Posts filed under ‘Raad voor de Kinderbescherming’

Uitspraak Rechtbank Den Bosch: Uit huis plaatsing vanwege ouderverstotingssyndroom (ECLI:NL:RBSHE:2012:BW5616, 2012)

Referentie: ECLI:NL:RBSHE:2012:BW5616, voorheen LJN BW5616, Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 246254 / JE RK 12-669 en 244529 / JE RK 12-423MZ01
Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak: 10-05-2012
Datum publicatie: 14-05-2012
Zaaknummer: 246254 / JE RK 12-669 en 244529 / JE RK 12-423MZ01
Rechtsgebieden: Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl, JPF 2012/100, RFR 2012/102

Inhoudsindicatie

De vier kinderen hebben hun hoofdverblijf bij moeder. Voor contact met vader bestaan volgens de Raad geen contra-indicaties. Tussen de kinderen en hun vader is al drie jaar op geen enkele wijze contact mogelijk gebleken, ook niet door tussenkomst van de rechtbank. Zo hebben forensische mediation en begeleide omgang tot niets geleid. Bij de kinderen is volgens de Raad sprake van het PAS-syndroom. De rechtbank acht de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk. Het bestaan van het PAS-syndroom én de overige (psychische) problemen van de kinderen vormen een zeer ernstige bedreiging van hun geestelijke ontwikkeling. Slechts door een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing, waarbij tevens sprake van behandeling van de kinderen dient te zijn, is het mogelijk de schade en bedreiging welke de kinderen thans is aangedaan te beperken en weg te nemen. De rechtbank realiseert zich dat de kinderen een hoge prijs moeten betalen voor het gedrag van hun ouders, maar gelet op het belang van de kinderen, op korte en lange termijn en de situatie waarin de kinderen door toedoen van hun ouders terecht zijn geraakt welke zeer schadelijk is voor hun gezondheid, kan niet anders worden geoordeeld.

Wetsverwijzingen

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 246254 / JE RK 12-669 en 244529 /JE RK 12-423MZ01
Uitspraak : 10 mei 2012

Inzake : Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing

Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, gegeven met betrekking tot de minderjarigen:
[minderjarige A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[minderjarige B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[minderjarige C], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[minderjarige D], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

kinderen van:
[naam vader] en [naam moeder],
rechtens wonende in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch,
hierna ook wel te noemen: (de) vader en (de) moeder.

Het gezag over de minderjarigen berust bij de ouders.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:
– vader;
– moeder;
– de minderjarigen [minderjarige A] en [minderjaige B];
– alsmede de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • een brief met acht bijlagen van mr. Kranenburg d.d. 19 maart 2012;
  • een brief met acht bijlagen van mr. Kranenburg d.d. 20 maart 2012;
  • een brief met twee bijlagen van mr. Kranenburg d.d. 20 maart 2012;
  • een brief met een bijlage van mr. Kranenburg d.d. 20 maart 2012;
  • de zittingsaantekeningen van mr. Kranenburg d.d. 21 maart 2012;
  • de faxbericht van de stichting d.d. 17 april 2012;
  • een brief van mr. Peters d.d. 17 april 2012;
  • de zittingsaantekeningen van mr. Kranenburg d.d. 18 april 2012 met bijlage;
  • een schriftelijk verzoek van de Raad van 23 april 2012;
  • een faxbericht met bijlagen van de stichting van 24 april 2012.

De procedure

Op 9 maart 2012 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van vader, strekkende tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen en het vastleggen van een – in het kader van de verzochte ondertoezichtstelling – verdeling van zorg- en opvoedingstaken op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per overtreding (zaaknummer 244529 JE RK 12-423MZ01).

Op 21 maart 2012 heeft de kinderrechter het verzoekschrift ter zitting met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord vader, moeder alsmede een vertegenwoordiger van de Raad en van de stichting. Op die zitting heeft de Raad een verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] gedaan.

De kinderrechter heeft de beslissing op de verzoeken aangehouden, teneinde eerst [minderjarige A] en [minderjarige B] over die verzoeken te kunnen horen. Die periode is door de ouders benut om de contacten tussen vader en de kinderen te hervatten. Gebleken is dat na de aanhouding van de zitting door de kinderrechter tot de zitting van 18 april 2012, de ouders hebben geïnvesteerd in het herstel van het contact tussen vader en de kinderen en de ouders onderling.

Op 18 april 2012 heeft de kinderrechter ter zitting met gesloten deuren [minderjarige A] en [minderjarige B] gehoord. Vervolgens zijn de vader, moeder en de vertegenwoordiger van de Raad en van de stichting gehoord. De ouders hebben tijdens die voortgezette behandeling hun standpunten nogmaals uiteengezet en verslag gedaan over de afgelopen periode. De vader heeft een schriftelijk voorstel voor een opbouwende omgangsregeling gedaan. Moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.

Tijdens deze zitting blijkt dat sinds de zitting van 21 maart 2012 contacten hebben plaatsgevonden tussen vader en de kinderen. Sprake was van een opbouw, op grond waarvan de Raad vader heeft geadviseerd het verzoek tot de ondertoezichtstelling in te trekken, op basis van strategische en psychologische gronden, om hem zodoende “uit de boeman-positie” te krijgen. Vader heeft vervolgens zijn verzoek ter zitting ingetrokken. Nu het verzoek tot het vastleggen van een verdeling van zorg- en opvoedingstaken door vader in het kader van een verzoekt tot ondertoezichtstelling is gedaan, beschouwt de kinderrechter ook dat verzoek als ingetrokken. Op die verzoeken behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

De Raad zag overigens, hierbij gesteund door de stichting, aanleiding zelfstandig ter zitting een verzoek tot een ondertoezichtstelling van de kinderen te doen. De Raad heeft gepersisteerd bij haar verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Dit verzoek is schriftelijk bevestigd op 23 april 2012 (zaaknummer 246254 JE RK 12-669). Ter zitting heeft de Raad tevens verzocht in het kader van de verzochte ondertoezichtstelling, voor het geval geen machtiging uithuisplaatsing wordt afgegeven, de voorlopige omgangsregeling zoals door vader is voorgesteld vast te leggen.

De kinderrechter heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Van het verhandelde ter zitting op 21 maart 2012 en 18 april 2012 is proces-verbaal opgemaakt.

De verzoeken

De Raad verzoekt de rechtbank een ondertoezichtstelling alsmede machtiging uithuisplaatsing voor de duur van één jaar voor [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] uit te spreken. De Raad heeft bij monde van haar vertegenwoordiger gesteld dat, anders dan de vrouw stelt, wel degelijk gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De kinderen worden in hun ontwikkeling bedreigd, nu zij een waar schrikbeeld van de vader hebben en klem zitten tussen hun ouders. Reeds het feit dat alle vier de kinderen blijkens de betreffende behandelverslagen ernstige reacties vertonen bij [naam instelling] als over vader wordt gesproken, maakt al dat sprake is van een ernstige bedreiging. De kinderen hebben last van het slechte beeld dat zij van hun vader hebben.

De vader en moeder zijn er niet in geslaagd om hun conflicten op partnerniveau te beslechten waardoor de huidige ernstige situatie is ontstaan. Enkel een ondertoezichtstelling is onvoldoende om de ernstige bedreiging van de kinderen weg te nemen en de situatie waarin de kinderen zich thans bevinden ten goede te keren. Reeds alle overige denkbare middelen zijn ingezet, forensische mediation, diverse gerechtelijke procedures, begeleide omgang via [naam omgangshuis] , echter zonder resultaat. Enkel een ondertoezichtstelling kan weinig kans van slagen hebben, gelet op onder meer de vastgelopen communicatie tussen ouders, omdat er een groot risico is dat de gezinsvoogd in een parallel proces terecht komt en verzandt in de communicatie tussen ouders. Om dat te voorkomen verzoekt de raad een machtiging uithuisplaatsing. De onderliggende reden hiervoor is dat zowel de Raad als de stichting van mening zijn dat bij de kinderen sprake is van een ouderverstotingssyndroom, hetgeen zeer schadelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen. In dit verband spreekt de Raad zelfs van kindermishandeling.

De Raad is van oordeel dat het noodzakelijk is dat het beeld van vader in de ogen van de kinderen in de nabije toekomst bijstelling behoeft. De kinderen laten extreme reacties zien op hun vader. Moeder werkt gaandeweg deze procesvoering eerst mee aan de totstandkoming van omgang, maar trekt deze omgang later weer in twijfel en geeft aan niet te willen komen tot een (voorlopige) omgangsregeling tussen de kinderen en hun vader. De Raad ziet voldoende gronden voor het verzoeken van een ondertoezichtstelling op basis van bovengenoemde feiten. De ontwikkelingen ter zitting van 18 april 2012, en in het bijzonder de hardnekkige opstelling van moeder en haar raadsvrouw heeft ertoe geleid dat de Raad persisteert bij haar eerder gedane verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van alle vier de kinderen. Vanuit een neutrale verblijfplaats, is het mogelijk omgang te organiseren tussen de kinderen en hun vader en tussen de kinderen en hun moeder. De gezinsvoogd kan dit proces actief begeleiden en zo voor de kinderen een reëel beeld creëren van beide ouders. Daarnaast kunnen ouders (met hulp) aan de slag met het reorganiseren van hun ouderschap “op afstand”.

