Netzwerkes dar, das gegenüber dem aE rigoros abgeschottet wird: Der aE darf keine Gespräche mit der Kindergärtnerin führen, er wird von Schulfesten ferngehalten, der eE instruiert Lehrer, dem aE keine Auskünfte zu geben. Clawar und Rivlin (1991, S. 163) fanden, dass der eE den Kontakt des aE zum Kind eher so erlebt, dass ihm etwas weggenommen wird, als dass er eine Bereicherung für das Kind darstellt (that something is being taken away from them, rather than being added to the life of the children).Eigenständige emotionale Beziehungen des Kindes, spielerische Kreativität und neugieriges Herangehen an seine Umwelt werden vom eE eingeschränkt, da sie als Gefährdung der Symbiose eE – Kind erlebt werden – und sei es das Anschaffen eines Tieres wie Kaninchen oder Hamster.

Das soziale Umfeld wird vom eE aufgespalten in einen Personenkreis, der das Entfremdungsbestreben und die teils so erlebte, teils inszenierte Opferrolle des eE kritiklos unterstützt und in solche Personen, die Einwände gegen die Ausgrenzung des aE erheben. Sozialarbeiter, Richter und Gutachter werden für befangen erklärt, Berater/Therapeuten, Lehrer/-innen, Anwälte, Kirchenzugehörigkeiten, Bekannte/Freunde und Ärzte/Ärztinnen werden so lange gewechselt, bis solche gefunden sind, welche bereit sind, die aversive Haltung des eE gegenüber dem aE kritiklos zu teilen und zu bestärken.

1.3 Erziehungsverhalten

Bei der Exploration von Alltagsinteraktionen und Sanktionsverhalten zwischen eE und Kind finden sich stereotyp die Begriffe Grenzen setzen und an die Regeln halten. EE erleben im Gegensatz zu kooperativen Eltern die zahlreichen Stressfaktoren der Nachtrennungssituation (vgl. Kunkel, 1997, S. 25) als wesentlich belastender und reagieren mit erhöhtem Anpassungsdruck auf das Kind. Im Vergleich zu diesem eher autoritativen und anpassungsorientierten Erziehungsstil praktizieren aE häufiger einen bedürfnisorientierten Stil, was zu Vorwürfen des eE führt (Bei ihm darf er/sie alles). Eine auf die Frage nach dem Erziehungsstil typische Antwort eines eE ist: “Ich achte schon darauf, dass die Kinder ordentlich beim Essen sitzen, die Mahlzeiten gemeinsam eingenommen werden, man wartet, bis alle am Tisch sitzen, sich guten Appetit wünschen, man sich nicht den Teller vollpackt und dann alles liegen lässt, nicht nur die Wurst gegessen wird, sondern auch das Brot dazu, dass man “bitte” und “danke” sagt, Rücksicht aufeinander nimmt.”

Typische Strafen sind Stubenarrest, Fernsehverbot, “Klaps”, “Tonfall ändern”. Die Angst des eE vor Autonomie und Identitätsbestreben des heranwachsenden Kindes äußert sich oft in kleinkindhafter Kleidung, was Konflikte mit dem auf Autonomie und Bedürfniserfüllung ausgerichteten Umgangsstil des aE heraufbeschwört. Die Infantilisierungsbestrebungen des eE drücken sich auch in Unterforderung und fehlender Förderung spezieller Fähigkeiten des Kindes aus. Das gegenläufige Engagement des aE wird als Überforderung gebrandmarkt und dem Kind der Eindruck vermittelt, dass der aE etwas Verkehrtes mit ihm unternehme. Dem Kind wird die meist natürliche Lust genommen, ihm der Spaß vergällt, bis es eine gleichgültige Haltung zum Engagement des aE einnimmt oder angibt, die zuvor gerne betriebenen Aktivitäten (meist Ausflüge, Sportarten, Liebhabereien) nicht mehr zu wollen. Diese Konfliktkonstellation ist durch die allgemein stärkere Förderung von Autonomiebestrebungen, mehr Freizeit-, Sportund Bewegungsaktivitäten seitens Vätern und vergleichsweise mehr Versorgungsaktivitäten seitens der Mütter, prädisponiert (vgl. Seiffge-Krenke, 2001).

In schweren Fällen wird das Kind bereits im ersten Lebensjahr als eine Bedrohung des narzisstischen Gleichgewichts des eE erlebt, was sich besonders beim Stillen bemerkbar macht. Eine Mutter, die in einem jahrelangen Sorgerechtsstreit mit mehreren Begutachtungen dem Vater die Kinder vorenthielt, schrie den stillenden Säugling an: “Ich kann dich nicht mehr sehen, du saugst mich aus”, reißt das Kind förmlich von der Brust und wirft es dem Vater zu. EE sind den Zuwendungsbedürfnissen des Kindes nicht gewachsen, sie erleben dabei verstärkt die in der eigene Kindheit nicht erfüllte emotionale Bedürftigkeit wieder und fühlen sich ausgesaugt.

Sobald sich die Ich-Funktionen des Kindes entwickeln (zweites/drittes Lebensjahr) dient es dem eE als Quelle emotionaler Zufuhr: Auf die Frage, was er/sie am Kind schätzt, sagt er/sie dann typischerweise: “dass wir zusammen schmusen”, “dass Michaela die Mama toll findet”.

Expressives und bedürfnisäußerndes Verhalten des Kindes wird vom eE oft als “Herumkaspern”, den “Willen haben wollen”, das Kind als ein “ganz Witziger, Pfiffiger” beschrieben. Es wird stets ‚von oben herab‘ gesehen, ein warmherziges Verhältnis zum Kind als eigener Persönlichkeit mit eigenen Rechten und Vorlieben fehlt. Die Alltagskommunikation zwischen eE und ihren Kindern stellt sich als Kette von Mikroreglementierungen dar, welche bis in die Wahrnehmungslenkung reicht (“Lass das jetzt”, “Das hast du eben schon gehabt”, “Hör auf damit”, “Guck mal dort den Vogel”). Reaktiver Unwille/Aggression des Kindes wird als Müdigkeit oder Überdrehtsein definiert, der provokative Charakter des eigenen Verhaltens ist ego-synton und wird nicht wahrgenommen. Die Kinder plappern ihrerseits ganze Sätze wie in Trance nach und bewegen sich roboterhaft. Introspektion, Bedürfniswahrnehmung, Verbalisierung von Gefühlen und kreative Situations-Interpretationen verkümmern rasch, wenn nach Trennung/Scheidung der autonomiefördernde Partner als Modell nicht mehr zur Verfügung steht, es entsteht nun ein hohes Maß an Feldabhängigkeit, Lenkbarkeit und Suggestibilität beim Kind. Da es aufgrund seines Loyalitätskonfliktes und Angst vor Verlassenwerden keinen Elternteil direkt angreifen möchte, sind gelegentlich eigentümliche, objektlose Aggressionsformen zu bebachten, wie z.B. “Karateschläge in die Luft” oder “in die Luft beißen”.

1.4 Sprachstil

Die Sprache des eE enthält einen neurotischen Code, der von einem narzisstischen Defizit zeugt: Der/die frühere Partner/in wird als unzureichender Mutter-Ersatz geschildert. Aufgrund des Liebesmangels in seiner Kindheit bricht sich dieses Defiziterleben des eE via Übertragung in einer längeren und enger werdenden Beziehung stets aufs Neue Bahn. Kein noch so großer Eifer eines/einer Partner/in bei der Mithilfe im Haushalt und der Versorgung der Kinder wäre in der Lage, dieses “Loch im Ich” zu füllen. Die entsprechenden stereotypen Vorwürfe, welche die Anwaltsschreiben, Gerichts- und Jugendamtsakten von eE füllen, haben meist wenig mit der äußeren Realität zu tun, sondern sie sind Spiegel dieses archaischen emotionalen Defizits des eE. Metaphorisch lassen sie sich im stereotypen Satz “Er/Sie hat sich nie gekümmert” zuammenfassen, der projiziert auf den aE lautet: “Es geht ihm/ihr nur vordergründig um Kontakt zu Max, tatsächlich darum (in Wirklichkeit), die Streitigkeiten mit der Mutter/Vater mit anderen Mitteln fortzuführen.”

Insofern die Äußerungen des eE projektiver Natur sind, zeugen sie gleichermaßen von seiner augenblicklichen Befindlichkeit, in der sich ggf. tatsächlich niemand mehr um ihn/sie kümmert. Sie weisen auch auf eine eingeschränkte Erziehungsfähigkeit des eE hin: Wenn das Nichtkümmern des aE schon vielfach in Anwaltsschreiben und Ausführungen des eE als Grund für alle möglichen Vorfälle und Defizite des eE gegenüber dem Kind herangezogen wird, dann gibt der tatsächliche Wegfall der meist vorliegenden Stützfunktionen des aE nach einer Trennung Anlass zur Frage, wieweit der eE bei nun erhöhtem Stress allein in der Lage sein soll, für sein/ihr Kind da zu sein und als erziehungsfähig zu gelten.

Zur Person des aE finden sich folgende Stereotype: Dieser sei psychisch gestört, sei in der Ehe fremdgegangen, er bezahle keinen Unterhalt, sei uneinsichtig, verbohrt, habe sich in seinen Ansichten verrannt, er locke das Kind mit viel zu viel Geschenken, verkehre in asozialen Kreisen, trinke, habe geschlagen, störe den Alltagsablauf, er ziehe über den eE her, der aE habe kaum Zeit für das Kind, könne mit dem Kind nicht spielen, er mache zu viele Aktionen, er solle erst mal Verantwortung übernehmen, er halte sich nicht an die Regeln des eE, die wenigen Wochenenden/Ferienwochen mit dem Kind wolle der aE dem eE nun auch noch wegnehmen; er quäle das Kind mit seinen Umgangswünschen, sehe nicht ein, dass es nicht will, er treibe sich in der Nähe des Hauses/Kindergartens/Schule herum; bespitzele den eE. Der Wunsch des aE, Kontakt zu seinem Kind zu halten, wird vom eE beschrieben als “Er lässt uns nicht in Ruhe”. Mit dem Satz “Er will die Kinder nur, um seine eigenen Bedürfnisse zu befriedigen, er denkt gar nicht an die Kinder” wird der Eindruck erweckt, der aE missbrauche das Kind irgendwie, gleichzeitig werden dem Kind eigenständige Bindungen und Kontaktwünsche abgesprochen.

Die Motive sind umso stereotyper, je direkter sie eine Vernachlässigung des eE durch das Kind oder den aE umschreiben, z.B. wenn das Kind nicht wie vorher angemahnt regelmäßig aus dem Urlaub mit dem aE anruft. Beispiel aus einem Anwaltsschreiben bezüglich eines 12-jährigen Mädchens, Übergang von leichtem zu mittlerem PAS: “Die Tochter Maria war zwei Wochen mit ihrem Vater in Urlaub. Auch hier hielt sich der Kläger nicht an die entsprechenden Absprachen. Es war vereinbart, dass die Tochter Maria sich bei der Mutter in kürzeren Abständen während der Urlaubszeit über das eingeschaltete Handy meldet. Der Urlaub fand zunächst im Sauerland, dann in München statt. Maria rief zu Beginn des Urlaubs dreimal an und in den restlichen zweieinhalb Wochen nicht mehr. Nach dem Urlaub behauptete der Kläger, dass er die Handynummer seiner geschiedenen Frau nicht mehr gehabt habe, was nachweisbar nicht stimmte. Im Gegenzug hierzu erklärte die Tochter, dass von dem Telefonapparat der Großmutter, wohin der Urlaub führte, ein Telefonat mit einer Handynummer nicht möglich sei. Auch die Tochter Maria ist zwischenzeitlich so verständig, dass sie die Täuschungsmanöver ihres Vaters durchschaut und seit diesem Urlaub erhebliche Schwierigkeiten bereitet, Besuche bei ihrem Vater durchzuführen. Bereits Anfang der Woche kommt die Frage unter Tränen an die Mutter, ob sie wieder am Wochenende zu ihrem Vater müsse.

Das Nächstliegende, dass nämlich das Kind kein weiteres Bedürfnis verspürte, sich ständig zu melden, wird nicht in Erwägung gezogen, wenngleich die Kontrollprozedur schon abwegig und unbegründet erscheint angesichts der Tatsache, dass der aE natürlich keine Meldungen empfängt, wenn sich der eE mit dem Kind in Urlaub befindet. Tatsächlich hatte das Kind mehrfach angerufen, den aE jedoch nicht erreicht, dafür jedoch den Bruder. Dieser Sachverhalt wurde vom eE unterschlagen, um den aE beim Gericht anzuschwärzen.

