Posts filed under ‘Terminologie’

Rechtspraak: Tjechisch Constitutioneel Hof veroordeelt ouderverstoting

Een ouder kan niet zomaar uit het leven van kinderen worden gebannen, stelt het Tjechische Constitutionele Hof

Bron: Novinky.cz – Vertaald uit het Tjechisch door Peter Tromp, 7.8.2017

Tjechische constitutionele rechter Kateřina Šimáčková

BRON: Rechtspraak

7.8 11:17 (bijgewerkt: 7.8. 12:29) Het Tjechische Constitutionele Hof (MoJ) heeft maandag de klacht van een man gedeeltelijk toegewezen. Lagere Tjechische rechtbanken hadden eerder de mogelijkheid van de man om na de echtscheiding zijn kinderen te zien aanzienlijk beperkt. De man wordt geconfronteerd met een criminele klacht van zijn voormalige echtgenote wegens beweerde kindermishandeling. Volgens het Constitutionele Hof zijn zijn fundamentele rechten geschonden, omdat de verdenking vaag is en niet door duidelijke bewijsstukken wordt ondersteund.

De kinderen werden oorspronkelijk op basis van gedeeld of co-ouderschap door beide ouders verzorgd. Toen hun moeder de vader begon te beschuldigen, werd de mate van zorg opnieuw vastgesteld door de rechtbank in Praag-West. Toen de beide ouders tegen dat vonnis in beroep gingen, heeft de voogdes op verzoek van de moeder een interview met de moeder uitgevoerd.

Daarbij stelde de moeder onder andere dat “de aangeklaagde vader slecht is en dat hij de kinderen in de gootsteen verdrinkt”. Daarbij gaf de vrouw haar afschrift van haar “criminele aangifte tegen de man op grond van het ongepast straffen van de kinderen”. Volgens de man was het echter een doelgerichte stap van de vrouw om zijn contact met de kinderen te verbreken.

Het Gerechtshof beperkte vervolgens de mogelijkheden van de man tot contact met de kinderen. Op verzoek van de moeder werd tevens een voorzorgsmaatregel afgegeven die het contact met de kinderen tot het einde van de vervolging helemaal verbood.

Hij is geen verkrachter, de moeder kon de kinderen manipuleren

Het Tjechische Constitutionele Hof herinnerde er echter aan dat beide ouders het recht hebben om contact te hebben met hun kinderen. Het zei ook dat de vader geen gewelddadige tendenzen had gehad, en bleef stilstaan bij waarom de rechtbank “niet de mogelijke manipulatie van kinderen door hun moeder behandelde, hoewel het deskundigenadvies dat wel voorstelde.”

Het Constitutionele Hof is van oordeel dat, gezien het onbewezen risico van geweld, het kind tenminste begeleid contact moet hebben met de vader. Het beperken van contact met kinderen is volgens de rechter geen oplossing.

“De dreiging van lichamelijk geweld van de ouder is vergelijkbaar met de schade die voortvloeit uit het verlies van contact met deze ouder als gevolg van manipulatie door de andere ouder. Als een ouder een kind manipuleert om een andere ouder te haten, leert ze hem eigenlijk zichzelf te haten,” zei de Senaat onder leiding van rechter mevrouw Kateřina Šimáčková.

Volgens het Constitutionele Hof moeten overheden niet alleen kinderen tegen mogelijk geweld door hun ouders beschermen, maar hebben zij ook de verplichting om te voorkomen dat een van de ouders wordt uitgeschakeld of geëlimineerd door manipulatie van de andere ouder.

De vader van de jongen was tevreden met de uitspraak, maar hij was zeer voorzichtig in zijn reactie. ‘Het onderzoek naar mijn persoon is nog steeds gaande, en ik wil niet aan verdere problemen blootgesteld worden’, zei hij tegen Pravo. Nu hoopt hij dat de uitspraak van het Constitutionele Hof tot de afschaffing van het contactverbod zal leiden en hij zijn kinderen weer zal kunnen zien.

 

Advertenties

augustus 7, 2017 at 11:55 pm Plaats een reactie

In memoriam Rob van Altena (1931-2014)

Rob van Altena aan zijn werktafel in Oosterhout afgelopen zomer op 6 augustus 2014 (Foto P. Tromp)

Rob van Altena aan zijn werktafel in Oosterhout afgelopen zomer op 6 augustus 2014 (Foto P. Tromp)

Met droefheid brengen we u op de hoogte van het overlijden van Rob van Altena in Oosterhout op woensdag 10 september 2014 om ca. 12:30 uur.
Rob is 82 jaar geworden. Het ging de laatste maanden al steeds minder goed met zijn gezondheid.

Rob van Altena (1931) was musicus en leraar Frans; later vertaler en daarbij huisman. Vanaf 1986 was hij ook een gewaardeerd publicist over ongelijkheid m/v in echtscheiding en de situatie van verstoten (zorg-)vaders. Hij had daarbij speciale aandacht voor de werking en behandeling van het ouderverstotingssyndroom bij scheidingskinderen als gevolg van oudervervreemding door die groep haatzaaiende ouders die, nadat zij in een falend familierecht bij (echt-)scheiding het hoofdverblijf van de kinderen kregen toegewezen, misbruik maakten van het hen daarmee toegekende machtsmonopolie om de kinderen tegen de uitwonende ouder op te zetten en van deze te vervreemden.