De Raad verzoekt derhalve de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar, alsmede de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

De stichting ondersteunt de verzoeken van de Raad. De stichting heeft bij brief van 17 april 2012 een kort verslag gegeven over het verloop van de contacten tussen de ouders en de kinderen in de periode van 21 maart tot 18 april 2021.

Ter zitting is namens de stichting gesteld dat de kinderen “klem en verloren” zitten tussen hun ouders en dat de kinderen vanuit de thuissituatie bij de moeder niet de kans krijgen om een relatie met de vader op te bouwen. De stichting spreekt over een zeer ernstige situatie waarin de kinderen verkeren. Ter illustratie hiervan verwijst de stichting naar de escalatie tussen de ouders en kinderen welke plaatsvond tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling op 18 april 2012.

De vader verklaart ter zitting dat hij wel gronden ziet voor een ondertoezichtstelling, maar dat hij deze niet (meer) zelf wenst te verzoeken, omdat hij niet door de kinderen als een boeman wil worden gezien. De vader stelt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd omdat de vrouw de contacten tussen vader en de kinderen op alle mogelijke manieren, zowel feitelijk als juridisch, frustreert, waardoor de kinderen van hem vervreemden. Door de opstelling van de moeder hebben de kinderen een uiterst negatief beeld van hun vader gekregen. De vader stelt dat bij de kinderen sprake is van tekenen van het ouderverstotingssyndroom. De moeder persisteert in haar weigerachtige houding en stimuleert de kinderen niet om – op een normale wijze – contact aan te gaan met de vader. Voorts weigert zij het beeld dat de kinderen hebben van hun vader bij te stellen. De moeder blijft de kinderen bij voortduring opzetten tegen hun vader. Naar het oordeel van de vader heeft tot mei 2009 op een normale wijze contact plaatsgevonden tussen hem en de kinderen. Sindsdien heeft de vader geen contact meer gehad met de kinderen. Vader heeft schriftelijk een voorstel voor opbouw van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedaan, welk verzoek hij zoals hiervoor overwogen heeft ingetrokken.

De vader kan zich niet vinden in de verzochte machtiging uithuisplaatsing. Hij verklaart desgevraagd dat hij niet wil dat de kinderen uit huis worden geplaatst.

De moeder voert gemotiveerd verweer tegen zowel de verzochte ondertoezichtstelling alsmede de uithuisplaatsing. De moeder stelt dat de vader de rechtbank onjuist informeert nu de contacten tussen de vader en de kinderen – tot mei 2009 – niet op een normale wijze zijn verlopen. De moeder heeft naar haar oordeel desondanks steeds meegewerkt aan de omgang. Bij de kinderen is echter sprake van grote angst en onrustgevoelens jegens de vader. De oorzaak hiervan ligt volgens de moeder in het huiselijk geweld dat de vader jegens de moeder en de kinderen heeft gepleegd, doch dat hij op geen enkele wijze erkent. Het feit dat de vader, aldus de moeder, niet strafrechtelijk voor die feiten is veroordeeld, betekent immers niet dat hiervan geen sprake is geweest. De moeder stelt dat pas op het moment dat de vader het geweld erkent de kinderen hem kunnen vergeven en de gebeurtenissen een plaats kunnen geven. Pas dan zal er ruimte zal kunnen komen voor neutrale, dan wel positieve gevoelens ten aanzien van de vader.

Volgens de moeder ontbreekt iedere grond en noodzaak voor een ondertoezichtstelling. Uit niets blijkt dat sprake is van problemen waarbij een eerder ingezette aanpak heeft gefaald. Met de kinderen gaat het, zoals ook blijkt uit de schoolrapporten en de behandelverslagen van [naam instelling] , goed. Zij zitten bij afwezigheid van de vader goed in hun vel, zijn vriendelijk en sociaal en vorderen goed op cognitief vlak. Moeder heeft in de bijlage, overgelegd bij de zittingsaantekeningen van haar advocaat d.d. 18 april 2012, verweer gevoerd tegen de door vader voorgestelde geleidelijke opbouw van contacten tussen hem en de kinderen.

Moeder concludeert dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling noch uithuisplaatsing is voldaan en baseert zich hierbij mede op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2001 (LJN AB1009). Bovendien, zo stelt moeder bij monde van haar advocaat met een beroep op de dissertatie van G.J. van Wijk (“Hoezo noodzakelijk? Rechtsgronden voor kinderbeschermingsmaatregelen), dat de maatregel van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het onderhavige geval meer kwaad dan goed zal doen.

[minderjarige A] heeft verklaard dat het goed met haar gaat. Zij wil geen contact hebben met haar vader, die op haar verzoek “[roepnaam vader]” wordt genoemd. Zij is boos op hem, omdat hij niet de waarheid heeft gesproken over de mishandeling van haar moeder en omdat hij haar, [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] als leugenaar heeft bestempeld. [minderjarige A] heeft geen vertrouwen in haar vader temeer nu hij haar heeft geschreven haar met rust te laten, terwijl hij tegelijkertijd wel om een ondertoezichtstelling heeft verzocht.

[minderjarige B] heeft verklaard dat het goed met haar gaat. Zij wil geen contact hebben met haar vader. Zij vertelt nooit goed contact met hem te hebben gehad, omdat hij niet als een vader voelt aangezien hij altijd met zichzelf bezig was. [minderjarige B] wil graag dat haar vader haar met rust laat en haar de tijd gunt om zelf te bepalen wanneer zij contact met haar vader zal opnemen. [minderjarige B] is bang voor haar vader, omdat zij vindt dat hij niet te vertrouwen is. [minderjarige B] neemt het haar vader kwalijk dat hij heeft gelogen over de mishandeling van haar moeder die hij, na deze eerst steeds te hebben ontkend, wel tijdens het eerste contact met de kinderen aan hen heeft toegegeven.

De beoordeling

Thans komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de verzoeken tot de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C].

Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing betekent een inmenging in het gezinsleven van ouders en kinderen. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van de kinderen.

Artikel 1:254, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft betrekking op de ondertoezichtstelling en bepaalt het volgende.

“Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg”.

Artikel 1:261, eerste lid BW heeft betrekking op de uithuisplaatsing en bepaalt het volgende:

“Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting (…) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie”.

De rechtbank concludeert dat zowel aan de gronden voor de ondertoezichtstelling als aan de gronden voor de machtiging uithuisplaatsing is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank worden zowel [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] als [minderjarige C] ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en is zowel een ondertoezichtstelling als een uithuisplaatsing, hoe ingrijpend deze maatregelen ook voor [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] zullen zijn, noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen ouders in ieder geval al sinds mei 2009 zeer moeizaam verloopt en dat er sinds mei 2009, met uitzondering van de periode van 21 maart 2012 tot 18 april 2012 (welke korte periode van contact door beide ouders als positief is ervaren), geen contact is geweest tussen de vader en de kinderen. Hiertoe zijn, mede door tussenkomst van de rechtbank, diverse pogingen ondernomen. De rechtbank doelt hierbij op het door haar gelaste forensisch ouderschapsonderzoek, nadat diverse door de rechtbank opgelegde omgangsregelingen niet succesvol bleken te zijn, evenmin als de door haar opgelegde begeleide omgang bij “[naam omgangshuis] ”.

Het forensisch ouderschapsonderzoek is op last van de rechtbank in de bodemprocedure aangevangen door forensisch mediator [naam mediator], maar is voortijdig afgebroken zonder dat hierbij het contact tussen de vader en de kinderen tot stand is gekomen.