1.5 Verhalten in der Trennungssituation

Während in etwa der Hälfte meiner begutachteten Fälle der aktive Entfremdungsprozess erst einige Wochen oder Monate nach der Trennung einsetzte bzw. nachdem der aE Umgangswünsche äußerte (vgl. Solomon, 1991), hebt sich davon eine gezielterere Variante ab: Der eE nimmt das Kind nach einer längeren geheimen Vorbereitung ohne weitere Ankündigung und Zustimmung des aE mit (“spurlos verschwunden”, “abends war die Wohnung leer”), ohne dem aE eine neue Adresse anzugeben, sie/er bleibt ggf. für mehrere Wochen oder Monate unauffindbar. In anderen Fällen werden Umzüge an über mehrere hundert Kilometer entfernte Wohnorte vorgenommen mit dem Ziel, damit den Umgang des aE auf Dauer zu erschweren bzw. zu vereiteln (vgl. Brown, 1994).

Beim spurlosen Verschwinden werden oft auch das Auto, Kreditkarten und Wertgegenstände des aE entwendet und hohe Beträge vom gemeinsamen auf das neue Konto des eE übertragen. Im Verhalten von eE finden sich häufig die in einschlägigen “Ratgebern” (z.B. Sprünken, 2001, S. 12, 18, 68) aufgeführten Tricks: “Die Frau wartet, bis der Ehemann freiwillig die Wohnung verlassen hat, und wechselt dann das Türschloss aus.” – “Die Umgangsrechtstitulierung kann faktisch unterlaufen werden, indem das Kind schlicht und ergreifend nicht herausgegeben wird … Hierdurch tritt eine weitere Entfremdung des Kindes vom anderen Elternteil ein. Dies kann letztlich sogar dazu führen, dass bei einer erneuten Entscheidung angesichts der mittlerweile eingetretenen Entfremdung nur noch ein kürzeres Umgangsrecht ausgesprochen wird.” –“Die Ehefrau bietet dem Ehemann an, für den Fall, dass er jetzt einer Übertragung des alleinigen Sorgerechts auf sie alleine zustimme, ihm ein sehr großzügiges, inhaltlich nicht begrenztes Umgangsrecht einzuräumen … Folge: Die Kindsmutter ist alleinige Sorgerechtsinhaberin und bestimmt letztlich auch den Umfang des Umgangsrechtes … das Umgangsrecht sich faktisch nicht vernünftig vollstrecken lässt. … Die Frau kann vor Gericht dauernde Streitigkeiten zwischen Ehepartnern als Grund angeben, dass die Ausübung des gemeinsamen Sorgerechtes weiterhin unmöglich ist. … Der Ehemann hat nunmehr beides verloren, Sorgerecht und großzügiges Umgangsrecht.”

1.6 Entfremdungstechniken und -phasen

Neben diesen allgemeinen Verhaltensindikatoren für eE stellt sich der aktiv betriebene Entfremdungsprozess in Phasen dar, für die bestimmte Strategien und Argumente typisch sind. Nach Clawar und Rivlin (1991, S. 10 ff.) werden acht Stufen als Brainwashing/Programming unterschieden:

  1. Ideologische Auswahl des thematischen Fokus (choosing the thematic focus): Die ‚Themen‘ können eigenen Erziehungsvorstellungen, der Religion, persönlicher Philosophie entnommen sein; häufig wird z.B. der Lebensstil des aE angegriffen, z.B. bestimmte Filme oder Sportereignisse zu sehen, bestimmte Nahrungsmittel zu essen, Kleidung, Musik, Freundschaften, Interessen. Hintergrund kann z.B. eine religiöse Orientierung (“Alkohol ist Ausdruck von Immoralität”) oder eine persönliche Philosophie (“Einen Babysitter anstellen ist Ausdruck von Lieblosigkeit”) bieten.
  2. Stimmungsveränderungstechniken einsetzen (moodinduction techniques)
  3. Sympathie erzeugende Techniken (brainwashing): In diesen zwei Stadien werden Gefühle der Unterstützung, Trauer, Verständnis, Ärger oder andere Emotionen erzeugt, die eine Verbindung zum Kind erleichtern. Das “Programm” wird mit emotionaler Ladung versehen (verlassen, missbraucht, zurückgewiesen, ökonomisch ausgebeutet, unterdrückt, geschlagen, als dumm bezeichnet, lächerlich etc. gemacht worden zu sein). Das Kind dient als Vehikel, das innere Gleichgewicht wiederzufinden. In Interviews lassen sich diese “emotionalen Ladungen” bei Erheben der Beziehungs- und Trenungsgeschichte leicht identifizieren. Häufigste Techniken sind: a) einschüchtern und bedrohen, b) Schuldgefühle auslösen, c) “buy-off”, d) das Opfer spielen, e) suggerieren, dass der aE oder das Kind einsam und ängstlich ist, f) versprechen, sich oder die Situation zu ändern, g) Nachgiebigkeit, h) dem Kind “die Wahrheit sagen über frühere Ereignisse”.
  4. Einhalten der Vorgaben (gaining compliance)
  5. Die Effizienz testen (feedback assessment): Nach erfolgreicher Gefühlseinbindung und Sympathiereaktionen des Kindes beginnt es zu demonstrieren, dass es die Gefühle, Überzeugungen des eE teilt, z.B. “möchte es den aE weniger sehen”. Das Stadium kann im Interview dadurch festgestellt werden, indem der eE gefragt wird, welche Verhaltensweisen er am Kind beobachtet und diese dann mit den Einstellungen des eE dem aE gegenüber vergleicht. Mit Fragen wie “Glaubst du, die Freunde deiner Mutter sind gut genug für dich?” oder “Hast du nicht das Gefühl, du möchtest weniger Zeit beim Papa bleiben?” wird die Effizienz der bisherigen Programmierung getestet.
  6. Loyalität messen (measuring loyality): Das Kind wird gefragt, worüber es mit dem aE gesprochen hat, wen das Kind für den besseren Elternteil hält, bei wem es lieber wohnen möchte. Der Gebrauch von Worten wie “wir”, “uns”, “sie”, “die” kreieren Zusammengehörigkeitsgefühl (Wir haben jetzt unsere neue Familie). Das Kind soll in “Parteien” denken. Auf dem Anrufbeantworter meldet sich “Familie Peters”, wenn es sich z.B. um eine Mutter und die 5-jährige Tochter handelt.
  7. Eskalieren, Intensivieren, Generalisieren: Wenn die ersten sechs Stufen implementiert und erfolgreich “getestet” sind, werden die Themen erweitert, z.B. vom Lebensstil bis zum Freundeskreis, von mangelnder Erziehung bis zum Beruf des aE – letztlich alle Dimensionen des Lebens des aE. Es ist unüblich, dass ein Kind ohne Gehirnwäsche eine generell negative Meinung von einem leiblichen Elternteil hat. Typische Äußerungen von Kindern in diesem Stadium lauten: “Ich will überhaupt nicht zum aE gehen”, “Ich weiß nicht genau, was mir nicht gefällt, ich will einfach nicht da sein” (Clawar und Rivlin, 1991, S. 13).
  8. Erhaltung (continuation/modification of particular brainwashing techniques): Wenn die Programme implantiert sind, genügen leichte Suggestionen oder Erinnerungen zur Erhaltung, wenn ein Richter, Psychologe oder der aE gegen die Beeinflussung arbeitet. Das Kind wird dann (z.B. bei entsprechender Vorgabe des aE) gefragt: “Ja, es stimmt, dein Vater war bei der Geburt dabei, aber frag ihn einmal, wie lange er im Krankenhaus geblieben ist!”

Nach Gardner (1998), der neben diesen aktiven Techniken mehr den eigenen Beitrag des Kindes betont, gibt es auch geschlechtsspezifische Entfremdungstechniken. Einige der folgenden Beispiele entstammen Begutachtungsfällen des Autors:

Mütter

• Manche zerstören beim Auszug des Ehemannes demonstrativ alle möglichen Wertgegenstände und Bilder, die eine Erinnerung darstellen.

• Mit den Kindern werden Schriftstücke der Rechtsanwälte oder des Gerichts diskutiert, um zu beweisen, dass der Vater sie holen will. Dem Kind wird Angst gemacht, der aE könne es z.B. auf dem Schulweg abfangen, es solle die Haustüre nicht aufmachen, da er es sonst holen käme.

Schleichende Allianzen: Mit diesem Begriff lässt sich eine schwer aufzudeckende (da mit positiver Konnotation versehene) Technik umschreiben, welche darauf beruht, dem Kind besondere Autonomie zuzubilligen, wenn es um die Beantwortung von Fragen des aE geht: Fragt der aE den eE z.B., wo nach einem Umzug im Wohnzimmer die Bilder hängen sollten, dann wendet sich der eE demonstrativ erst an das Kind, das darüber entscheiden solle. Dieses fühlt sich aufgewertet und wird künftig eher dahin tendieren, den Wünschen des eE entsprechend zu entscheiden.

• Einem Kind wird gesagt, wenn es zum Vater Kontakt aufnähme, müsse es für immer dort bleiben und würde die Mutter nie mehr wiedersehen. Da die Eltern des Vaters im Ausland lebten, hieß es zusätzlich, es würde dort “einkassiert” und zu den Großeltern entführt werden. Das Kind entwickelte paranoide Panikzustände, verkroch sich weinend unter Tische und in Ecken, wenn es an der Haustür klingelte, bei gerichtlich angeordneten Umgangsterminen entwickelte es massive psychosomatische Störungen, welche schlagartig einen Tag vor den Terminen einsetzten und am folgenden Tag ebenso abrupt aufhörten.

• Es wird erzählt, der Vater bezahle zu wenig Geld, den Kindern wird auch Angst gemacht, sie hätten bald nicht mehr genug zu essen; in einem Fall regte die Mutter an, dem Vater Geld zu stehlen, sonst könne sie nicht einkaufen, ein anderes Kind bestahl den Vater daraufhin von selbst.

• Es wird den Kindern vermittelt, der Vater habe uns, d.h. nicht die Mutter, sondern die Kinder verlassen.

• Kleine Mängel werden übertrieben, aus geringem Alkoholkonsum wird ein Süchtiger, aus einem Falschparker ein Krimineller.

• Einzelne Begriffe werden aus ihrem Kontext genommen: So warf eine Mutter dem Vater vor, er habe zum Sohn gesagt, er sei geldgierig. Tatsächlich hatte der Vater mit dem Kind auf einem Ponton im Neckar Pirat gespielt, man hatte zusammen Muscheln gesammelt, dabei war diskutiert worden, ob der Sohn nun „muschelgierig“ oder „geldgierig“ ist.

• Der aE erhält Horrornamen, z.B. “der Teufel”, “der Dummkopf”, “der Blödmann”.

• Bei Auseinandersetzungen mit dem Kind bemerkt der eE: Wenn du das nicht sofort bleiben lässt, musst du bei deinem Vater wohnen.” Der Satz vermittelt dem Kind den Lebensraum des Vater als Straflager.

• Sucht die Mutter nach der Trennung mit der Behauptung, der Vater schlage oder bedrohe sie, wolle das Kind entführen etc., Zuflucht in einem Frauenhaus, dann entsteht ein entfremdender Effekt auf das betroffene Kind dadurch, dass es dort tatsächlich misshandelte und missbrauchte Kinder vorfindet und die Anschuldigungen des eE an Glaubhaftigkeit gewinnen.

• Eine der krassesten Entfremdungsmethoden besteht darin, ein Kind, das wegen der Trennung vom aE in Verzweiflung gerät, in kinderpsychiatrische Behandlung zu geben, wo es dann wegen Hyperaktivität unter Umständen mit dem umstrittenen Medikament Ritalin behandelt wird. Das nachvollziehbare Verhalten des Kindes wird zunächst vom eE als Ausdruck einer Krankheit definiert, die Eigendynamik des auf Symptome fixierten medizinischen Systems führt dann vielfach zu einer psychiatrisch-medikamentösen Beeinflussung, mit der dem Kind letztlich sein natürlicher Wunsch nach Kontakt zum aE wegtherapiert wird. Es werden ärztliche Atteste verlangt, die beweisen sollen, dass Verhaltensauffälligkeiten/Aggressionen vor bzw. Nach den Besuchen des aE auf dessen unangemessenes Verhalten zurückzuführen seien (Andritzky, 2002, 2002a).

• Die kreativen Möglichkeiten, den Vater schlecht zu machen, sind unerschöpflich: Ruft z.B. der aE an und will seinen Sohn sprechen, dann wartet der eE eine Zeit lang schweigend und sagt dann so laut, dass es das Kind horen kann: “Es ist gut, dass Peter dich jetzt nicht hören kann”, oder: “Wenn er das gehört hätte, würde er sicher kein Wort mehr mit dir reden”. Noch raffinierter wird dem Kind ein negativer Eindruck vermittelt, der Vater halte ihn für unnormal, wenn die Mutter in den Hörer ruft: “Das ist deine Meinung, meiner Meinung nach ist er ein völlig gesunder Junge!” Sobald das Gespräch beendet ist, erklärt der eE dem Kind, der aE halte es für krank oder gestört und bietet sich selbst als Beschützer an.

• Manche Mütter empfangen den Vater bei einem Besuch an der Haustür, stürzen dann in eine Ecke und schreien, wenn die Tochter noch im ersten Stock auf den Vater wartet: “Nein, schlag mich nicht schon wieder.” Der Vater soll dem Kind als Schläger erscheinen.

• Ältere Geschwister mit ausgeprägtem PAS dienen jüngeren als Vorbild, diese orientieren sich an deren Äußerungen (“Ich mache dasselbe, was Monika auch sagt”)

Weitere Standardtechniken sind: Der aE wird als unfähig zur Betreuung des Kindes bei Krankheit gebrandmarkt

• Jede Kontaktaufnahme wird als Belästigung definiert, welche die Routine unterbricht (“Wir essen jetzt zu Abend!”, “Petra ist jetzt in der Badewanne!”). Andere eE beginnen, vor den Übergaben an den aE demonstrativ zu weinen und vermitteln dem Kind dadurch intensive Schuldgefühle.

• Jeder Wunsch nach Erweiterung des Kontaktumfanges ist “noch zu früh”, “es geht zu schnell”. Wenn nach erfolgreichem Umgangsboykott ein Gerichtsbeschluss die Wiederaufnahme des Umgangs mit dem aE anordnet, heißt es: “Das Kind muss sich erst langsam wieder an den Vater gewöhnen.” Tatsächlich lässt sich beobachten, dass auch nach längerer Kontaktunterbrechung (1/2 bis 1 Jahr) der Umgang in kürzester Zeit ungezwungen erfolgt (sofern beim Kind keine schwere Form des PAS vorliegt).

• Einen den aE herabwürdigenden Effekt haben sarkastische Bemerkungen des eE wie z.B. bei Entgegennahme eines Geschenks: “Das soll ein Geschenk sein?”, bei einer Einladung des Kindes zum Fußball: “Ist es nicht toll, dass er dich zum Fußball mitnimmt?”

• Das Kind wird mit Aussagen konfrontiert, welche ihm unterstellen, es sei ihm eine Qual, den aE zu besuchen (“Du musst den Vater besuchen, wenn nicht, bringt er uns vor Gericht”). Wenn das Kind das Haus verlässt, ruft ihm die Mutter nach: “Ich habe alles getan, um dir die Besuche zu ersparen, aber der Richter bestand ja darauf”, “Ich bin bei dir und bete für dich!’’, “Es ist ja nur das eine Wochenende!” Ein eE sagte bei der Rückkehr des Kindes vom Besuchswochenende an der Haustür zu ihm: “Jetzt bist du kaputt, nicht?”

• Eigenständige, dem Kind wichtige emotionale Kontakte werden auf ein Minimum reduziert. Hier ist insbesondere der Wunsch des Kindes, ein Tier zu besitzen, zu nennen. Wenn es sich dabei um Hunde, Katzen, Hasen handelt, die man streicheln kann und mit denen sich spielen lässt, so wird dies vom eE meist abgelehnt, lediglich Kanarienvögel werden zugelassen. Wenn das Kind seinem Wunsch nach einem Tier dem aE gegenüber Ausdruck verleiht, dann geschieht es, dass das Kind z.B. einen Hamster zu Weihnachten geschenkt erhält, den der aE dann nach erbitterten Diskussionen wieder zurücknehmen muss.

• Fortwährende Selbstinszenierung des eE als Opfer (“geschlagen werden”, “sich bedroht fühlen”, “immer putzen müssen”, “hat sich nie gekümmert”) führt beim betroffenen Kind auf suggestivem Wege zur unbewusster Identifikation und Ablehnung des aE.

• Das wenig ausgeprägte Zeitempfinden des Kindes wird genutzt: Zu einem anstehenden Umgangstermin, den das Kind zeitlich nicht berechnen kann, bietet der eE dem Kind ein attraktives Ereignis an (z.B. Kindergeburtstag) und teilt dem aE mit, der Termin müsse leider ausfallen, da das Kind gerne dorthin wolle. Besteht der aE auf seinem Besuchstermin, wird er als egoistisch bezeichnet. Im Unterschied zu kooperativen Eltern, welche jeweils einen Ersatztermin anbieten oder den aE das Kind zu dem Ereignis begleiten lassen, geht es eE darum, den Kontakt einzuschränken und mit jedem ausgefallenen Termin zu halbieren.

• Typisch für die Anfangsphase eines Entfremdungsprozesses ist die Frage des eE an das Kind, es könne den aE selbstverständlich besuchen, “wenn du das gerne willst”. Gleichzeitig betont der eE : “Ich wäre die/der Letzte, die ihr/ihm da Steine in den Weg legen würde.” Die scheinbar auf den freien Willen abhebende Frage suggeriert dem Kind, der eE könnte sehr wohl Gründe haben, dass es den aE nicht besuchen solle und induziert damit erste Zweifel.

Väter

Grundsätzlich finden sich die für die Mütter beschriebenen Methoden auch bei entfremdenden Väter (Gardner, 1998, S. 156 ff.). Besonderheiten sind:

• Es werden aus Zeitmangel spezielle Programmiersitzungen veranstaltet

• Kleidung mit Flecken wird fotografiert und dem Kind gesagt: “Ich muss das fotografieren, um es dem Richter zu zeigen, dass die Mutter nicht richtig für euch sorgt.”

• Die Mutter wird gegen 17 statt zum Schulschluss um 15 Uhr an die Schule bestellt und wird vom Sohn begrüßt: “Du kümmerst dich nicht um mich, kommst immer zu spät, wahrscheinlich warst du mit deinem neuen Freund im Bett.”

• Den Kindern wird erzählt: “Sie behandelt euch wie ein Stück Scheiße und merkt gar nicht, was sie euch antut”; das ältere Kind wird angehalten: “Deine Aufgabe ist es, die anderen vor ihr zu schützen.”

• Die Fantasie wird angeregt durch Andeutungen wie: “Ich könnte dir Sachen über die Mama erzählen, da würden dir die Haare zu Berge stehen, aber ich gehöre nicht zu der Sorte, die den anderen Elternteil vor den Kindern kritisiert.”

• Als sich der Gutachter mit der Mutter vor dem Gerichtssaal Sabrina nähert, klammert sie der Vater und sagt: “Keine Angst Sabrina, ich pass auf dich auf.” Zu beiden gewandt: “Wenn ihr nicht verschwindet, hol ich die Wache!”

• Dem neuen Partner der Mutter wird vorgeworfen, “Analsex mit dem Jungen gehabt zu haben”. Während des Gottesdienstes (Beispiel aus den USA!) geht der Vater vor den Altar und bittet die Gemeinde, für seinen Sohn zu beten, da er vom Freund der Mutter sexuell belästigt würde.

• Ein Vater ließ die Kinder Kriegslieder singen, sammelte Militärandenken, machte Militärübungen mit ihnen und ließ sie die Mutter angreifen. Auf Anrufe der Mutter, damit aufzuhören, sollten sie einfach nicht reagieren.

• Als die Kinder ihre Mutter trotzdem weiter besuchen wollten, nachdem der Vater das Sorgerecht erhielt, rief der Vater demonstrativ die Mutter an und kündigte (fiktiv) an, der Junge werde sogleich vorbeikommen. Der Vater setzte den Jungen auf dem Weg zur Arbeit an der Tür der Mutter ab, die gar nicht anwesend war. Das Kind bekam Panik, lief zu Nachbarn, beschimpfte die später zurückkehrende Mutter als Lügnerin und wollte sogleich zum Vater zurückgebracht werden.

• Ein anderer Vater erklärte den Kindern, die Mutter habe sie an ihn verkauft, zeigte als Beleg dafür Unterhaltsschecks der Mutter vor. Zur Mutter sagten die Kinder: “Du bist nicht länger unsere Mutter, du hast uns an den Vater verkauft!

Gemeinsames Ziel der verschiedenen Entfremdungstechniken ist es, die emotionalen Bindungen des Kindes an den aE zu zerstören. Retrospektive Befragungen beider Eltern ergeben meist, dass vor Beginn der Umgangs- bzw. Sorgestreitigkeiten das Kind die für eine sog. sichere Bindung typischen Reaktionen (vgl. Bowlby, 1975) flexiblen Explorierens und freudiger Begrüßung bei der sog. Wiederannäherung nach Trennung zeigte und beim Weggang der Bindungsperson Nachlaufen, -blicken, Trauer etc. Zum Untersuchungszeitpunkt sind bei Fällen mit einem Entfremdungssyndrom dagegen sowohl gegenüber dem aE wie auch beim eE die Merkmale unsicherdistanzierter (Ignorieren, keine oder unmerkliche Begrüßungsund Trennungsreaktionen) oder desorganisierter Bindung (z.B. bizarres Verhalten, Hinfallen, Selbstverletzungen) anzutreffen.

Vor dem Hintergrund der Entfremdungstechniken im Zusammenhang mit dem Sorgerechts- oder Umgangsproblem wird deutlich, dass der Begriff “Elternstreit” (parental conflict) hier fehl am Platze ist: Der Elternteil, der das Kind an sich gebracht hat oder bei dem es vor der Trennung lebte, tritt nun aktiv als Angreifer auf, der aE gerät aufgrund fehlender Rechtsposition oder Durchsetzbarkeit in eine Opferrolle, sein Streitbeitrag resultiert zunehmend aus (reaktiven) Frustrationen. Der Entfremdungsdynamik entspricht damit weniger ein Streit-Paradigma, sondern eine Täter-Opfer-Beziehung.

2 Zum Persönlichkeitstyp entfremdender Elternteile und zu den Entwicklungsrisiken betroffener Kinder

Wenn im Weiteren die Person des eE thematisiert wird, soll damit keine Gleichung vom Typ “eE ist krank – aE ist gesund” und damit ein Gewinner-Verlierer-Modell (Lund, 1995) suggeriert werden, sondern lediglich der den Entfremdungsprozess vorantreibende und damit das Kindeswohl schädigende Elternteil in den Mittelpunkt gestellt werden. Die Frage nach den Persönlichkeitsstrukturen der aE, der Partnerwahl und Beziehungsdynamik bleiben eigenen Studien vorbehalten.

2.1 Entfremdendes Verhalten als Ausdruck einer Borderline-Persönlichkeitsstörung

(Borderline Personality Disorder, BPD)

Bei näherer Betrachtung der unter Punkt 1 phänomenologisch und psychodynamisch imponierenden Erlebens-, Denk- und Verhaltensmuster entsprechen die Selbst- und Fremdbeschreibungen von eE, deren Kinder mittlere bis schwere Entfremdungs-Symptome aufweisen, den Merkmalen und der Psychodynamik der Borderline-Persönlichkeit. Die Symptombeschreibungen von Borderline-Persönlichkeiten durch verschiedene Autoren überschneiden und ergänzen sich gegenseitig:

a) Eine der ersten Beschreibungen von BPD stammt von Stern (1938), der Narzissmus (überhöhtes, aufgeblähtes Selbstbild), geringe Frustrationstoleranz bei Stress, Überreaktionen bei milder Kritik bis hin zu paranoiden Reaktionen, Projektion als Abwehrmechanismus (an allem was schief geht, ist jemand anders schuld) und Unfähigkeit, Routine und Regelmäßigkeit zu ertragen, beschrieb.

b) Grinker et al. (1968) betonen Ärger als Hauptemotion, wenige persönliche Beziehungen, chronische Depression; Kernberg (1967) das falsche Ego (fassadäre Persönlichkeit) und die Spaltung in gute und böse Objekte (jemand ist “nur gut” , der/die andere “nur schlecht”).

c) Nach dem psycho- und gruppendynamischen Ansatz (Ammon, 1979, S. 327 ff.) ist der Borderline-Patient nur schwer als psychisch krank zu erkennen, er funktioniert in der Arbeitswelt oft gut, kann mit sich selbst jedoch wenig anfangen, er hat ein Gefühl der inneren Leere, Verhaltensweisen können wie bei einer multiplen Persönlichkeit innerhalb weniger Stunden wechseln. Zwei Haupttypen werden unterschieden: der Depressive mit Hunger nach Beziehungen und der Schizoid-Zurückgenommene, der sich von Bezugspersonen eher gestört fühlt, hat häufig wechselnde Partnerschaften; in seiner Kindheitsgeschichte wurde nicht mit ihm, sondern über ihn gesprochen, das Familienleben ist an äußeren Maßstäben (Geld, Erfolg, Schulnoten) ausgerichtet. Ein Defizit an Fürsorge und Liebe und eine repressiv-autoritäre und aufs Äußere bedachte Erziehung (Regeln, Grenzen setzen) zeichnen die ersten Lebensjahre späterer Borderline-Persönlichkeiten aus. Andererseits sind die sog. sekundären Ich-Funktionen wie Sprache, Denken, Gedächtnis und Intelligenz bei Borderline-Störungen oft gut ausgeprägt (vgl. Ammon, 1979, S. 334).Dem Kind wird jedoch unbewusst ein Wahrnehmungs- und Kontaktverbot vermittelt, welches es am Verlassen der Symbiose mit der Mutter hindert (vgl. “narzisstischer Missbrauch”). Es darf “die Realität nur mit den Augen der Mutter wahrnehmen, d.h. im Sinne der Bedürfnisse der Mutter”. Stimmungsmäßig ist ein Umkippen fantasierter Omnipotenz in tiefe Minderwertigkeitsgefühle bei Konfrontation mit der Realität zu beobachten; Versuche von eE, die Umgebung zu lähmen, Eindeutigkeit und Klärung zu vermeiden, sind im Rahmen von Beratungs-, Therapie- und Gerichtssituationen häufig zu beobachten.