Ook de begeleide omgang bij “[naam omgangshuis] ” heeft, anders dan de rechtbank heeft beslist, niet tot enig contact, anders dan de uitwisseling van brieven tussen vader en de kinderen, geleid. Hierover heeft “[naam omgangshuis] ” in haar rapportage van 14 januari 2012, aangevuld bij brief van 20 januari 2012 (als productie G en H door de moeder bij brief van 20 maart overgelegd) het volgende gesteld:

“Kinderen zijn allen boos en stellig dat ze vader niet willen zien. (…). Kinderen laten heftige emoties zien zoals boos en angstig, praten in volwassen taal en spreken elkaar na. Kinderen willen dat vader hen met rust laat en toegeeft dat hij moeder heeft geslagen en dit ook toegeeft aan de rechters. (…). Tijdens dit voorbereidend gesprek blijkt dat de kinderen zo vol emoties zitten dat zij niet te sturen zijn en te begrenzen. Dit maakt dat het Omgangshuis er voor kiest om het eerste contact via brieven te laten verlopen omdat het nu onverantwoord is dat de kinderen vader zien maar het is ook onverantwoord hier niets mee te doen omdat de kinderen zo vast zitten in hun beeld van vader dat er geen realiteitszin meer lijkt te zijn. Het is heel belangrijk dat er toch weer ruimte gecreëerd gaat worden bij de kinderen. (…). Het doel om tot contactherstel te komen tussen vader en de kinderen is niet behaald, het Omgangshuis heeft de visie dat contact tussen vader en de kinderen op dit moment teveel onrust en emoties zou veroorzaken bij de kinderen en moeder. (…). Het omgangshuis maakt zich grote zorgen over het beeld wat de kinderen hebben van hun vader. Zij uiten zich zeer negatief over vader en laten zich hier niet in begrenzen door het omgangshuis. Het Omgangshuis is het ook opgevallen dat moeder de kinderen niet begrenst in de manier waarop zij zich uitten over vader. Het spreken over vader brengt paniek en ontzetting teweeg bij de kinderen. Dit wordt door hen gekoppeld aan ervaringen uit het verleden. Er is onvoldoende vertrouwen bij moeder en de kinderen om ruimte te creëren voor een genuanceerder beeld van vader in het heden. [naam huisvriend], hij noemt zichzelf huisvriend van moeder en de kinderen, is regelmatig aangesloten bij de gesprekken. Volgens het Omgangshuis is hij aan de ene kant steunend voor moeder en de kinderen, maar aan de andere kant bevestigt hij het beeld van vader bij de kinderen en brengt hij geen ruimte in om het beeld van vader te kunnen bijstellen. Het Omgangshuis vindt het van groot belang, voor de ontwikkeling van de kinderen, dat moeder en de kinderen hierbij worden geholpen. Zij adviseert deze hulp te vragen via het Trauma team van het GGZE of via Psychologen Praktijk [naam instelling] , eventueel onder supervisie van het Trauma Team van de GGZE”.

Uit deze verslaglegging van “[naam omgangshuis] ” leidt de rechtbank af dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door het feit dat de kinderen bij “[naam omgangshuis] ” ernstig acting outgedrag vertonen op het moment dat slechts enkel over vader wordt gesproken. Het feit dat moeder weliswaar heeft meegewerkt aan de begeleide omgang en de kinderen hierin heeft gestimuleerd maakt dit niet anders, nu het ook moeder is die niet in staat is (gebleken) de kinderen te begrenzen in de manier waarop zij zich uit(t)en over vader, waarbij overigens ook de rol van de huisvriend van moeder hierin niet als onverdeeld positief kan worden geduid. Bovendien bevestigt het verslag van “[naam omgangshuis] ” dat de geestelijke gesteldheid van de kinderen wordt bedreigd. Of hiervoor nu juist hulp van het Trauma Team, hetgeen door moeder is betwist, of van Psychologenpraktijk [naam instelling] nodig is, is in zoverre niet relevant nu het feit dát de kinderen die hulp nodig hebben, hetgeen ook door ouders is onderkend, vast staat.

In dat verband wijst de rechtbank op de psychologische behandeling van alle vier de kinderen bij Psychologenpraktijk [naam instelling] . Door de moeder zijn de behandelovereenkomsten van de kinderen en het behandelverslag van [minderjarige D] en [minderjarige C] in het geding gebracht en is hierop uitdrukkelijk een beroep gedaan.

Uit die behandelovereenkomsten en het behandelverslag leidt de rechtbank af, dat de zorgen die zowel de Raad, de stichting als “[naam omgangshuis] ” over de kinderen hebben, terecht en zeer groot zijn. De rechtbank overweegt dat die inhoud van deze stukken bevestigt dat sprake is van een ernstige bedreiging van de geestelijke belangen van de kinderen welke bedreiging niet door tussenkomst van “[naam omgangshuis] ” noch [naam instelling] kon worden afgewend. De behandeling bij [naam instelling] is gestart, na een initiatief hiertoe van moeder waarmee vader uiteindelijk heeft ingestemd. Dat de ouders hiertoe hebben besloten valt te prijzen. Echter de oorzaak voor deze behandeling van alle vier de kinderen is gelegen in de echtscheidingsproblematiek welke in alle heftigheid gedurende langere tijd structureel en op alle fronten (zowel financieel als voor wat betreft de kinderen) speelt. Kennelijk hadden de kinderen deze vorm van begeleiding nodig om die echtscheidingsperikelen van hun ouders en het onvermogen van de ouders om zich hier in hun rol als ouders van te distantiëren, het hoofd te kunnen gaan bieden, hetgeen overigens tot op heden nog niet is gelukt. Dat het blijkens schoolrapporten mogelijk wel goed gaat met de kinderen op school, doet aan die conclusie niets af.

De rechtbank wijst ter onderbouwing van haar conclusie hierbij op de volgende passages uit de stukken van [naam instelling] .

Behandelovereenkomst [minderjarige A] / beschrijvende diagnose
Er is bij [minderjarige A] sprake van veel onverwerkte boosheid ten opzichte van haar vader en instanties waar ze mee te maken heeft gehad in verband met de zaak betreffende een omgangsregeling. [minderjarige A] heeft geen contact met haar vader en dit wil zij ook graag zo houden. De loyaliteit naar haar moeder is juist heel sterk. [minderjarige A] functioneert goed op school, thuis bij haar moeder en met vriendinnen.

Behandelovereenkomst [minderjarige B]/ beschrijvende diagnose
Er is bij [minderjarige B] sprake van veel onverwerkte boosheid ten opzichte van haar vader, waar ze veel negatieve ervaringen mee heeft opgedaan, waarbij ze het vertrouwen in hem volledig is verloren. Er is geen contact tussen de vader en de kinderen. De loyaliteit naar haar moeder is juist heel sterk. [minderjarige B] functioneert goed op school, thuis bij haar moeder en met vriendinnen.
Behandelovereenkomst [minderjarige D] / beschrijvende diagnose
[minderjarige D] is een ruim [leeftijd] meisje dat veel heeft meegemaakt en nog meemaakt met betrekking tot de relatie tussen haar ouders, de scheiding en vele gebeurtenissen die daar omheen hebben plaatsgevonden. [minderjarige D] is van nature gesloten en houdt veel rekening met hoe iets voor een ander is. Het liefst ontziet ze anderen in hetgeen haar bezig houdt, waardoor er te weinig ruimte is voor haar eigen gevoel en beleving.

Behandelovereenkomst [minderjarige C] / beschrijvende diagnose
[minderjarige C] is een jongen van [leeftijd] die last heeft van de situatie die er tussen de ouders speelt en gespeeld heeft in het verleden. Hij heeft nare herinneringen aan gebeurtenissen thuis en voelt zich buitenshuis niet veilig vanuit de angst dat hij wellicht geconfronteerd wordt met onverwacht contact met zijn vader. [minderjarige C] voelt zich prettig in het contact met zijn zussen en haalt hier steun uit. Hij heeft moeite om zich te concentreren. Onduidelijk is of dit een gevolg is van de gebeurtenissen en de huidige spanningen die zich van tijd tot tijd voordoen of dat dit een op zichzelf staand probleem is.

Over [minderjarige D] en [minderjarige C] is door moeder ook het behandelverslag in het geding gebracht. [naam instelling] concludeert hierin het volgende.

“De conclusie van de behandeling tot op heden is dat er bij [minderjarige D] en [minderjarige C] op emotioneel niveau onvoldoende ruimte is om zichzelf open te stellen om een (positieve) representatie c.q. beeld van vader te ontwikkelen. Beiden lijken een bestaan van vader te loochenen, hij is er niet voor hen. Het vermoeden bestaat dat [minderjarige D] en [minderjarige C] mogelijk onvoldoende positieve hechtingservaringen met vader hebben opgedaan. De ingrijpende gebeurtenissen voor, tijdens en na de scheiding hebben dit mogelijk versterkt. Praten over vader, denken, laat staan voelen roept grote angst bij hen op en dit weren zij af door te ontkennen dat hij bestaat. Op (object) relationeel vlak is de ontwikkeling van [minderjarige D] en [minderjarige C] gestagneerd en zijn zij als persoon zeer kwetsbaar. (…). Zo kan er dan eveneens langzamerhand ruimte ontstaan om een beeld van (een) vader toe te laten in hun emotioneel leven zonder dat dit met druk gepaard gaat van één van beide ouders. Tevens zal dan ruimte kunnen ontstaan om meer gedifferentieerd te zijn in de relatie met moeder, te weten allerlei verschillende gevoelens aan haar durven tonen. Van belang voor een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling is dat zij beide kunnen ervaren en de bijbehorende gevoelens (…) kunnen verdragen. Het lijkt daarbij aan te bevelen dat vader zich open stelt voor begeleiding om stil te staan bij de wijze waarop hij kan luisteren naar de kinderen, zodat zij zich echt gehoord en gezien voelen door hem”.