Mangels eigener Identität leihen sich Borderline-Persönlichkeiten denkerisch die jeweilige Position von anderen: “Der Borderline-Patient projiziert eigene Gefühle, Ängste und Probleme auf andere Menschen und verhält sich dann entsprechend seiner projektionsbedingten Realitätswahrnehmung.” (Ammon, 1979, S.335) Dieser Umstand zeigt sich nicht nur in Diskussionen, die jeweils streng spiegelbildlich verlaufen, sondern auch in den Akten der Familiengerichte, wo in den Anwaltsschreiben objektivierbare Argumente gegen den eE als dessen eigene Argumente umfunktioniert und (in einem zirkulären Prozess endlos) weiterverwertet werden.

Nach Masterson (1980) werden von BPD-Eltern bereits in der Separations-, Individuationsphase (18.-36. Lebensmonat) regressive Verhaltensweisen des Kindes belohnt. Da der eE nur formal (Versorgung), jedoch nicht emotional für das Kind verfügbar ist, fehlt ihm ein gefühlsmäßiger und kognitiver Spiegel, Selbst- und Objektrepräsentanzen differenzieren sich nicht aus, es imponieren zeitweise tranceartige Zustände. Da die Integration “guter” und “böser” Objektrepräsentanzen misslingt, kann das Kind auch keine Objektkonstanz aufbauen, es wirkt weinerlich und abhängig von der gerade anwesenden Person. Die für eE typische Infantilisierung des Kindes äußert sich auch darin, dass es für einen eigenen Willen unreif und generell als entscheidungsunfähig angesehen wird, eine emotional begründete Präferenz zu äußern, bei wem es z.B. nach der Trennung lieber leben möchte.

d) Die am häufigsten verwandte Symptomliste ist das DSMIV (American Psychiatric Association, 1994) mit neun Leitsymptomen:

  1. Große Anstrengungen, Verlassenheit zu vermeiden (Verlassenheitsängste auch nach Kurzzeitkontakten, Panik, wenn jemand zu spät kommt)
  2. Instabile und intensive persönliche Beziehungen (rascher Wechsel von anfänglicher Idealisierung zu Abwertung)
  3. Identitätsverwirrung und instabiles Selbstbild (plötzliche Änderungen im Selbstbild, Wertungen, Zielen, Meinungen; Gefühl, “schlecht” zu sein, gar nicht zu existieren (insbesondere in Situationen ohne Partnerbeziehung und Unterstützung)
  4. Selbstschädigende Impulsivität in zwei Bereichen (z.B. Verschwendung, Sexualität, Drogenmissbrauch, gefährliche Fahrweise)
  5. Suizidale und Selbstverstümmelungs-Tendenzen
  6. Affektive Instabilität (dysphorische Grundstimmung wechselt mit Ärger, Panik, Verzweiflung, Depression)
  7. Chronisches Gefühl der Leere (dauernde Suche nach Beschäftigungen)
  8. Unangemessener Ärger (Wutausbrüche, physische Auseinandersetzungen, insb. Bei Vernachlässigung durch Liebhaber, Sorgeperson)
  9. Stressabhängig paranoide oder dissoziative Symptome

Im Rahmen von Sorgerechts- und Umgangsstreitigkeiten ist das Vorliegen der Borderline-Symptome und –Psychodynamik mit den Abwehrmustern der Projektion, Spaltung, Verleugnung und anfänglicher Idealisierung bei den eE anhand folgender Merkmale zu erkennen:

  • den Erlebensbeschreibungen aus der Vorgeschichte der Beziehung
  • den Hauptkonflikten während der Beziehung (“ewiges Hin und Her”, Kommunikationsstörungen, Gewaltepisoden)
  • den Ausführungen zum Trennungsprozess (“Angst”, “Gewalt”, fehlende Selbstkritik)
  • em Erziehungsstil (anpassungs- und regelorientiert)
  • den Beschreibungen der “Defizite” des aE (“kümmerte sich nicht genug um mich”)
  • den (irrationalen) Begründungen für Umgangsboykott oder Ausgrenzung des aE
  • der Beschreibung der Beziehung des eE zum Kind (“Schmusen”, “findet mich gut”, narzisstische Bestätigung)
  • Der Kommunikationsstil mit dem Kind entspricht dem “double-bind”-Muster: Das Kind wird tendenziell handlungsunfähig bzw. im ‚eigenen Willen’ verunsichert, wenn ihm auf zwei Kommunikationskanälen widersprüchliche Botschaften vom eE gesandt werden, z.B. verbal: “Ich ware die Letzte, die xy den Umgang mit dem Vater verwehren würde” oder: “Wenn du willst, kannst du deinen Vater jederzeit anrufen”. Nonverbal: Ärgerliche Reaktionen bei Anrufen oder Schweigen beim Thema aE, Weinen und Verstimmtheit des eE bei Übergaben des Kindes an den aE.

Testpsychologisch fanden Siegel und Langford (1998) im MMPI-2 beim Vergleich mit einer unauffälligen Kontrollgruppe bei 34 weiblichen alienators signifikant erhöhte Kund niedrigere L-Skalenwerte, d.h. ein Bestreben, als möglichst fehlerlos und ohne emotionale Probleme zu erscheinen. Zuzuordnende Abwehrmechanismen sind Projektion, Verleugnung und Spaltung. Eine geringe Bereitschaft, mit dem anderen Elternteil und zum Wohle eines Kindes zu kooperieren, fanden auch Ehrenberg et al. (1996) bei Eltern mit narzisstischen Störungen. Die Skalenwerte deuten auch auf einen Spaltungsmechanismus dergestalt hin, dass sich der entfremdende Elternteil als nur gut, den anderen Elternteil als nur schlecht darstellt.

Das PAS-Merkmal fehlende Ambivalenz beim Kind stellt offensichtlich eine Übernahme dieses Persönlichkeitsmerkmals des entfremdenden Elternteils dar: Die K- und L-Skalenwertverteilung der alienators verweist auf ein niedriges Strukturniveau, eine Tendenz zur Verleugnung und Realitätsverzerrung (vgl. Green, 1991; Graham, 1993) und deutet die Nähe zu Suchtpersönlichkeiten an.

Die Schwierigkeit, eE als Borderline-Persönlichkeiten zu erkennen, besteht wie bereits erwähnt in deren chamäleonhafter Anpassungsfähigkeit, sie sind redegewandt und “normaler als normal”, fühlen sich erst in dem Moment bedroht, wenn die Beziehung des Kindes zum anderen Elternteil thematisiert und auf den Kontakt des Kindes zum anderen Elternteil als ein Recht des Kindes aufmerksam gemacht wird.

Die für eE typische Distanzlosigkeit und das Saugende im Kontakt mit ihnen, ihre abstrakt-entseelte Sprache (“immer”, “nur”) und Unfähigkeit zu selbstkritischer Reflexion sind auch charakteristisch für Suchtverhalten, das das Leeregefühl reduziert (vgl. Heigl-Evers et al., 1992, S. 12 ff.). Anstelle eines Suchtstoffes ist es hier das abhängige Kind, das dem eE ein grandioses Selbstgefühl verschafft, mit dem er seine Selbstunsicherheit kompensiert und das ihm Selbstbestätigung sichert. Wird eE durch Kontaktansprüche des aE (Umgang, Sorgerecht) das Suchtmittel Kind auch nur zeitweilig entzogen, reagieren sie ebenso panikartig und mit vegetativen Begleitsymptomen wie Drogenabhängige in der Entzugsphase.

Spezielle Forschungen zu Struktur und Dynamik in den Herkunftsfamilien der entfremdenden Elternteile sind noch selten. Bei Vergleichen von kinderentführenden (abductors) und den zurückgebliebenen (left behind) Elternteilen fanden Johnston und Girdner (2001) bei den abductors folgende Merkmale:

  • Verleugnen des Wertes des anderen Elternteils für das Kind, nur sie selbst wissen, “was gut für das Kind ist”.
  • Die Kinder sind meist zwischen 2 und 3 Jahre alt, leicht mitzunehmen, sie zeigen keinen verbalen Protest, können sich anderen nicht mitteilen.
  • Die Entführer/-innen erfahren Unterstützung von ihrer Familie, Freunden und kultähnlichen Gruppen.
  • Ihre (illegalen) Aktionen werden nicht als moralisch verwerflich betrachtet, nicht einmal bei gerichtlichen Anhörungen.

Es ließen sich zusätzlich sechs Risikotypen identifizieren:

  1. Eltern, die bereits glaubhafte Androhungen von Entführungen gemacht haben oder den Umgang behinderten, besonders wenn sie arbeitslos und ohne emotionale Bindungen am Wohnort sind und bereits hohe Geldbeträge abgehoben haben.
  2. Wenn ein Elternteil Missbrauchsvermutungen äußert und ernsthaft glaubt, der andere Elternteil vernachlässige oder missbrauche ein Kind. Es wird dann versucht, das Kind durch Umgangsbehinderungen oder Entführung zu “retten”.
  3. Paranoide Wahnbildungen über den anderen Elternteil, z.B dass dieser mit dem Kind Gehirnwäsche betreibe. Ferner Gefühle, früher betrogen und ausgebeutet worden zu sein, Rachegefühle.
  4. Vorliegen psychopathischer Züge, Selbstbezogenheit, hochgradig manipulativer Umgang, Überzeugung eigener Überlegenheit, meist vor dem Hintergrund häuslicher Gewalt in der eigenen Kindheit. Das Kind kann nicht als eigenständiges Wesen wahrgenommen werden, sondern als Instrument der Rache oder als Trophäe.
  5. Wenn eine binationale Ehe geschieden wird bzw. Partnertrennung vorliegt, intensive Bindungen an eine Großfamilie im Heimatland bestehen und dieses idealisiert wird.
  6. Eltern ohne Kenntnisse der Rechtslage; mit schlechten Vorerfahrungen mit Familiengerichten; Angehörige ethnischer Gruppen mit speziellen Erziehungsidealen; außereheliche Mütter mit kurzem Kontakt zum Vater betrachten das Kind als exklusives Eigentum; Opfer tatsächlicher häuslicher Gewalt seitens des anderen Elternteils.

Insbesondere die Merkmale zu 1, 2, 5, 6 ergänzen diejenigen zur Borderline-Persönlichkeit und ermöglichen eine recht sichere Einschätzung, ob man einen Risiko-Elternteil vor sich hat, der beabsichtigt, ein Kind zu entfremden oder zu entführen.

2.2 Narzisstischer Missbrauch

Wie bereits erwähnt ist für die Borderline-Persönlichkeit ein Gefühl innerer Leere typisch, das mit dem allgegenwärtigen Bestreben kompensiert wird, Bestätigung und narzisstische Zufuhr zu erhalten, weshalb der entfremdende Elternteil sich an das Kind wie ein Ertrinkender an einen Strohhalm klammert. Heyne (1993) charakterisierte die für ein Kind daraus resultierende Psychodynamik treffend als narzisstischen Missbrauch und schildert anschaulich die Verhaltens- und Erlebensweisen:

“Hierunter verstehe ich Beziehungskonstellationen zwischen Mutter und Kind, in denen die Befriedigung der narzisstischen Bedürfnisse der Mutter unter Ausnutzung der Abhängigkeit des Kindes im Vordergrund steht. Narzisstisch ausbeuterische Beziehungen zeichnen sich durch ihren symbiotischen Charakter aus: Das Kind ist sozusagen ein von der Mutter geschaffenes ‚Ding’, das sie wie einen unabgegrenzten Teil ihrer selbst erlebt, über den sie beliebig verfügen kann. Sie kann das Kind nicht als eigenständiges Wesen wahrnehmen und in seiner Eigenart anerkennen; statt dessen stülpt sie ihm narzisstische Bedeutungen über, die auf ihre eigene Person bezogen sind; sie idealisiert das Kind und spricht ihm Eigenschaften und Verhaltensweisen zu, die allein ihren Vorstellungen darüber, wie das Kind sein sollte, entspringen. Das Kind hat in einer solchen Beziehung die Aufgabe, das als mangelhaft empfundene Ich der Mutter zu vervollständigen und das ‚Loch im Ich’ der Mutter wie eine Plombe zu füllen. Zuwendung erfährt es nur, insoweit es den Erwartungen der Mutter entspricht. Autonomiebestrebungen des Kindes werden unterbunden, bestraft und mit der Erzeugung von Schuldgefühlen belastet bzw. nur soweit zugelassen, wie sie im Dienste der mütterlichen Bedürfnisbefriedigung narzisstisch ausbeutbar sind. Jedes Abweichen von den Erwartungen der Mutter wird von ihr als verletzender oder aggressiver Akt, als Ausdruck der Verrats empfunden. Innere wie äußere Trennungen aber müssen um jeden Preis vermieden werden. Daher entbrennt ein Machtkampf nicht nur hinsichtlich des Verhaltens des Kindes, sondern auch hinsichtlich der Kontrolle seiner Gefühle und Gedanken. Die Mutter ist davon überzeugt, das Kind besser zu kennen, als es sich selber kennt. Besser als das Kind meint sie zu wissen, was es wirklich denkt, fühlt, will und braucht und was es demzufolge zu denken, zu fühlen, zu wollen und zu tun hat. Es reicht ihr aber nicht aus, wenn es sich ihren Erwartungen lediglich beugt: Es soll selber wollen, was es soll, sich also ganz und gar mit dem Bild, das sie von ihm entworfen hat, identifizieren, und sei es ihm auch noch so wesensfremd. Negative Gefühle wie Verletztheit, Ärger, Wut und Haß sind dem Kind nicht bzw. nur insoweit, als sie auch für die Mutter einen Zweck erfüllen, gestattet, da sie eine Art von Abgrenzung darstellen, die Konflikt und damit zumindest vorübergehend innere Trennung mit sich bringt. Hinsichtlich eigener Gefühle und Bedürfnisse unterliegt das Kind einem regelrechten Denk- und Wahrnehmungsverbot, und da es sie weder wahrnimmt noch zum Ausdruck bringen darf, erlebt es diese Gefühle als nicht zu sich gehörig und insofern als unwirklich. Irgendwann wird es sie schließlich gar nicht mehr identifizieren können; statt dessen wird es fühlen, was es meint fühlen zu müssen, und diese fremdbestimmten Regungen wird es mit authentischen Gefühlen verwechseln …”

Da das Kind wie ein lebendes Antidepressivum mittels Rollenumkehr (Parentifizierung) die emotionale Leere des eE ausfüllt, entstehen bei ihr/ihm Therapiemotivation und Leidensdruck erst, wenn die symbiotische Bindung an das Kind durch einen gesicherten Umgang mit dem anderen Elternteil aufgelockert ist und die Verlustangst unmittelbar gespürt werden kann. Jedes Mitagieren mit den Ausgrenzungsabsichten des entfremdenden Elternteils stellt hier einen behandlungstechnischen Kunstfehler dar und belastet das Kind weiter mit dem emotionalen Sog.

Als Theaterstück wurde die Geschichte eines narzisstischen Missbrauchs von August Strindberg im leider nur selten gespielten Stück “Mutterliebe” zwischen einer Mutter und ihrer Tochter dargestellt: Als der Vater, von dem die Tochter bisher nichts wusste, Kontakt zur Tochter aufnehmen will, zieht die Mutter alle Register der Manipulation der Tochter. Nach einem nicht leichten Kampf der Tochter mit der übermächtigen Mutter resigniert die Tochter und beschließt, das Leben nicht zu wagen und in der Abhängigkeit von der Mutter zu verbleiben.

2.3 Entwicklungsrisiken für Kinder von Borderline-Elternteilen

In den auf Mütter ausgerichteten empirischen Untersuchungen (die z.B. für allein erziehende BPD-Väter analog gelten dürften) wurden für die Kinder zahlreiche Risikofaktoren gefunden: Psychiatrisch zu erkranken, geringe Impulskontrolle, eigene BPD-Erkrankung, Aufmerksamkeitsdefizit-Störungen (Weiss et al., 1996), traumatische Eigenerfahrungen (Shachnov et al., 1997), negatives Familienbild (Gunderson, 1997), Irritierbarkeit, sexueller Missbrauch (James und Vereker, 1996). Von sozialen Unterstützungssystemen (z.B. Vater, Familie, Freundeskreis) abgeschnittene Familien (nach Trennung/Scheidung z.B. durch Wegzug in eine andere Stadt) erzeugen eher BPD (Corwin, 1996). In einer Untersuchung zur Mutter- und Vater-Kind-Interaktion fanden Bezirganian et al. (1993), dass mütterliches inkonsistentes Erziehungsverhalten das Auftreten oder Andauern einer BPD vorhersagt.

Kinder von Borderline-Persönlichkeiten haben im Vergleich zu einer Kontrollgruppe ein signifikant erhöhtes Risiko, ebenfalls an BPD, an Alkoholismus, affektiven Störungen und dissozialem Verhalten zu erkranken (Baron et al. 1985). Die Eltern von BPD-Kindern hatten signifikant höhere Raten an Psychopathologien, insbesondere Substanzabhängigkeiten, Depression und dissozialem Verhalten (Goldmann et al., 1993). Im Vergleich einer Gruppe von Borderline-Schulkindern zu einer Kontrollgruppe sprechen Guzder et al. (1996,1999) von cumulative parental dysfunction scores. Hauptrisikofaktoren waren physischer und sexueller Missbrauch, schwere Vernachlässigung (severe neglect), Familienzerfall (family breakdown), elterlicher Substanzmissbrauch oder Kriminalität (Guzder, 1996). Bei Mädchen finden sich eine geringere positive feminine Identifizierung, erhöhte Trennungsangst, Objekthunger nach männlichen Bezugsobjekten. Mit 63% Wahrscheinlichkeit entstehen psychologische Probleme wie Angst, Trauer, Phobien, Depression, mit 43% Aggressivität gegenüber den Eltern (Lohr et al., 1989); mit 30% eine deutlich niedrigere intellektuelle Leistung (Bisnaire et al., 1990), signifikant erhöhte Alkohol- und Drogengefährdung (Frost und Pakiz, 1990), geringes Selbstwertgefühl, vorzeitige sexuelle Betätigung (Parish, 1987; Kalter, 1987), negatives Vaterbild (Drill, 1986).

Kinder von Borderline-Müttern erwarten, dass sich Menschen ihnen gegenüber ebenso verhalten (Borderline-Übertragung), sie z.B. bei kleinen Ungeschicklichkeiten, dem Vertreten eigener Meinung oder Normübertretungen heftig zurückzuweisen. Als Erwachsene geben sie dann an, sich “wie Kinder zu fühlen, die vorgeben, Erwachsene zu sein”. Trotz durchschnittlichem äußerem Erfolg haben sie häufig das Gefühl, bestandene Prüfungen und Examen nur durch Betrug geschafft zu haben. Das basale Selbstwertdefizit des Borderline-Patienten wird äußerlich durch Überanpassung abgewehrt, innerlich fluktuiert das Selbstgefühl zwischen attraktiv, kompetent und sozial einerseits und hässlich, inkompetent, unsozial andererseits (Glickauf-Hughes und Mehlmann, 1998, S. 301).

Borderline-Mütter verursachen im Vergleich zu einer Kontrollgruppe (Mütter mit anderen Persönlichkeitsstörungen) für die Kinder häufigeren Wohnortwechsel, Schulwechsel, Gefährdung durch Substanzmissbrauch und Suizid, was das Risiko künftiger Psychopathologien der Kinder erhöht (Feldman et al., 1995). Als Risikofaktoren für BPD fanden Links et al. (1988) BPD bei den Eltern, Alkoholismus, affektive und antisoziale Persönlichkeitsstörungen. Nach der Studie von Shachnow et al. (1997) weisen die Mütter von BPD-Patienten hohe Raten an depressiven Störungen, die Väter hohe Raten an Substanzmissbrauch auf.

Borderline-Mütter fühlen sich von den Kindern überwältigt, ganz normale Bedürfnisse des Kindes erleben sie als Forderungen, auf die sie mit Ärger reagieren (Holman, 1985). Eigene Erregungszustände werden in das Kind projiziert, sie sind unfähig, das Kind vor traumatischen Stimuli zu schützen und Nähe/Distanz angemessen zu regulieren. Bei der Untersuchung von neun 5-7-jährigen Kindern fanden Danti et al. (1985), dass alle Kinder einfache Bedürfnisse nur mit hohem emotionalem Aufwand befriedigt bekamen: Sie drückten Bedürfnisse durch Verweigerung, aggressives Agieren, selbstverletzendes Verhalten und Rollenumkehr aus; sie zeigten Verlassenheitsängste, bewerteten sich selbst abwechselnd als gänzlich schlecht oder gänzlich gut. Ihr Verhalten wurde bei affektiver Stimulation desorganisiert, sie zogen sich in Fantasiewelten zurück.

Im Rahmen von familienpsychologischen Begutachtungen bei Sorgerechts- und Umgangsstreitigkeiten gewinnen Studien über das Vorliegen protektiver Faktoren eine praktische Bedeutung: Während früher davon ausgegangen wurde, dass “die Mutter eines jeden Borderliners selbst ein Borderliner war” (Masterson, 1972, S. 7), können nach neueren Studien Faktoren definiert werden, welche die Folgerisiken für das Kind mindern. Zunächst zeigen Borderline-Mütter unterschiedliches mothering, je nach Geschlecht, Geburtsreihenfolge, Temperament des Kindes und beider Eltern, sie können sich feinfühlig zeigen, ebenso jedoch auch die bekannten symbiotischen, missbrauchenden und misshandelnden Verhaltensweisen, welche meist hinter einer freundlichen Fassade verborgen auftreten. Glickauf-Hughes und Mehlmann (1998) untersuchten neun neurotische, Nicht-Borderline-Patienten, die sich mit Symptomen instabilen Selbstwertgefühls, Abhängigkeitswünschen und Depressionen – aber stabilem Selbstbild und sozial integriert – in einer Langzeitanalyse befanden. Sie beschrieben ihre Borderline-Mütter als gespaltene Personen – freundlich in einem Moment, wütend im nächsten – (“Dr. Jekyll und Mr. Hyde”), als klammernd, als mit Rückzug bestrafend (z.B. durch tiefes Schweigen), wenn sie autonome Impulse zeigten, oder sie befürchteten Selbstmord. Das Verhalten der Mütter wurde als nicht vorhersagbar, wütend, hilflos, brüchig, bedürftig und repressiv geschildert. Berichtet wurde ferner, dass eine Mutter zubiss, eine andere den Arm des Kindes brach, eine weitere ein Hühnerbein ins Gesicht der Tochter warf, als deren Freund beim Essen anwesend war.

Im Gegensatz zu Borderline-Patienten, welche symbiotischambivalent an ihre Mütter gebunden bleiben, gelang es allen neun Patienten tragfähige Beziehungen zu Personen wie Vater, Geschwister, Großeltern oder Freunden zu entwickeln, welche die von der Mutter nicht erfüllten Bedürfnisse teilweise ausglichen.