Daar komt nog bij dat ook uit de e-mail van moeder aan vader d.d. 17 april 2012 welke als bijlage bij de zittingsaantekeningen van de advocaat van de moeder ter zitting van 18 april 2012 is overgelegd, blijkt dat alle kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Weliswaar heeft de moeder deze e-mail aangegrepen om aan te geven waarom (nog) niet moet worden gewerkt aan een (geleidelijke) uitbreiding van de “omgang” zoals door vader is voorgesteld, maar de rechtbank ziet in de inhoud van dit e-mailbericht een bevestiging van haar conclusie dat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun geestelijke ontwikkeling en dat een uithuisplaatsing van de kinderen, hoe treurig dan ook voor de kinderen, noodzakelijk is.

In dit verband wijst de rechtbank in het bijzonder op de volgende passages.

“Je hebt zelf ervaren dat het vertrouwen van de kinderen in jou helaas nihil is: [minderjarige C] durft zelf niet eens open te doen als je voor de deur staat en ondanks jullie gedeelde liefde voor voetbal wil hij geen balletje met je trappen. De contacten zijn er maar de afstand en het wantrouwen is nog zeer groot en dat heeft tijd nodig. (…). Zelf heb ik de afgelopen weken ervaren dat de kinderen bijzonder gespannen zijn in de aanloop naar de dagen dat er omgang is en dat de opluchting als het weer voorbij is, erg groot is. (…). [minderjarige A] heeft zelfs letterlijk gezegd dat, als het aan haar ligt, ze niets te maken wil hebben met je”.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt reeds dat alle andere middelen ter afwending van de bedreiging van de geestelijke belangen van de kinderen hebben gefaald en zullen falen. Het is immers geen enkele instantie, al dan niet na hiertoe te zijn gelast door de rechtbank, gelukt deze bedreiging weg te nemen.

Tot de overtuiging van de rechtbank dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing is voldaan, draagt voorts bij de door vader erkende en door moeder niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling van de Raad dat bij de kinderen sprake is van het ouderverstotingssyndroom, ook wel PAS (Parental Alienation Syndrome) genoemd. Bij het ouderverstotingssyndroom is sprake van een pathologische binding tussen ouder en kind, in dit geval moeder en de kinderen, met uitsluiting van de andere ouder, in casu vader. De voornaamste uiting hiervan is een ongerechtvaardigd denigrerende houding van het kind tegenover de uitwonende ouder.

De gedingstukken alsmede de uitlatingen en gedragingen van alle kinderen ten overstaan van “[naam omgangshuis] ” en [naam instelling] en die van [minderjarige A] en [minderjarige B] ten overstaan van de kinderrechter welke hen heeft gehoord, bevestigen dat hiervan sprake is. Dat moeder een rechtvaardiging vindt voor het afhouden van (te snel) contact tussen vader en de kinderen, gelegen in een door haar gestelde mishandeling in het verleden van haar door vader – waarvan vader zowel in eerste aanleg als in appel is vrijgesproken – en door de wens van de kinderen om geen contact meer te hebben met hun vader, kan hieraan op geen enkele wijze afdoen, nog daargelaten dat zulks nimmer reden kan zijn voor het (voeden van) het ouderverstotingssyndroom waaraan de kinderen thans lijden. Immers de Raad heeft onomwonden in haar rapport van 9 april 2010 geconcludeerd dat geen sprake is van enige contra-indicatie voor het (herstellen van het) contact tussen de kinderen en vader en heeft die conclusie zowel ter zitting van 21 maart 2012 als die van 18 april 2012 bevestigd. Deze conclusie is ondersteund door de stichting. Het verweer van moeder dat die contra-indicaties wel aanwezig zijn getuige het gedrag van de kinderen acht de rechtbank van onvoldoende gewicht nu die gedragingen juist de constatering van het ouderverstotingssyndroom bevestigen en de conclusie dat de kinderen ernstig in hun geestelijke ontwikkeling worden bedreigd ten gevolge waarvan een uithuisplaatsing noodzakelijk is, onderbouwen. Het baart de rechtbank zorgen dat moeder dit niet onder ogen wil zien.

De rechtbank overweegt dat het bestaan van het ouderverstotingssyndroom bij alle vier de kinderen in onderling verband bezien met de overige (psychische) problemen van de kinderen een zeer ernstige bedreiging van de geestelijke ontwikkeling van de kinderen vormt. Slechts door een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing, waarbij tevens sprake van behandeling van de kinderen dient te zijn, is het mogelijk de schade die dit ouderverstotingssyndroom alsmede hetgeen dat daartoe heeft geleid, al heeft aangericht te beperken en zo mogelijk weg te nemen.

Gelet op het vorenoverwogene in onderling verband beschouwd met de gedingstukken en het het verhandelde ter zitting concludeert de rechtbank dat [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] thans in een omgeving opgroeien waar het hen niet vrij staat een band, op welke wijze dan ook, op te bouwen met hun vader. De argumenten die moeder hiervoor hanteert acht de rechtbank van onvoldoende gewicht. De kinderen verblijven reeds gedurende langere tijd in een omgeving waarin de vechtscheiding van hun ouders, en niet de kinderen zelf, centraal staan. De kinderen zijn inzet van de strijd geweest, met alle gevolgen van dien. Dat de kinderen de thans ingezette en ook nog geadviseerde begeleiding nodig hebben is een gevolg daarvan geweest evenals de aanwezigheid van het als zeer ernstig te noemen ouderverstotingssyndroom. Het feit dat het vader noch moeder lukt tezamen afspraken te maken over hun rol als ouders van de kinderen en in redelijkheid als ouders met elkaar en met hun kinderen om te gaan, heeft ertoe geleid dat de huidige situatie niet meer kan worden gehandhaafd en op geen enkele wijze in het belang van de [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] kan worden geacht. De kinderen worden ernstig in hun geestelijke ontwikkeling bedreigd. Het feit dat zij niet de kans krijgen onbelast contact met beide ouders te hebben en sprake is van het ouderverstotingssyndroom, maakt dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het nog langer later verblijven van de kinderen in deze omgeving moet als zijnde zeer schadelijk en niet in het belang van de kinderen worden geacht. Slechts een ondertoezichtstelling, een uithuisplaatsing en behandeling van de kinderen voor het hen door beide ouders aangedane leed, kan in hun belang worden geacht. De rechtbank realiseert zich dat de kinderen een hoge prijs moeten betalen voor het gedrag van hun ouders. Echter, gelet op het belang van de kinderen op zowel korte als lange termijn en het feit dat de kinderen door toedoen van hun ouders thans in een geweldsvacuüm terecht zijn geraakt dat zeer schadelijk is voor hun geestelijke gezondheid, kan niet anders worden geoordeeld. Vanuit de uithuisplaatsing, bezien als een “nulpunt”, zullen de vader en de moeder hun rol als ouder, onder deskundige begeleiding, dienen te hervatten. De rechtbank wenst zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen en de vorderingen van de ouders met betrekking tot hun taak als opvoeders en zal daarom het verzoek tot de machtiging uithuisplaatsing slechts voor de duur van zes maanden – in plaats van de verzochte duur van één jaar – afgeven en voor het overige aanhouden.

De Raad en de stichting dienen de rechtbank tijdig voor afloop van deze periode te informeren over het verloop van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van de kinderen en ontwikkelingen in de relatie tussen ouders.

Nu het verzoek tot de machtiging uithuisplaatsing wordt toegewezen, behoeft geen voorlopige omgangsregeling in het kader van de ondertoezichtstelling te worden opgelegd. Het tot stand brengen van de contacten tussen vader, moeder en de kinderen, nadat deze uit huis zijn geplaatst, zal aan de stichting worden overgelaten.

De beslissing

De kinderrechter:

  • stelt de minderjarigen voornoemd onder toezicht van een stichting, te weten: BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT, Wal 20, 5611 GG Eindhoven met ingang van 10 mei 2012 voor de duur van één jaar;
  • verleent machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarigen in een voorziening voor verblijf pleegouders 24 uurs voor de duur van zes maanden;
  • houdt het verzoek voor het overige aan tot de zitting van 31 oktober 2012;
  • verzoekt de Raad en de stichting uiterlijk twee weken voor de zitting van 31 oktober 2012 aanvullende rapportage uit te brengen zoals hiervoor overwogen;
  • beveelt de griffier de belanghebbenden op te roepen voor de zitting van 31 oktober 2012 op een nog nader te bepalen tijdstip.
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te ‘s-Hertogenbosch door mrs. P.P.M. van Reijsen, O.A.J.M. Lavrijssen en V.R. de Meyere, kinderrechters en uitgesproken ter openbare zitting van 10 mei 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Conc.PvR
Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat -hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch:
a) door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.