Diese protektive Fähigkeit

a) konnte sich bei ältesten Geschwistern entwickeln, die der Symbiose mit der Borderline-Mutter entkamen, wenn ein weiteres Geschwister geboren wurde.

b) Sie war damit gekoppelt, die negativen Seiten der Mutter (Ärger, Unvorhersagbarkeit des Verhaltens) wahrzunehmen und sich davon zu distanzieren oder entgegengesetzte Verhaltensweisen oder Einstellungen zu entwickeln, welche Überlebensfunktion gewannen.

c) Zusätzlich zur negativen Identifikation mit der Mutter hatten die Nicht-Borderline-Patienten alternative Rollenmodelle, vor allem Väter, die psychosozial kompetenter als die Mütter waren. Insbesondere im Kontakt zu Müttern, welche Probleme mit dem Loslassen und der Individuation der Tochter haben, benötigt diese den Vater, um die symbiotische Bindung zur Mutter aufzulösen und eine eigene Identität entwickeln zu können (“Thus, for children with mothers who have borderline characteristics, the father can serve a crucial developmental function and compensate, to some extent, for maternal pathology”; Glickauf-Hughes und Mehlmann, 1998). Der von Fthenakis (1988) zusammengefasste internationale Forschungsstand unterstreicht die protektive Wirkung des Kontaktes zum anderen Elternteil: Je mehr Kontakt ein Kind z.B. zum eigenen Vater (in geringerem Maße zu einem sozialen Ersatzvater) hat, desto weniger funktionsmindernd wirken sich Trennung/Scheidung auf fast alle psychologischen Funktionsbereiche (kognitiv, affektiv, Sozialbeziehungen, Selbstsicherheit, Sexualität, soziale Anpassung etc.) aus.

d) Anstelle positiver Erfahrungen mit der Mutter gelang es den Nicht-Borderline-Patienten, sich Möglichkeiten positiven Selbstausdrucks (z.B. Sport, Kunst) und von Beziehungen zu imaginieren (using fantasy constructively) und umzusetzen. Diese Kinder erinnern positive Erlebnisse (z.B. Sandburgen bauen, Ballspielen, Malen, Ausflüge, Urlaube etc.). Obgleich diese Patienten auch Rollenumkehr (Parentifizierung) zeigten, gewannen sie hierüber Felder der Selbstbestätigung und Kontrolle über ihr Leben.

e) Nicht zuletzt waren sie in der Lage, die schwierige Familiensituation reflexiv durch intellektuelles Verstehen zu bewältigen.

Wenngleich diese Kinder auch keine BPD entwickelten, zeigten sie doch klinische Störungen wie ängstliche Bindung, Pseudoreife, Parentifizierung, Angst vor Streit mit der Mutter. Die Angstbindung wurde vor allem durch Drohungen erzeugt, aus erzieherischen Gründen das Kind zu verlassen (Bowlby, 1975), viele Kinder erinnern äußerst erschreckende Rückzugsaktionen der Mütter (Trout, 1991).

Während in den Kindheitsgeschichten von Borderline-Persönlichkeiten bislang hauptsächlich physischer und sexueller Missbrauch, häusliche Gewalt und elterliche Charakterpathologien gefunden wurden (Beatson, 1995), sollte künftig auch den Vorgängen um elterliche Trennung und Umgangsboykott nach Trennung/Scheidung mehr Aufmerksamkeit gewidmet werden. Die vorliegenden Symptomlisten und Kriterien protektiver Faktoren erlauben es dem familiengerichtlichen Sachverständigen jedoch schon jetzt, im Einzelfall das jeweilige pathogene oder Kindeswohl-schädliche Potenzial recht genau zu erkennen und entsprechende Empfehlungen und Interventionen zu planen.

3 Interventionsgrundsätze

3.1 Soziale und normative Rahmenbedingungen

Voranzuschicken ist, dass die aus der Borderline-Dynamik entspringenden Entfremdungstechniken nur dann ihre volle Wirksamkeit entfalten können, solange

  • allgemein verfügbare Ideologien und Rechtfertigungen bestehen, wie z.B. männer- und väterfeindliche Ideologien, bestimmte Erziehungsideale, Mütterlichkeits-Mythos etc.;
  • entfremdendes Verhalten von Bezugspersonen/Institutionen toleriert oder unterstützt wird (z.B. Ärzte, Lehrer, Jugendleiter, Gerichte, Freundeskreis);
  • Gesetzesnormen, Rechtsauslegung und Gerichtspraxis entfremdende Praktiken bagatellisieren und ggf. Vorhandene Sanktionsmöglichkeiten nicht einsetzen.

Strategien, die in der Öffentlichkeit Unrechtsbewusstsein und Sensibilität für entführungsgleiche Kindesmitnahmen, Umgangsboykott und Ausgrenzungsbestrebungen eines Elternteils fördern und sanktionsbewehrte gesetzliche Standards sollten daher Priorität vor Empfehlungen zu individueller Beratungen haben. In Form verbindlich angeordneter Teilnahme an Eltern-Erziehungs-Programmen (parent education programs), wie sie in mehreren Staaten der USA bestehen, würde sowohl dem notwendigen direktiven Ansatz gegenüber eE entsprochen als auch ineffektiven Diskussionen vorgebeugt (vgl. 3.2). Die Teilnahme an derartigen Programmen (vgl. Biondi, 1996) sollte vor dem Scheidungsverfahren oder vor Umgangsbeschlüssen gerichtlich angeordnet werden können. Ein Beispiel: ”Connecticut legislation provides that the family division of the judicial department shall order any divorcing parent of minor child to attend a parenting education program.” Es umfasst z.B. Unterricht zu a) Entwicklungsstufen von Kindern, b) Reaktionen von Kindern in der Scheidungssituation, c) Streitschlichtung, d) Richtlinien für die Besuchsregelung, e) Stress-Reduktion fürs Kind, f) kooperatives Planen (Biondi, 1996, S. 84). Darüber hinaus könnten freiwillige Kurse von Rechtsanwälten, Ärzten, Richtern etc. den Eltern empfohlen werden.

3.2 Individuelle Interventionen und Beratung

Bei Beratungsgesprächen, gegenüber Ärzten, Lehrern oder bei gerichtlichen Anhörungen stellen sich eE in sehr spezifischer Weise dar, um sich Zustimmung zu sichern und sie in ihr realitätsverzerrtes Netzwerk gegen den aE einzubinden: Sie sprechen wenig (die angeblichen Tatsachen sollen statt ihrer sprechen), sie wirken bedrückt und erzeugen Impulse, sie aufzumuntern; sie stellen sich als hilfsbedürftig, schwach, bedauernswert dar; der Blick wird tränenumflort, sobald das Thema auf den Kontakt des Kindes zum aE kommt, es setzen Weinkrämpfe ein und es werden absurde Besorgtheitsmotive geäußert, etwa das Kind “könne ohne den eE nicht auskommen, wenn es mit dem aE in Urlaub führe”. Die latente Botschaft jeder verbalen und nonverbalen Äußerung lautet, dass es dem eE und dem Kind besser ginge, wenn der aE nur aus ihrer Welt verschwände.

3.2.1 Psychodynamik/Gegenübertragung: Bei Adressaten, die die Borderline-Psychodynamik als Hintergrund dieses Selbstdarstellungs-Szenarios beim eE nicht kennen und ihre Gegenübertragungsreaktionen nicht reflektieren, treten nun Schuldgefühle auf: Sie aktivieren einen Beschützerreflex gegenüber dem eE. Sie neigen dazu, der Verführung der vom eE suggerierten Problemlösung zu erliegen, und beginnen selbst, den aE auszugrenzen bzw. negativ zu bewerten (zum Problem ärztlicher Bescheinigungen siehe: Andritzky, 2002, 2002a). Per Identifikation mit dem eE entwickeln sie oftmals eine regelrechte Wut auf den aE. Aufgrund der massierten Präsentation von Opfermotiven durch den eE (Geschlagenwerden durch den aE, Angst vor dem aE, berufliche, finanzielle, Wohnungsprobleme, Verhaltensauffälligkeiten des Kindes, evtl. Missbrauchsvorwurf, aggressiv-forderndes Auftreten des aE) erliegen im sozialen Bereich Tätige (auch: Richter, Verfahrenspfleger) leicht dieser Verführung, die als Problemlösung anbietet, den aE als Ursache allen Übels auszugrenzen, anstatt das Kind zu schützen und gegenüber dem eE eine konsequent Grenzen setzende Haltung zu entwickeln.

In dem Maße, wie der Adressat den vom eE bei ihm induzierten Impulsen (Gegenübertragung) nachgibt und der eE sein gewünschtes Ziel erreicht (z.B. eine Krankheitsbescheinigung für das Kind am Umgangswochenende, einen Bericht des Jugendamtes, in dem der Umgang des aE abgelehnt oder das Sorgerecht für den eE empfohlen wird, ein für den aE negatives Sachverständigengutachten), wird das Kind dem emotionalen Missbrauch des eE weiter bzw. verstärkt ausgesetzt. Für alle Berufsgruppen, die mit eE zu tun haben, ist die Kenntnis der Borderline-Psychodynamik daher unerlässlich, um die genuinen Interessen des Kindes auf unbeschwerten Kontakt zu seinen beiden Eltern konsequent vertreten zu können. Dem Verführungspotenzial der vom eE angebotenen Problemlösung “Ausgrenzung des aE” erliegen vermutlich auch deshalb viele professionelle Akteure, da es den Anschein hat, der Fall könne damit kurzfristig gelöst werden: ein fataler Irrtum, da entweder ein Kind seelisch verkrüppelt auf der Strecke bleibt oder die Aktivitäten des aE nur weiter angeregt werden und neue Vorgänge geschaffen werden.

3.2.2 Gruppendynamik: Die für Borderline-Persönlichkeiten typische Fähigkeit zum Spalten und zu gegenseitigem Ausspielen seiner Bezugspersonen erfordert eine enge Koordination zwischen den beteiligten Institutionen. Andernfalls geraten Sozialarbeiter, Lehrer, Kindergärtnerinnen, Richter, Ärzte etc. untereinander in Streit, nachdem der eE jedem Beteiligten eine andere Version eines Sachverhaltes berichtet hat. Die hohe Sensibilität des eE, ein in einer Situation erwünschtes Verhalten zu zeigen, und seine Verführungskünste, erzeugen beim Adressaten einen unangenehmen Druck in Momenten ja zu sagen, wo ihm sein spontanes Gefühl und gesunder Menschenverstand ein Nein eingeben, z.B. wenn als Begründung für einen Umgangsboykott ein triviales, aber szenischemotional aufgeladenes Argument vorgetragen wird (der aE “überfordere das Kind mit zuviel Aktionen”, es könne bei weniger Kontakt zum aE “auch noch andere Kontakte haben”). Nur ein fortwährendes Sich-bewusst-Halten solcher Gegenübertragungsempfindungen schützt davor, den Ansinnen des eE nachzugeben.

3.2.3 Interventionsansätze: Manche Sachverständige und Therapeuten fördern den Entfremdungsprozess, indem sie empfehlen, den Kontakt aE/Kind aufzuschieben, bis via Psychotherapie beim Kind wieder positive Gefühle gegenüber dem aE auftauchen. Warshak (2000) vergleicht diese Einstellung damit, ein Kind mit Schulphobie so lange zu Hause zu lassen, bis es seine Angst überwindet. Der wichtigste Rat für einen aE sei es, möglichst rasch wieder regelmäßigen Kontakt zum Kind herzustellen. Es gibt keine Berichte erfolgreicher Behandlung von leichtem/mittlerem PAS, die nicht den wiederhergestellten Kontakt Kind – aE beinhalten (vgl. Dunne und Hendrick, 1994; Lampel, 1986; Gardner, 2001). Wie Lund (1995, S. 314) betont, ist es nach einem Kontaktabbruch äußerst unwahrscheinlich, die Beziehung über eine Einstellungsänderung wieder in Gang zu bringen. Diesen Umstand bestätigt eine Untersuchung von Karle und Klosinski (2000): Ein gerichtlich befristeter Umgangsausschluss bei Eltern, die sich in keiner Weise disqualifiziert hatten, führte in einem fünfjährigen Katamnesezeitraum in 90% der Fälle zu einem dauerndem Umgangsausschluss, d.h. mehrheitlich dem Verlust jeden Vaterkontaktes.

Neben dem Machtungleichgewicht zwischen aE und eE, der über das Kind verfügt, lässt das unaufrichtige und unkooperative Verhalten von eE auch Mediation, die vom eE meist abgelehnt wird, allenfalls als court-ordered or mandatory process (vgl. Vestal, 1999) sinnvoll erscheinen. Walsh und Bone (1997) warnen: ”Make no mistake about it: individuals with PAS will and do lie. They leave out … pertinent details or they maneuver the facts in such a manner to create an entirely false impression.” Auch Clawar und Rivlin (1991, S. 153) sehen eE als poor candidates for re-education and counseling an.

Die in Gerichtsbeschlüssen oder in Anhörungen gegebene Empfehlung an eE und aE, sich zunächst einmal in Beratung zu begeben und danach über Umgangs- bzw. Sorgerechtsregelungen weiter zu verhandeln, stellt daher einen folgenschweren Kunstfehler dar: Das Kind wird nicht nur weiter dem Einfluss des eE ausgesetzt, sondern dieser verstärkt sich auf vielfache Weise, da der eE nun ständig neue Tatsachen präsentieren möchte, aus denen der aE als Ursache für die Ablehnung des Kindes erkennbar wird. Konventionelle Psychotherapie und Beratung verstärken lediglich die Konfliktdynamik. Grundsätzlich müssen Interventionen beim eE aufgrund seines labilen Selbstwertgefühls stets von einem Gleichgewicht an sachlich-aufklärender Konfrontation und konsequenter Grenzsetzung einerseits und empathischer Wertschätzung seiner Person andererseits getragen sein.

Während bei nur leichten Entfremdungszeichen eine gerichtliche Umgangsanordnung ausreicht und in den seltenen schweren Fällen ggf. ein Sorgerechtswechsel indiziert ist, sieht Gardner (1999) bei der häufigsten mittleren Ausprägung als Voraussetzung für Therapien, dass der Therapeut Druckmittel anwenden kann, die Nichteinhaltung der Therapie mit gerichtlich verhängbaren Sanktionen verbunden ist, er mit direktiven Techniken vertraut ist und die volle Unterstützung des Gerichtes hat (full support of the court for the therapist‘s stringent and authoritarian methods). Druckmittel bei fehlender Kooperation des eE wären, dies dem Gericht mitzuteilen, Unterhaltskürzungen oder die Androhung eines Sorgerechtswechsels bis hin zu Hausarrest und Inhaftierung.

EE des mittelgradigen Typs wenden sich oft von selbst an einen Therapeuten, der ihre Zielsetzung bis hin zu einer Folie-à-deux-Haltung unterstützt (weibliche eE wenden sich oft an weibliche Therapeuten mit männerfeindlicher Einstellung, z.B. aus feministischen Netzwerken). Sofern auch ein Kind in derartige Therapien involviert wird, sollte dies nach Auffassung von Gardner(1999) gerichtlich unterbunden werden. Die Teilnahme an dem vom Gericht angeordneten Behandlungsangebot wird dagegen verweigert oder lediglich pro forma zugestimmt.

Der Therapeut sollte Verbündete aus dem sozialen (Familien-) Umfeld des eE finden (den eE unterstützende Familienmitglieder äußern ggf., sie wollten “da nicht mit hineingezogen werden”) und (von der Schweigepflicht entbunden) dem Gericht wichtige Erkenntnisse mitteilen können, z.B. wenn ungerechte Unterhaltslösungen zur Ablehnung des aE beitragen. Ferner sollte der Therapeut alle möglichen Quellen von Ärger, den der eE auf den aE projiziert oder an ihm abreagiert, auskundschaften. Umzugsabsichten sollten genau daraufhin untersucht werden, ob ihnen tatsächlich bessere Berufschancen oder der Wohnort einer neuen Liebe zugrunde liegt oder vielmehr eine Entfremdungsabsicht vorherrscht. In letzterem Falle sollte seitens des Gerichtes signalisiert werden, dass es dem Elternteil zusteht, frei seinen Wohnort zu wählen, die Kinder jedoch bei dem Elternteil/Ort verbleiben, der ihnen vertraut ist.

Bezüglich der Kinder müsse sich ein PAS-Therapeut zudem ständig vor Augen halten, dass die Kinder vor der Trennung eine gute und stabile Beziehung zum nun abgelehnten Elternteil hatten.

Wenn Kinder falsche Missbrauchsanschuldigungen vortragen, darf der PAS-Therapeut hierauf nicht eingehen, sondern muss sich vergegenwärtigen, dass das entfremdete Kind sie als Entschuldigung für Umgang mit dem anderen Elternteil benötigt (serve as an excuse for visiting with the victimized parent). Die Kinder können dann zum eE sagen, der Therapeut sei grausam, ungerecht, verrückt etc. Dasselbe gelte für gerichtliche Sanktionsandrohungen, ohne die ein PAS-Therapeut kaum effizient arbeiten könne. Wenn ältere Kinder zuerst dem Entfremdungsdruck erliegen und diesen an jüngere Geschwister (oft mit wörtlichen Formulierungen des eE) weitergeben (“Du kannst uns immer anrufen”), sollten entfremdende Geschwister getrennte Besuchstermine bekommen. Da der Loyalitätskonflikt in den Übergabesituationen bei Anwesenheit beider Eltern für das Kind am extremsten ist, erweist sich ein Setting als förderlich, wo das Kind vom eE abgegeben wird, eine kurze Zeit allein mit einem Betreuer verbringt und dann vom aE abgeholt wird.

EE bezeichnen die Versuche von Jugendämtern, Gerichten oder Sachverständigen, einen normalen Umgang mit dem aE einzurichten, gerne als Experimente. Für den Therapeuten ist dabei die Vorstellung einer notwendigen Deprogrammierung des Entfremdungsopfers hilfreich, wie sie bei Kult- und Sektenopfern angewendet wird. Ältere Kinder können dazu angeregt werden, sich bei den Besuchen beim aE ein eigenes Urteil darüber zu bilden, wieweit die vom eE ausgemalten Gefahren und Defizite des aE wirklich bestehen.

Gegenüber dem aE hat der Therapeut vor allem die Entfremdungsmechanismen eingehend zu erläutern und ihm angesichts einer vom eE und ggf. auch aversivem Verhalten des/der Kinder evozierten Wut eine neutrale Haltung und ein dickes Fell zu vermitteln, Anfeindungen eines Kindes nicht zu persönlich zu nehmen, sondern als Ausdruck des Spaltungsmechanismus zu verstehen. Sie können angeregt werden, mit den Kindern über alte Zeiten zu reden, positiv besetzte Orte aufzusuchen. Wenn aE nach vielfacher Frustrationen eine Polizeibegleitung zur Übergabe erbitten, bietet dies dem Kind einerseits die nötige ‚Entschuldigung‘, kann jedoch auch angsteinflößend wirken.

Wenngleich Gardeners pragmatische Tipps auf jahrelanger Erfahrungen im Umgang mit PAS-Familien basieren, ermöglicht erst ein psychodynamischer Ansatz flexible Interventionen. In Abgrenzung zu Interventionen kann beim eE eine längerfristige Therapiemotivation erst vor dem Hintergrund einer real veränderten Beziehungskonstellation und eines darüber aktivierten Leidensdrucks entstehen, da er dann weniger Möglichkeiten hat, seine eigenen Konflikte dem aE anzulasten und am Kind zu befriedigen. Wie eine Psychotherapie bei einem Alkoholiker erst nach der Entzugsphase indiziert ist, so ist die Psychotherapie bei eE erst dann erfolgversprechend, wenn er seine Gefühle innerer Leere und aufkommender Wut nicht mehr an Kind und aE ausleben kann.

Technisch gesehen geht es – wie bereits erwähnt – bei Interventionen und Therapie mit eE aufgrund ihrer Ich-Schwäche, geringen Frustrationstoleranz und Angst vor Kritik um ein ausgewogenes Verhältnis von grenzsetzender Bestimmtheit (Deklarationen – keine Diskussionen) und persönlicher Wertschätzung, da sich ansonsten der eE entzieht und eine Intervention/Therapie scheitert (Vestal, 1999). Hilfreich ist es, sich im Kontakt mit dem eE bewusst zu halten, dass es sich um in ihrem Selbstwertgefühl schwer gestörte Menschen handelt, um sich nicht von entgegenkommender Angepasstheit, gewandtem Ausdruck, Intellekt und scheinbar intakter Alltagsbewältigung (Arbeit, saubere Wohnung, keine Schulden) verführen zu lassen. Bei Interventionen im Rahmen von Umgangs- und Sorgestreitigkeiten bedeutet dies, dem Ansinnen des eE schon im Frühstadium dergestalt entgegenzutreten, dass ihm/ihr das Destruktive deutlich vor Augen geführt, das Unmoralische des Handelns betont wird und konsequente Sanktionen (Null-Toleranz) in Aussicht gestellt werden. Erfährt der eE keine Grenzsetzung von Institutionen oder sozialem Umfeld, erlebt er dies im Sinn einer Belohnung, die entfremdenden Strategien werden dann verstärkt fortgeführt und weitere Personen/Institutionen in das Szenario des eE involviert. Da Borderline-Persönlichkeiten zwischen Realität und ihren Gefühlen schwer zu unterscheiden vermögen, betont Masterson (1980, S. 106 f.) ein konsequentes, positives, an der Realität orientiertes Vorgehen, man dürfe den “projizierten Emotionen … keinen Raum geben und sie dadurch verstärken”. Andernfalls wird der Therapeut, Arzt, Richter oder Sozialarbeiter dazu gebracht, die vorgetragenen Gefühle mit der Realität zu verwechseln.

Ebenso wichtig ist der enge Austausch zwischen den Beratern/Therapeuten und dem Familiengericht, um Spaltungstendenzen vorzubeugen (Palmer, 1988). Techniken und Settings realitätsstrukturierender Borderline-Therapie bilden die unabdingbare Qualifikationsgrundlage für Berater, Sachverständige und Therapeuten im Umgang mit entfremdenden Eltern und den Kindern. Für die Bestellung interventionsorientierter Sachverständiger oder für Mitarbeiter/-innen an Jugendämtern und Elternberatungsstellen wäre insofern die Qualifikation als approbierter psychologischer Psychotherapeut ratsam bzw. der Nachweis ausreichender klinisch-psychiatrischer Erfahrung.