Referentie:
ECLI:NL:RBSHE:2012:BW5616, voorheen LJN BW5616, Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 246254 / JE RK 12-669 en 244529 / JE RK 12-423MZ01

Advertenties

mei 10, 2012 at 12:28 pm Plaats een reactie

5 maart 2010 – Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” – Bezoekruimte Het Huis, Brugge, België

LOCATIE:

Het Huis – Neutrale bezoekruimte Rozendal 5 8000 Brugge Tel.: 0497/258.392 www.hethuis.be 320-0820881-40

PROGRAMMA – Uurrooster van 9.00 to 17.00 uur:

9 u 00: Onthaal

9 u 30: Welkomstwoord door Paul Theeuws – voorzitter Het Huis vzw

9 u 45: Dirk de Fauw – gedeputeerde Provincie West-Vlaanderen

10 u 00: Voorstelling Het Huis – Andrea Croonenberghs – ambassadrice Het Huis – Antwerpen

10 u 30: Joep Zander – pedagoog, auteur, founding father van de verklaring van Langeac

11 u 15: Pauze

11 u 30: Tony Van Loon – mede oprichter Het Huis – doctor in de moraalwetenschappen VUB

12 u 15: Broodjeslunch

13 u 15: Prof. Dr. Chris Dillen – forensisch psychiater, VUB

14 u 00: Dhr/mv Jeugdrechter

14 u 30: Mv. T’Hooft – substituut-procureur-generaal – (onder voorbehoud)

15 u 15: Luc Goutry – Parlementslid – Gelegenheid tot vraagstelling aan de verschillende sprekers

16 u 15: Receptie

17 u 00: Einde

INSCHRIJVING

Deelname €30 te betalen op rek. 320-0820881-40 voor 15.02.2010 met vermelding “Symposium Brugge” (drank en broodjeslunch inbegrepen)

Inschrijven via hethuis@telenet.be info tel 03/216.17.17 na betaling wordt uw inschrijving bevestigd

Er wordt een aanwezigheidsattest afgeleverd indien gevraagd

Het Huis – Neutrale bezoekruimte – Rozendal 5, 8000 Brugge, België, Tel.: 0032 – 497/258.392 www.hethuis.be, Rek nr. 320-0820881-40

PDF versie: http://www.hethuis.be/Pictures/ProgrammaBrugge.pdf
Bezoekruimte Het Huis in België, Brugge

februari 10, 2010 at 2:13 pm 1 reactie

BJ5347 – Gerechtshof Den Bosch – Raad voor Kinderbescherming stelt in rapport mogelijke diagnose ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS)

BJ5347 – Uitspraak Gerechtshof Den Bosch – Raad voor de Kinderbescherming stelt in rapportage in een omgangszaak formeel een mogelijke diagnose ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS) vast

Inleiding

Het Gerechtshof Den Bosch geeft in onderstaande uitspraak een kindermishandelende moeder de vrije hand tot verdere ouderverstoting van vader en sluit de kinderen buiten van hun vader.

Van belang in deze uitspraak is echter wel dat de Raad voor de Kinderbescherming (zie daartoe de paragrafen 3.10 en 3.15 in onderstaande uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch) in haar rapportage aan de Rechtbank Den Bosch in deze zaak formeel de mogelijke diagnose van het Ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS) stelt en daarmee het verschijnsel PAS bij scheidingskinderen erkent als mogelijke probleemdiagnose.

Dit is nu de tweede keer dat het ouderverstotingssyndroom in uitspraken van een rechterlijk college terugkomt. Eerder gebeurde dat in de uitspraak van 13 juni 2007 door de Rechtbank Maastricht (BA7155).

Drs.  Peter Tromp

Pedagoog, Vaderkenniscentrum

————-
Uitspraak LJN: BJ5347, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , HV 200.009.917
Datum uitspraak: 13-08-2009
Datum publicatie: 14-08-2009
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie:

Contactverbod op grond van artikel 1:253a lid 2 aanhef en onder sub a Bw jo. Artikel 1:377a lid 3 sub a en/of d Bw.

Uitspraak

JM

13 augustus 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.009.917/01

Zaaknummers eerste aanleg: 155362/FA RK 07-722 en 155419/FA RK 07-747

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.M. de Winther-Meijers,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. Gerrand

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juli 2008, heeft de moeder – voor zover hier van belang – het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het recht van de vader op onbegeleide (vrije) omgang met de minderjarige kinderen van partijen gedurende de periode dat de kinderen de twaalfjarige leeftijd nog niet hebben bereikt wordt geschorst en te bepalen dat het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen van partijen wordt gewijzigd in die zin dat alleen de moeder met het ouderlijk gezag over hen wordt belast.

2.2. Bij verweerschrift met producties, tevens houdende incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2008, heeft de vader het hof verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet, althans onvoldoende, bewezen en voormelde beschikking te bekrachtigen met verbetering van de grond inhoudende dat het opleggen van een dwangsom niet aan de orde zou zijn, met veroordeling van de moeder in de kosten van het appel. Het hof begrijpt het petitum van de man aldus, dat hij het hof verzoekt alsnog ten laste van de moeder een dwangsom van € 500,- per overtreding per dag aan de omgangsregeling te verbinden.

2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appel met productie, ingekomen ter griffie op 11 september 2008, heeft de moeder het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel appel van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.4. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2008, heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting), belanghebbende in deze procedure, zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2.3. Op 23 september 2008 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden en is de zaak aangehouden in afwachting van de resultaten van een hulpverleningstraject van de stichting. Van de mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Op 4 juni 2009 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

– de moeder, bijgestaan door mr. G.M. de Winther-Meijers;

– de vader, bijgestaan door mr. I. Gerrand;

– de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw M. Mous;

– de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E. van den Dam.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

–   de brief van de advocaat van de moeder van 18 september 2008 met als bijlage productie 13 bij het appelschrift;

–  de brief van de stichting van 2 januari 2009;

–  de brief van de advocaat van de moeder van 8 januari 2009;

–  de brief van de advocaat van de vader van 30 januari 2009;

–  de brief van de advocaat van de vader van 24 maart 2009;

–  de schoolrapporten van [A.] en [B.] van de tweede periode van het schooljaar 2007-2008;

–  de tijdens de mondelinge behandeling van 4 juni 2009 door de stichting overgelegde beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2009 waarin de rechtbank het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen van partijen heeft afgewezen.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Partijen zijn op 15 juni 1998 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

–  [A.] (hierna: [A.]), op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

–  [B.] (hierna: [B.]), op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

3.2. Bij beschikking van 5 november 2004 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 februari 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen het hoofdverblijf bij de moeder hebben.

3.3. Bij beschikking van 8 april 2005 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch een door partijen overeengekomen omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader gerechtigd is tot omgang met [A.] en [B.] gedurende elke zondag van 11:00 tot 19:00 uur alsmede twee weken in de zomervakantie, een week in de kerstvakantie (tweede week) en gedurende andere feestdagen op de tweede feestdag.

3.4. De moeder heeft wijziging gevraagd van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 april 2005, alsmede wijziging van het ouderlijk gezag verzocht. Bij de bestreden, – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank de omgangsregeling gewijzigd zodanig dat de vader gerechtigd is tot omgang met [A.] en [B.]:

–  vanaf 1 juli 2008 gedurende een periode van 6 weken één keer per week begeleide omgang op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur, welke begeleiding zal geschieden door tante [C.] of tante [D.], bij partijen genoegzaam bekend;

–  vanaf 12 augustus 2008 gedurende een periode van 6 weken één keer per week onbegeleide omgang op zaterdag van 10:00 tot 18:00 uur;

–   vanaf 23 september 2008 onbegeleide omgang en wel gedurende één weekend per veertien dagen vanaf vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 18:00 uur.

Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag van de moeder afgewezen.

3.5. De moeder en de vader kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de moeder richten zich tegen de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling en de afwijzing van haar verzoek om alleen met het gezag belast te worden. De grief van de vader richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat zij ervan uitgaat dat de moeder zal meewerken aan de omgangsregeling, zodat een dwangsom niet aan de orde is.

3.6. Het hof stelt vast dat partijen na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen zijn blijven uitoefenen. Zoals nader uit deze beschikking zal blijken, zal het hof het gezamenlijk gezag handhaven.

Omgang

3.7. Het hof stelt vast dat met ingang van 1 maart 2009 artikel 1:377h BW is komen te vervallen. Op het onderhavige geschil is sinds die datum het gewijzigde artikel 1:253a BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent een omgangsregeling in het kader van de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter kan op grond van artikel 1:253a BW uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben.

3.8. Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW – dat op grond van artikel 1:253a lid 4 BW van overeenkomstige toepassing is – ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.9. De moeder wenst dat het recht van de vader op onbegeleide (vrije) omgang met de kinderen gedurende de periode dat de kinderen de twaalfjarige leeftijd nog niet hebben bereikt, wordt geschorst. Zij voert in haar beroepschrift – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat niet is komen vast te staan dat de vader de kinderen seksueel heeft misbruikt en dat van andere contra-indicaties niet is gebleken. Voorts bestaat tussen de kinderen en de vader amper een band en willen zij geen omgang met de vader. Sinds er geen omgang meer plaatsvindt gaat het heel goed met de kinderen. Omgang is voor de kinderen heel erg belastend. Ondanks haar bezwaren heeft de moeder in eerste aanleg tijdens de mondelinge behandeling op 8 mei 2008 aan de rechtbank meegedeeld dat zij bereid is haar medewerking te verlenen aan omgang tussen de vader en de kinderen, in eerste instantie onder begeleiding. De rechtbank heeft echter ten onrechte de zaak niet aangehouden in afwachting van het verloop van de begeleide omgang en de toegezegde hulpverlening aan zowel de vader als de moeder. Onbegeleide omgang kan pas plaatsvinden indien blijkt dat de begeleide omgang goed is verlopen en dient plaats te vinden in openbare gelegenheden, zodat de veiligheid van de kinderen gewaarborgd is. Een weekendregeling met een overnachting van de kinderen bij de vader is in strijd met het belang van de kinderen. De veiligheid van de kinderen dient boven alles te worden gegarandeerd.

3.10. De vader voert in zijn verweerschrift – samengevat – het volgende aan. Er is geen sprake van seksueel misbruik. De officier van justitie heeft naar aanleiding van de klacht van de moeder en de verhoren van de kinderen besloten geen vervolging in te stellen en dit hof heeft het klaagschrift van de moeder tegen dit besluit ongegrond verklaard. Tot medio 2006, voordat de moeder de omgang staakte, was de omgang in orde en waren er geen negatieve signalen van de kinderen naar de vader. De kinderen worden sterk door de moeder beïnvloed en de vader is evenals de raad van mening dat niet uitgesloten is dat er sprake is van een ouderverstotingssyndroom (PAS). Als er al sprake zou zijn van toegezegde hulpverlening in eerste aanleg, staat dit een omgang van de vader met de kinderen niet in de weg. De door partijen tijdens de zitting in eerste aanleg overeengekomen begeleide omgang is door de moeder niet nagekomen. De moeder grijpt elk argument en elke mogelijkheid aan om de omgang van de vader met de kinderen te verhinderen. Er is geen reden om de omgang in een openbare gelegenheid te laten plaatsvinden en de kinderen kunnen ook bij de vader overnachten. Dat hebben zij in het verleden ook gedaan.

De vader voert voorts in incidenteel appel aan dat in de onderhavige zaak een dwangsom opportuun is. De moeder heeft geweigerd mee te werken aan de uitvoering van de in de bestreden beschikking neergelegde begeleide omgangsregeling van de eerste periode van zes weken en heeft via haar advocaat aangegeven ook na ommekomst van die zes weken niet mee te werken.

3.11. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op 23 september 2008 heeft de stichting een te bewandelen hulpverleningstraject voor de kinderen van partijen en onder meer de moeder uitgestippeld en hebben partijen verklaard bereid te zijn aan dit traject mee te werken. Het hof heeft vervolgens iedere inhoudelijke beslissing in deze zaak aangehouden in afwachting van het door de stichting uit te brengen rapport en advies.

3.12. Bij brief van 2 januari 2009 heeft de stichting verslag gedaan van het hulpverleningstraject. Uit dit verslag blijkt dat er in samenspraak met de ouders een 6-stappenplan is opgesteld, maar dat het traject is gestopt na stap twee, waarbij de vader een kaartje heeft geschreven aan de kinderen. De kinderen reageerden heel heftig op het voorlezen van de kaart. Naar aanleiding hiervan heeft intern overleg tussen de gedragswetenschappers van de stichting plaatsgevonden. De gedragswetenschappers zijn van mening dat het niet in het belang van de kinderen is om nu tot een omgangsregeling te komen. Aangezien het heel goed gaat met de kinderen en ze op dit moment geen enkele klacht of anderszins afwijkend gedrag vertonen, is het nu niet het moment om speltherapie of andere hulp aan te bieden. De stichting concludeert in haar brief dat zij geen mogelijkheden ziet tot begeleiden tot en bij omgang. De gezinsvoogd vindt het heel vreselijk voor de vader, maar ziet, evenals de gedragswetenschappers, geen mogelijkheden om daar stappen in te ondernemen zonder de kinderen te beschadigen. Uithuisplaatsing van de kinderen, zoals de man voorstelt, acht de stichting absoluut geen optie en gijzeling en dwangsommen evenmin.

3.13. Partijen hebben respectievelijk bij brief van 8 januari en 24 maart 2009 en tijdens de mondelinge behandeling op 4 juni 2009 op de brief van de stichting gereageerd. De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de stichting en wijzigt naar aanleiding hiervan haar verzoek in die zin dat zij nu primair verzoekt de vader het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen en subsidiair het recht op omgang te schorsen. De vader voert – met betrekking tot de omgang – het volgende aan. Het traject van de stichting heeft slechts kort geduurd en de moeder heeft aan de eerste stap (het geven van de door de vader gestuurde Donald Duck aan de kinderen) al geen medewerking verleend. Het bevreemdt de vader ten zeerste dat de kinderen gedurende de begeleide omgang bij Kompaan in 2007 en begin 2008 geen angst toonden jegens hun vader en dat zij ruim acht maanden daarna, gedurende welke periode er geen contact was tussen de vader en de kinderen, wel blijk geven van angsten jegens de vader. De vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de moeder de kinderen uitermate negatief heeft geïnformeerd over de vader en dat zij derhalve een grote rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de angsten van de kinderen. De vader is van mening dat in het belang van de kinderen een psychologisch onderzoek dient te worden gelast door Fora of een andere deskundige. Er heeft nog niet eerder een dergelijk onafhankelijk onderzoek plaatsgevonden. De vader verzoekt het hof tevens een ouderschapsonderzoek te gelasten, waarbij ook de kinderen worden betrokken.

3.14. Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen medio december 2006 door de moeder is stopgezet. Sindsdien heeft er geen omgang meer plaatsgevonden met uitzondering van de acht door stichting Kompaan begeleide bezoeken in een omgangshuis in de periode van september 2007 tot en met februari 2008. De moeder beschuldigt de vader van seksueel misbruik. Het hof is van oordeel dat er geen enkele aanleiding is om aan seksueel misbruik van de kinderen door de vader te denken. De voorbeelden die de moeder noemt, moeten eerder als onschuldig spel worden geïnterpreteerd. De raad geeft in haar rapport van 23 mei 2007 aan dat zij geen signalen heeft geconstateerd die zouden duiden op seksueel misbruik. De moeder is ook niet met de kinderen naar de huisarts gegaan om ze te laten onderzoeken en heeft voor de kinderen geen psychologische hulp gezocht. Naar aanleiding van de aangifte die de moeder heeft gedaan, heeft de officier van justitie besloten de vader niet te vervolgen en het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, dat de moeder vervolgens heeft ingediend bij dit hof, is afgewezen. Voorts heeft ook mevrouw Mous van de stichting, die de ouders de afgelopen periode intensief heeft begeleid, op de zitting verklaard niet te geloven dat er sprake is geweest van seksueel misbruik.

3.15. Het hof heeft wel, anders dan de stichting, ernstige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. De in de brief van de stichting van 2 januari 2009 omschreven reactie van de kinderen op het voorlezen van de kaart van hun vader is zo extreem dat het zeer waarschijnlijk is dat er sprake is van grote sociaal-emotionele problemen bij de kinderen. De raad kwam in haar rapport van 23 mei 2007 tot de conclusie dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. De raad zag aanwijzingen die wezen in de richting van het Parental Alienation Syndrome, waarbij kinderen worden aangezet door één ouder de andere ouder te denigreren. De raad noemde de manier waarop de moeder haar liefde voor haar kinderen laat zien verstikkend. De moeder zette volgens de raad met haar handelswijze de kinderen klem en de kinderen kregen niet de ruimte zich op eigen en natuurlijke wijze sociaal-emotioneel te ontwikkelen. Daarnaast vond de raad de manier waarop de moeder met haar vermoedens van seksueel misbruik omging zeer beschadigend voor de kinderen. De raad adviseerde intensieve thuisbegeleiding en individuele hulpverlening aan de moeder. De moeder had volgens de raad ondersteuning nodig bij het invullen van haar ouderrol, het loslaten van de partnerstrijd en het omgaan met en het effect van haar ervaringen in relatie tot het gevoel van afwijzing. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stukken niet dat er in de houding van de moeder sindsdien een verbetering is opgetreden. Uit de brief van de stichting blijkt bijvoorbeeld dat de moeder tegen de kinderen heeft gezegd dat als iemand van je houdt, hij niet doet wat papa deed. Ook heeft de moeder geen individuele hulpverlening gehad. Tijdens de zitting van 4 juni 2009 is gebleken dat de moeder geen inzicht heeft in de gevolgen van haar gedrag voor de kinderen en dat zij ook niet open staat voor individuele hulpverlening aan haarzelf.