4 Literatur

  1. American Psychiatric Association: Diagnostic and statistical manual. 4th edition.Washington DC: American Psychiatric Association, 1994
  2. Ammon G: Das Borderline-Syndrom und das ich-strukurelle Arbeiten. In: Ammon G (Hrsg.): Handbuch der Dynamischen Psychiatrie. Bd.1. München: Reinhardt, 1979, 295-363
  3. Andritzky W: The role of physician’s letters in the development of the Parental Alienation Syndrome. In: Gardner R (ed.): Handbook of the Parental Alienation Syndrome. 2002 (forthcoming) Andritzky W: Zur Problematik kinderärztlicher Atteste bei Umgangsund Sorgerechtsstreitigkeiten. Mit Ergebnissen einer Befragung. Kinder- und Jugendarzt 2002a (im Druck)
  4. Baron M, Gruen R, Asnis L: Familial transmission of schizotypal and borderline personality disorders. Am J Psychiatry 1985; 142:927-934
  5. Beatson JA: Long-term psychotherapy in borderline and narcissistic disorders. Aust N Z J Psychiatry 1995;29:591-597
  6. Bezirganian S, Cohen P, Brook JS: The impact of mother child interaction on the development of borderline personality disorder. In: American Journal of Psychiatry 1993,150: 1836-1842
  7. Bisnaire L, Firestone P, Rynard D: Factors associated with academic achievement in children following parental separation. Am J Orthopsychiatry 1990;60 (1): 67-76
  8. Biondi ED: Legal implementation of parent education programs for divorcing and separating parents. Fam Conciliation Rev 1996;34 (1):82-92
  9. Bowlby J: Bindung. Eine Analyse der Mutter-Kind-Beziehung, München: Kindler, 1975
  10. Brown C: The impact of divorce on families. The Australian experience. Fam Conciliation Rev 1994;32 (2):149-167
  11. Clawar SS, Rivlin BV: Children held hostage: dealing with programmed and brainwashed children. Chicago: American Bar Assoc., 1991
  12. Corwin MD: Beyond the nuclear family: cultural dissolution and borderline personality disorder. Smith College Studies in Social Work 1996;66:147-161
  13. Danti J, Adams C, Morrison T: Children of mothers with borderline personality disorders: a multimodal clinical study. Psychotherapy 1985;22:28-35
  14. DIMDI (Hrsg.): ICD-10. Internationale statistische Klassifikation der Krankheiten und verwandter Gesundheitsprobleme. 10. Revision. Göttingen: Huber, 1994
  15. Drill RL: Young adult children of divorced parents: depression and the perception of loss. Journal of Divorce 1986;10 (1/2)
  16. Dunne J, Hendrick M: The parental alienation syndrome: an analysis of sixteen selected cases. Journal of Divorce and Remarriage 1994;21:21-38
  17. Ehrenberg ME, Hunter MA, Hunterman ME: Shared parenting agreements after marital separation: the roles of empathy and narcissism. J Consult Clin Psychol 1996;62 (4):808-818
  18. Feldman RB, Zelkowitz P, Weiss M, Heymann M, Vogel J, Partis J: A comparison of the families of mothers with borderline and non-borderline personality disorders. Compr Psychiatry 1995; 36:157-163
  19. Fegert JM: Parental Alienation oder Parental Accusation Syndrome? Die Frage der Suggestibilität, Beeinflussung und Induktion in Umgangsrechtsgutachten. KindPrax 2001;1:3-6
  20. Frost A, Pakiz B: The effects of marital disruption on adolescents: time as a dynamic. In: Am J Orthopsychiatry 1990;60(4):544-555
  21. Fthenakis W: Väter. 2 Bde. München:dtv, 1988
  22. Gardner RA: Judges interviewing children in custody visitation litigation. New Jersey Family Lawyer 1987;7(2):26-38
  23. Gardner R: The Parental Alienation Syndrome: a guide for mental health and legal professionals. 2nd edition. NewYork: Creative Therapeutics, 1998
  24. Gardner R: Recommendations for dealing with parents who induce parental alienation syndrome in their children. Journal of Divorce and Remarriage 1998a;28(3/4):1-21
  25. Gardner R: Family therapy of the moderate type of parental alienation syndrome. American Journal of Family Therapy 1999;27:195-212
  26. Gardner R: Should courts order PAS children to visit/reside with the alienated parent ? A follow-up study. Am J Forensic Psychol 2001;19(3):61-106
  27. Gardner R: Does DSM-IV have equivalents for the parental alienation syndrome (PAS) diagnosis? 2002 (forthcoming)
  28. Glickauf-Hughes C, Mehlmann E: Non-borderline patients with mothers who manifest borderline pathology. Br J Psychotherapy 1998;14(3):294-302
  29. Goldmann SJ, D‘Angelo EJ, DeMasi DR: Psychopathology in the families of children and adolescents with borderline personality disorder. Am J Psychiatry 1993; 150:1832-1835
  30. Graham JR: MMPI-2: Assessing personality and psychopathology. New York: Oxford Univ. Press, 1993
  31. Green RL: The MMPI-2/MMPI: An interpretive manual. Boston: Allyn & Bacon, 1991
  32. Grinker RR, Werble B, Dyre RC: The Borderline Syndrome. New York: Basic Books, 1968
  33. Gundersohn JG, Lyoo KI: Family problems and relationships of adults with borderline personality disorder. Harv Rev Psychiatry 1997;4(5):272-278
  34. Guzder J, Paris J, Zelkowitz P, Marchessault K: Risk factors for borderline psychology in children . J Am Acad Child Adolesc Psychiatry 1996;35:26-33
  35. Guzder J, Paris J, Zelkowitz P, Feldman R: Psychological risk factors for borderline pathology in school-age children. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry 1999;38:206-212
  36. Heigl-Evers A, Helas J, Vollmer HC: Eingrenzung – Ausgrenzung. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1992
  37. Heyne C: Täterinnen- offene und versteckte Aggression von Frauen. Stuttgart: Kreuz 1993
  38. Holman S:, A group program for borderline mothers and their toddlers. International Jour of Group Psychotherapy 1985;35:79-93
  39. Jäckel K: Ein Vater gibt nicht auf. Die Geschichte eines gebrauchten Mannes. Reinbek: Rowohlt, 2001
  40. James AC,Vereker CH: Family therapy for adolescents diagnosed as having borderline personality disorder. In: Journal of Family Therapy 1996, 18 (3): 269-283.
  41. Walter Andritzky: Verhaltensmuster und Persönlichkeitsstruktur entfremdender Eltern (S. 166-182)
  42. Johnston, J.R. und L.E. Campell, 1988, Children of divorce who refuse visitation. In: C.E. Depner und J.H. Bray (Eds.) Nonresidential Parenting: New Vistas in Family Living. London: Sage Publ.
  43. Johnston JR, Girdner LK: Family abductors: descriptive profiles and preventive interventions. Juvenile Justice Bulletin 2001;1:1-7
  44. Kalter N: Long-term effects of divorce on children: a developmental vulnerability model. Am J Orthopsychiatry 1987;57(4): 587-600
  45. Karle M, Klosinski G: Ausschluß des Umgangs – und was dann? Zeitschrift für Jugendrecht 2000;9:343-347
  46. Kernberg O: Borderline personality organization. Journal of the Psychological Association 1967;15:641-685
  47. Klenner W: Rituale der Umgangsvereitelung bei getrenntlebenden oder geschiedenen Eltern. Fam RZ 1995;42(24):1529-1535
  48. Kunkel G: Die Beziehungsdynamik im Familienrechtskonflikt. Untersuchung der Streitmuster bei strittiger elterlicher Sorge- und Umgangsregelung. Diss. Univ. Tübingen. Fak. für Sozial- und Verhaltenswissenschaften, 1997
  49. Lampel A: Post-divorce therapy with high conflict families. The Independent Practitioner. Bulletin of the Division of Psychologists in Independent Practice 1986;6(3):22-26
  50. Lampel, A: Children’s alignement with parents in highly conflicted custody cases. Family and Conciliation Courts Review 1996;34(2):229-239
  51. Lehmkuhl U und G: Wie ernst nehmen wir den Kindeswillen ? KindPrax 1999;5:159-161
  52. Links PS, Steiner M, Huxley G: The occurrence of borderline personality disorder in the families of borderline patients. J Pers Disord 1988;2:14-20
  53. Lohr C, Mendell A, Riemer B: Clinical observations on interferences of early father absence in the achievement of feminity. Clinical Social Work Journal 1989;14(4)
  54. Lund M: A therapist’s view of parental alienation syndrome. Family and Conciliation Courts Review 1995;33(3): 308-316
  55. Masterson J: Treatment of the borderline adolescent. New York: Wiley, 1972
  56. Masterson J: Psychotherapie bei Borderline-Patienten. Stuttgart: Klett-Cotta, 1980
  57. Palmer NR: Legal recognition of the parental alienation syndrome. Am J Fam Ther 1988;16:361-364
  58. Parish TS: Children’s self concepts: are they affected by parental divorce and remarriage. Journal of Social Behavior and Personality 1987;2(4): 559-562
  59. Proksch R: Begleitforschung zur Umsetzung der Neuregelungen zur Reform des Kindschaftsrechtes. 1. Zwischenbericht Teil 1. Bonn: Bundesministerium für Justiz, 2000
  60. Rogers M: Delusional disorder and the evolution of mistaken sexual allegations in child custody cases. Am J Forensic Psychol 1992;10(1):47-69
  61. Salzgeber J, Stadler M: Beziehung contra Erziehung- kritische Anmerkungen zur aktuellen Rezeption von PAS. KindPrax 1998;6:167-171
  62. Seiffge-Krenke I: Neuere Ergebnisse der Vaterforschung. Sind Väter notwendig, überflüssig oder sogar schädlich? Der Psychotherapeut 2001;46(6):391-398
  63. Shachnow J, Clarkin J, DiPalma CS, Thurston F, Hull J, Shearin E: Biparental psychopathology and borderline personality disorder. Psychiatry: Interpersonal and Biological Processes 1997;60(2): 171-181
  64. Siegel J, Langford JS: MMPI-2 validity scales and suspected parental alienation syndrome. Am J Forensic Psychol 1998;16(4):5-14
  65. Solomon CR: A critical moment for intervention: after the smoke of battle clears and custody has been won. Journal of Divorce and Remarriage 1991;16(3/4):325-335
  66. Sprünken DM: Die schmutzigsten Scheidungstricks und wie man sich dagegen wehrt. München: C.H. Beck, 2001
  67. Stadler M, Salzgeber J: Parental Alienation Syndrome (PAS) – alter Wein in neuen Schläuchen? FuR 1999;4:231-235
  68. Stern A: Psychoanalytic investigation of and therapy in the border of neurosis. Psychoanal Q 1938;7:467-489
  69. Trout M: Perinatal depression in four women reared by borderlinemothers. Pre- and Perinatal Psychology 1991;5:297-325
  70. Vestal A: Mediation and parental alienation syndrome. Considerations for an intervention model. Family and Conciliation Courts Review 1999;37(4):487-503
  71. Waldron KH, Joanis DE: Understanding and collaboratively treating parental alienation syndrome. American Journal of Family Law 1996;10:121-133 (kein Zitat im Text)
  72. Walsh MR, Bone JM: Parental alienation syndrome: an age old custody problem. Florida Bar Journal 1997;6:93-96
  73. Warshak RA: Remarriage as a trigger of parental alienation syndrome. American Journal of Family Therapy 2000; 28: 229-241
  74. Weiss B, Zelkowitz P, Feldman B, Vogel J, Heyman M, Paris J: Psychopathology in offspring of mothers with borderline disorder: a pilot study. Can J Psychiatry 1996;41(5):285-290

Dr. Walter Andritzky

Psychologischer Psychotherapeut,

Psychologischer Sachverständiger in Familiensachen

Kopernikusstr. 55 • 40225 Düsseldorf

Tel: 0211-345627

FAX: 0211-345628

oktober 8, 2002 at 12:01 pm 3 reacties

Oudere berichten



Contact met het Vader Kennis Centrum (VKC):
Jacob Cabeliaustraat 17
3554 VH Utrecht
T. 030 - 238 3636
secretariaat@vaderkenniscentrum.nl

‘Jullie papa is helemaal niet lief’ :: Peter van Straaten

Peter van Straaten - Jullie papa is helemaal niet lief - Over ouderverstoting of oudervervreemding door moeders bijscheiding en omgang

Over oudervervreemding of -verstoting bij scheiding en omgang

Geef hier uw email adres op om email attenderingen van nieuwe artikelen te ontvangen.

Doe mee met 634 andere volgers

Info pagina’s

Alle artikelen

  • 10 mei 2012 - Uitspraak Rechtbank Den Bosch: Uit huis plaatsing vanwege ouderverstotingssyndroom
  • 17 november 2011 - Uitspraak Rechtbank Roermond - Voorbeeld inzet "klemcriterium" en "loyaliteitsconflict" om kinderen tegen hun wil bij zorgvader weg te halen en bij moeder te plaatsen
  • 13 november 2010 - Belgisch wetsvoorstel tegen oudervervreemding en tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht in het strafrecht
  • 26 augustus 2010 - Nieuwe Braziliaanse Wet 12 318 definieert en bestraft oudervervreemding na scheiding als kindermishandeling
  • 2 augustus 2010 - Negen jaar cel voor oudervervreemding
  • 5 maart 2010 - Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” - Bezoekruimte Het Huis, Brugge, België
  • 26 februari 2010 - Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” - Bezoekruimte Het Huis, Antwerpen, België
  • 10 october 2009 - 'Thuis heerste het grote zwijgen' (Cornald Maas interviewt in de Volkskrant kinderen van gescheiden ouders)
  • 13 augustus 2009 - Uitspraak Gerechtshof Den Bosch - Raad voor Kinderbescherming stelt in rapport mogelijke diagnose ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS)
  • 3 december 2008 - Ouderverstotingssyndroom - Parental Alienation Syndrome (The Gregory Mantell Show - Video - delen 1 en 2)
  • 22 october 2008 - Le Syndrome d’Aliénation Parentale (Thése Médecinal à l’Université Claude Bernard-Lyon, Bénédicte Goudard, 2008)
  • 31 juli 2008 - Esma Kaplan - Ouderverstoting in Nederland (Masterthesis, Universiteit van Utrecht, 2008)
  • 13 juni 2007 - Uitspraak Rechtbank Maastricht - Rechter stelt in uitspraak ouderverstoting vast
  • 1 juni 2005 - Syndrome d’aliénation parentale - Diagnostic et prise en charge médico-juridique (Jean-Marc Delfieu, 2005)
  • 8 october 2002 - Verhaltensmuster und Persönlichkeitsstruktur Entfremdender Eltern (Walter Andritzky, 2002)
  • 15 december 1995 - Wolfgang Klenner - Rituale der Umgangsvereitelung bei getrenntlebenden oder geschiedenen Eltern - Eine psychologische Studie zur elterlichen Verantwortung (Duitsland, 1995)
  • 26 december 1994 - John Dunne & Marsha Hedrick – The Parental Alienation Syndrome – Analysis of Sixteen Selected Cases (1994)
  • Sigmund – Echtscheiding is voor kinderen psychologisch erger dan het overlijden van één van hun ouders!

    KA-PAW! Als moeder wil je toch het beste voor je kinderen.

    VKC twittert nu ook

    Categorieën

    november 2018
    M D W D V Z Z
    « Aug    
     1234
    567891011
    12131415161718
    19202122232425
    2627282930  

    Blog Stats

    • 81.626 hits