3.16. Helaas heeft de blokkade die er bij de moeder bestaat, waar die ook door wordt veroorzaakt, er inmiddels toe geleid dat de kinderen nu een zodanig gedrag vertonen dat het niet verantwoord is om in het kader van de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken een (onbegeleide) regeling vast te stellen en zeker niet op straffe van een dwangsom. Gezien de reactie van de kinderen alleen al op het voorlezen van de kaart van de vader is duidelijk dat op dit moment een regeling ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen en/of anderszins in strijd zou zijn met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Voorts hebben zowel de stichting als de raad tijdens de zitting van 4 juni 2009 verklaard dat de kinderen rust nodig hebben. Het hof volgt het advies van de stichting en de raad, hoezeer het hof ook beseft dat dit moeilijk te accepteren zal zijn voor de vader. Het hof heeft echter het belang van de kinderen voorop te stellen en dat belang brengt thans mee dat na een lange periode van proberen via Kompaan en via het stappenplan van de stichting om het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen, er nu rust moet komen voor de kinderen. Het hof zal derhalve in het belang van de kinderen het contact tussen de vader en de kinderen tijdelijk verbieden voor de periode van een jaar. Een langere periode dan een jaar acht het hof niet wenselijk en overigens niet mogelijk op grond van het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2009 (LJN 365045). In zoverre is het verzoek van de moeder om de vader de omgang te ontzeggen of de omgang te schorsen totdat de kinderen twaalf jaar zijn, niet toewijsbaar. Een onderzoek door Fora of een andere deskundige acht het hof op dit moment te belastend voor de kinderen. Ook hier geldt dat de kinderen een periode van rust nodig hebben. Sinds 2007 heeft er een raadsonderzoek plaatsgevonden, is er begeleide omgang geweest via Kompaan en is er een hulpverleningstraject geweest van de stichting. De kinderen hebben hierdoor reeds lange tijd onder druk gestaan.

Het hof is van oordeel dat er op termijn alsnog contact moet komen tussen de kinderen en hun vader en dat het in dat kader van belang is dat de moeder goed naar zichzelf kijkt en hulp zoekt om te ontdekken waar haar blokkade vandaan komt en hoe deze kan worden opgeheven ten behoeve van het welzijn van de kinderen. Het is voor de kinderen van groot belang, ook voor het aangaan van relaties op latere leeftijd, te weten wie hun vader is en daar contact mee te hebben. Gezien de ervaringen in gelijksoortige zaken, is te verwachten dat de kinderen later problemen zullen ondervinden met het aangaan van relaties indien er niets verandert.

3.17. Een ouderschapsonderzoek zou normaal gesproken een goede optie zijn, echter in dit geval niet gezien de volstrekt halsstarrige houding van de moeder. Het hof betwijfelt ten zeerste of een gedwongen bemiddeling in de onderhavige zaak op dit moment tot resultaat zou leiden en het hof heeft geen behoefte aan een deskundigenbericht. Voorts is een ouderschapsonderzoek niet goed voorstelbaar zonder daar de kinderen bij te betrekken en de kinderen hebben op dit moment rust nodig. Ook is te verwachten dat de moeder de kinderen opnieuw met de strijd tussen de ouders zal belasten naar aanleiding van het ouderschapsonderzoek.

Het zij herhaald dat het betreurenswaardig voor de vader is dat er op dit moment geen regeling tot stand kan komen, echter de belangen van de kinderen wegen hier zwaarder.

Informatie- en consultatieplicht

3.18. De vader heeft in zijn brief van 24 maart 2009 het hof verzocht de moeder een informatie- en consultatieplicht op te leggen gedurende de periode dat er geen omgang is tussen de vader en de kinderen, waarbij de moeder de vader eens per maand schriftelijk dient te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen. Dit verzoek vormt een aanvulling op zijn zelfstandig verzoek in eerste aanleg tot uitbreiding van de omgangsregeling. De moeder heeft geen bezwaar gemaakt tegen indiening van dit aanvullende verzoek, zodat dit door het hof in behandeling kan worden genomen. De moeder heeft zich wel inhoudelijk tegen toewijzing van het verzoek verzet. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij van mening is dat zij aan de informatieplicht voldoet door het opsturen van de rapporten van de kinderen. Zij wil geen foto’s van de kinderen aan de vader sturen, omdat zij bang is dat de vader de kinderen dan zal gaan ontvoeren.

3.19. Ingevolge artikel 1:253a lid 2 sub c BW kan de rechter een regeling vaststellen omtrent de wijze waarop de informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft. Het hof is van oordeel dat het van groot belang is dat de moeder op correcte wijze uitvoering geeft aan haar informatieplicht, zeker omdat er het komende jaar geen contact zal zijn tussen de vader en de kinderen. Nu de moeder een te beperkte uitleg geeft aan deze plicht, zal het hof een regeling vaststellen. De moeder dient eenmaal per drie maanden de vader schriftelijk informeren over de schoolprestaties van de kinderen, hun gezondheid en algeheel welzijn, hun hobby’s en vrijetijdsbesteding en andere ontwikkelingen ten aanzien van de kinderen. Onder de door de moeder te verstrekken informatie valt ook het nieuwe adres van de kinderen in geval van een eventuele verhuizing. Voorts dient de moeder elke drie maanden een goed gelijkende foto van ieder kind aan de vader te sturen. Er is naar het oordeel van het hof geen enkele aanleiding om te denken dat de vader de kinderen zal ontvoeren en de moeder heeft deze stelling ook niet nader onderbouwd.

Gezag

3.20. De moeder wenst alleen met het gezag over de kinderen belast te worden. Zij stelt dat de relatie tussen haar en de vader ernstig is verstoord en dat er tussen hen in het geheel geen communicatie plaatsvindt. De relatie tussen partijen is nog verder verslechterd doordat de vader het verzoek van de gezinsvoogd tot uithuisplaatsing van de kinderen ondersteunde. Volgens de moeder zullen de kinderen bij handhaving van het gezamenlijk ouderlijk gezag klem of verloren raken. De moeder heeft voorts een procedure moeten starten bij de rechtbank om vervangende toestemming te krijgen om naar België te verhuizen.

3.21. De vader voert aan dat er geen contact tussen partijen is omdat de moeder dit niet toelaat. De steun van de vader aan het verzoek tot uithuisplaatsing was begrijpelijk omdat de moeder, terwijl er sprake was van een ondertoezichtstelling, de kinderen zonder overleg en zonder toestemming van de gezinsvoogd plotseling van school had gehaald met de mededeling dat zij niet meer terug zou komen en de moeder bovendien voor niemand bereikbaar was. Indien de moeder alleen met het gezag wordt belast, voorziet de vader dat zij met de kinderen zonder achterlating van een nieuw adres zal verhuizen naar België, waardoor het voor de vader vrijwel onmogelijk zal zijn ooit nog te weten hoe het met de kinderen gaat. Het in stand houden van het gezamenlijk gezag is niet in strijd met de belangen van de kinderen.

3.22. Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het op 1 maart 2009 gewijzigde artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien:

a.  er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b.  wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.23. Uitgangspunt is dat het gezamenlijk gezag van voorheen met elkaar gehuwde ouders gehandhaafd blijft, tenzij wijziging van het gezag noodzakelijk is in het belang van het kind. Het hof is van oordeel dat het in casu in het belang van de kinderen is dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft. Het hof is met de vader van oordeel dat het niet denkbeeldig is dat in geval van eenhoofdig gezag van de moeder de vader ieder zicht op de kinderen verliest doordat de moeder naar België vertrekt. Het is in het belang van de kinderen dat hun vader in beeld blijft, ook al heeft hij op dit moment geen contact met hen, zodat de vader in de toekomst wel weer in staat zal zijn een deel van de zorg- en opvoedingstaken op zich te nemen. Zoals de raad in zijn rapport van 23 met 2007 aangaf, kan de vader een beschermende factor vormen voor de kinderen in het kader van hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Voorts is er met betrekking tot de uitvoering van het gezag geen onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Het enkele feit dat er geen communicatie is tussen de ouders, is daarvoor onvoldoende. Er zijn met uitzondering van het punt van de verhuizing naar België geen conflictpunten met betrekking tot het gezag doordat in de praktijk de moeder alle beslissingen die nodig zijn in het kader van de verzorging en opvoeding van de kinderen zelfstandig neemt en de vader zich daar – zijns ondanks – niet mee bemoeit. De strijd van de ouders heeft met name betrekking op het vermeende seksueel misbruik en het contact tussen de kinderen en de vader en niet op de uitvoering van het gezag. Het hof zal gezien het voorgaande het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag afwijzen.

4. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 juni 2008 voor zover daarbij een omgangsregeling is vastgesteld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 april 2005 in die zin dat het hof de vader met ingang van heden verbiedt om contact te hebben met de minderjarige kinderen van partijen gedurende een periode van één jaar;

bepaalt dat de moeder de vader éénmaal per drie maanden schriftelijk informeert omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen van partijen, waarbij onder gewichtige aangelegenheden dient te worden verstaan hetgeen in rechtsoverweging 3.19. is vermeld en dat de moeder éénmaal per drie maanden een goed gelijkende foto van ieder kind aan de vader verstrekt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 juni 2008 voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot het toekennen aan haar van het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen van partijen is afgewezen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg en Van Harinxma thoe Slooten en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2009.

  • Mw. mr. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden – Vice-president Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, Datum ingang:2006-04-01
  • Mw. mr. R.R. Everaars-Katerberg; Raadsheer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch; Datum ingang:2007-03-01
  • Dhr. mr.dr. L.R. van Harinxma Thoe Slooten; Raadsheer Plaatsvervanger Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, Datum ingang:2006-10-20; Raadsheer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 2009-08-01

augustus 13, 2009 at 9:49 am 89 reacties

Het Verdeelde Kind – Literatuuronderzoek omgang na scheiding (Spruijt c.s., Raad voor de Kinderbescherming, Utrecht, 2002)

Wat vooraf ging

In het verlengde van de op 24 juni 1999 in de Grote Kerk van Breda door Stichting Kind en Omgangsrecht (inmiddels Stichting Vader Kennis Centrum), het toenmalige Platform Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht (Platform SCJF, in 2003 opgeheven) en het Ministerie van Justitie (inmiddels Ministerie van Justitie en Veiligheid) georganiseerde conferentie “Het belang van het kind – Van toverformule naar hanteerbare definitie” en de daar door Prof. Dr. Richard A. Gardner gehouden lezing over het ‘Parental Alienation Syndrome (PAS)‘, drong het Platform SCJF in haar reguliere overleg met het Landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming in de daarop volgende jaren 2000/2001 bij herhaling sterk aan op erkenning door de Raad van het ouderverstotingssyndroom (PAS) als specifieke vorm van (geestelijke) kindermishandeling van scheidingskinderen door “verblijfsouders”.

De Raad voor de Kinderbescherming die dit geenszins van plan was, heeft daarop in haar eenzijdige opdracht en door haar bekostigd door Ed Spruijt van de Universiteit Utrecht een zgn. literatuurstudie ter derangering van het ouderverstotingssyndroom laten verrichten, waarop de Raad zich in de jaren daarna steeds is blijven beroepen om het ouderverstotingssyndroom NIET te erkennen als vorm van kindermishandeling van scheidingskinderen.

Deze literatuurstudie “Het verdeelde kind” van Ed Spruijt c.s. die in opdracht van het Landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming in 2002 werd gepubliceerd vindt u hieronder.

————————————————————-

Literatuuronderzoek omgang na scheiding

Het Verdeelde Kind

Auteurs: Ed Spruijt, Helga Kormos, Christine Burggraaf en Anneke Steenweg, Raad voor de Kinderbescherming, Utrecht, 2002. ISBN 90-39303262-2

Echtscheidingen die met conflicten gepaard gaan hebben allerlei negatieve effecten op kinderen zoals slechte schoolprestaties, depressieve klachten, meer riskante gewoonten en in een later stadium mogelijke relatieproblemen.

Daarnaast wordt er nog te weinig naar kinderen geluisterd als het gaat om de scheiding van hun ouders. Na een scheiding is omgang met beide ouders het beste voor kinderen. Maar dan wel met ouders, die geleerd hebben hun conflicten te beheersen en niet uit te vechten in het bijzijn van hun kinderen.

Deze en andere bevindingen staan in het rapport ‘Het verdeelde kind’, een literatuuronderzoek van de Universiteit Utrecht dat is gemaakt in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming. In het rapport worden meer dan 200 studies over scheiding en omgang besproken. Enkele aanbevelingen, die naar voren komen uit het rapport, over de gevolgen voor kinderen van verschillende omgangsregelingen na scheiding zijn:

  • meer aandacht voor kinderen tijdens de gehele periode van het scheidingproces,
  • fiscale beloning van goed lopende omgangsregelingen,
  • het verplicht opstellen van een ouderschapsplan voor de tijd na de scheiding,
  • verplichte hulpverlening voor ouders bij chronische conflicten.

Sinds 1998 blijft het gezamenlijk ouderlijk gezag na de scheiding in principe doorgaan. Toch ziet meer dan 20% van de kinderen na de scheiding hun uitwonende ouder, meestal de vader, niet meer. Soms belemmert moeder de omgang, soms vertrekt vader met de noorderzon of kan het voorkomen dat de kinderen zelf geen contact willen met de uitwonende ouder.

Vaak ruziën de ouders ook na de scheiding eindeloos verder over de omgangsregeling. Op verzoek van de rechter doet de Raad voor de Kinderbescherming jaarlijks onderzoek naar gezag en omgang na de scheiding voor 6000 à 8000 minderjarige kinderen.

Een van de doelen van de Raad, het bewerkstelligen van een voldoende aanbod op het gebied van scheidings- en omgangbemiddeling, wordt door het rapport ondersteund. Als het gaat om bemiddeling loopt Nederland duidelijk achter bij een aantal andere westerse landen.

Uit het rapport komen de volgende beschermende factoren voor kinderen na ouderlijke scheiding naar voren:

  • een goed functionerende verzorgende ouder,
  • een redelijke verstandhouding tussen vader en moeder,
  • een autoritatieve opvoeding (warmte en aandacht, maar ook controle),
  • goede (leeftijdspecifieke) communicatie tussen kind en ouders.

Risicofactoren voor kinderen zijn afwezigheid van beschermende factoren en verder doorruziënde ouders, weinig of geen sociale contacten en geen toegang tot hulpverlening. Ernstige problemen hebben kinderen bij vermoedens van PAS (ouderverstotingssyndroom) en kindermishandeling. Uiteindelijk zal grondig onderzoek moeten uitmaken of verplichte hulpverlening noodzakelijk is met een eventueel ingrijpen van de rechter.

november 1, 2002 at 11:59 pm Plaats een reactie



Contact met het Vader Kennis Centrum (VKC):
Jacob Cabeliaustraat 17
3554 VH Utrecht
T. 030 - 238 3636
secretariaat@vaderkenniscentrum.nl

‘Jullie papa is helemaal niet lief’ :: Peter van Straaten

Peter van Straaten - Jullie papa is helemaal niet lief - Over ouderverstoting of oudervervreemding door moeders bijscheiding en omgang

Over oudervervreemding of -verstoting bij scheiding en omgang

Geef hier uw email adres op om email attenderingen van nieuwe artikelen te ontvangen.

Doe mee met 634 andere volgers

Info pagina’s

Alle artikelen

  • 10 mei 2012 - Uitspraak Rechtbank Den Bosch: Uit huis plaatsing vanwege ouderverstotingssyndroom
  • 17 november 2011 - Uitspraak Rechtbank Roermond - Voorbeeld inzet "klemcriterium" en "loyaliteitsconflict" om kinderen tegen hun wil bij zorgvader weg te halen en bij moeder te plaatsen
  • 13 november 2010 - Belgisch wetsvoorstel tegen oudervervreemding en tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht in het strafrecht
  • 26 augustus 2010 - Nieuwe Braziliaanse Wet 12 318 definieert en bestraft oudervervreemding na scheiding als kindermishandeling
  • 2 augustus 2010 - Negen jaar cel voor oudervervreemding
  • 5 maart 2010 - Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” - Bezoekruimte Het Huis, Brugge, België
  • 26 februari 2010 - Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” - Bezoekruimte Het Huis, Antwerpen, België
  • 10 october 2009 - 'Thuis heerste het grote zwijgen' (Cornald Maas interviewt in de Volkskrant kinderen van gescheiden ouders)
  • 13 augustus 2009 - Uitspraak Gerechtshof Den Bosch - Raad voor Kinderbescherming stelt in rapport mogelijke diagnose ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS)
  • 3 december 2008 - Ouderverstotingssyndroom - Parental Alienation Syndrome (The Gregory Mantell Show - Video - delen 1 en 2)
  • 22 october 2008 - Le Syndrome d’Aliénation Parentale (Thése Médecinal à l’Université Claude Bernard-Lyon, Bénédicte Goudard, 2008)
  • 31 juli 2008 - Esma Kaplan - Ouderverstoting in Nederland (Masterthesis, Universiteit van Utrecht, 2008)
  • 13 juni 2007 - Uitspraak Rechtbank Maastricht - Rechter stelt in uitspraak ouderverstoting vast
  • 1 juni 2005 - Syndrome d’aliénation parentale - Diagnostic et prise en charge médico-juridique (Jean-Marc Delfieu, 2005)
  • 8 october 2002 - Verhaltensmuster und Persönlichkeitsstruktur Entfremdender Eltern (Walter Andritzky, 2002)
  • 15 december 1995 - Wolfgang Klenner - Rituale der Umgangsvereitelung bei getrenntlebenden oder geschiedenen Eltern - Eine psychologische Studie zur elterlichen Verantwortung (Duitsland, 1995)
  • 26 december 1994 - John Dunne & Marsha Hedrick – The Parental Alienation Syndrome – Analysis of Sixteen Selected Cases (1994)
  • Sigmund – Echtscheiding is voor kinderen psychologisch erger dan het overlijden van één van hun ouders!

    KA-PAW! Als moeder wil je toch het beste voor je kinderen.

    VKC twittert nu ook

    Categorieën

    november 2018
    M D W D V Z Z
    « Aug    
     1234
    567891011
    12131415161718
    19202122232425
    2627282930  

    Blog Stats

    • 81.663 hits