Enkele van Rob’s publicaties over vaderdiscriminatie, ouderverstoting, scheiding en familierecht waren:

Rob’s eigen echtscheiding vond plaats naar Belgisch familierecht en duurde 12 jaar. Wat zijn leven en werk gedurende de afgelopen ruim 30 jaar tijdens en na zijn echtscheiding sterk getekend heeft was de door het Belgische familierecht gelegitimeerde ouderverstoting door de moeder en het ontbreken van elk contact met zijn beide dochters en later ook zijn kleinkinderen. Gedurende zijn huwelijk deed Rob zijn werk voor een uitgeverij thuis en zorgde hij daarbij voor zijn beide dochters. Rob schreef daar zelf in 1999 over:

Niemand had daar veel op aan te merken, maar toch kreeg de buitenshuis werkende moeder door rechtersgewoonte na een zitting van zeven minuten en zonder motivering de kinderen toegewezen. Twee jaar later werd na een lukrake beschuldiging ook het schamele bezoekrecht geschrapt.

Dit heeft hem in zijn verdere leven sterk bewogen en veel verdriet gedaan. In 2012 schreef Rob in het voorwoord tot de publieksversie van de eerste twee hoofdstukken van zijn autobiografische publicatie “Vaders gediscrimineerd, Echtscheiden in België, 1965 – 2006” daarover het volgende:

Het gaat (in deze publicatie) over Belgisch familierecht in het laatste derde part van de 20ste eeuw. De jaartallen 1965 en 2006 staan voor twee mijlpalen: de wet op de jeugdbescherming van 8 april 1965 en de wet op gelijkwaardig ouderschap na scheiding (wet-Onkelinx) van 18 juli 2006.
In de ruim veertig jaar daartussen heerste mannendiscriminatie: in feite kon elke gehuwde vrouw haar man op aanvraag uit het gezin laten wegsturen. Verreweg de meeste scheidingen werden dan ook geëist door de vrouw. Daarna behield de vader op papier een recht op omgang met de kinderen, maar dat kon de moeder zonder meer naast zich neerleggen. Zo raakten per jaar tienduizenden mannen alle contact met hun kinderen kwijt. Pas van 1995 tot 2006 zou er in het familierecht stap voor stap meer gelijkheid m/v tot stand komen.
Het juridische en ideologische kader van deze discriminatie is geschetst in de eerste twee hoofdstukken. Een voorbeeld vult de rest van het boek. Dat voorbeeld is autobiografisch, het heeft exact zo plaatsgevonden en op de genoemde tijdstippen. De grondtonen zijn schijnheiligheid, bedrog, discriminatie en poging tot afpersing. Omwille van verificatie zijn persoonsnamen vrijwel niet veranderd.
Toen het boek af was, heb ik het met enige verbijstering herlezen. Was dat mijn leven? Moest mij dat nu allemaal overkomen?
Inderdaad. En andere vaders is het zelfs nog slechter vergaan.
Maar daar hoort men niet veel van want in België werd (wordt?) men al gauw gestraft voor het ‘boosaardig verbreiden van feiten’ (art. 444 Str.W.) waarmee bedoeld wordt: het bekend maken van andermans boosaardige daden. Men kan een ander mens soms het ergste aandoen maar de getroffene mag dat niet bekend maken. Dat geldt als boosaardig. Deze getroffene is daar al eens voor veroordeeld en dat kan hem als recidivist nu dus duur te staan komen.
Echter, hij staat nu wel sterker want hij heeft niets meer te verliezen: deze geschiedenis heeft hem niet alleen zijn kinderen, maar ook alle welstand gekost. Hij heeft niet veel meer over dan het leven zelf.
En ook dat, menselijkerwijs gezien, niet meer al te lang. Dus, geachte rechtspraak: mocht mevrouw opnieuw een eis tot ‘schadevergoeding’ indienen, wilt u zo vriendelijk zijn de behandeling daarvan even lang te rekken als indertijd haar eigen 12 jaar lang gerekte echtscheidingsprocedure – zodat de uitspraak deze schrijver (die nu 81 is) kan bereiken in een andere dan deze valse wereld.

Rob komt de door hem zo anders gewenste wereld meer dan toe.
En in de ‘valse wereld’ die hij nu achterlaat zal hij door ons nog node worden gemist.

Opdat zijn herinnering en nalatenschap ons als achterblijvenden kan en zal blijven inspireren om voort te gaan naar de betere wereld die hem voor ogen stond … en hij zelf na al zijn inspanningen voor die andere (en betere) wereld nu mag rusten in liefde en vrede.

Peter Tromp
Vader Kennis Centrum

Nawoord

Op woensdagmiddag 17 september 2014 is afscheid genomen van Rob van Altena met een herdenkingsdienst in het Witte Kerkje van Slijk-Ewijk aan de Waaldijk (Dorpstraat 70), waarna Rob begraven is op de even verder gelegen begraafplaats van het kerkje in het nog door hem zelf uitgezochte graf op een lieflijke plaats onder een boom met vogelgetwitter.  Rust zacht lieve Rob, ik hield van je “oude brompot” en ik zal je vele telefoontjes en briefjes met knipsels en mijn bezoekjes aan jou, en samen met jou aan het buitenterras van Restaurant De Altena aan de Waal, meer dan missen.

20141017-WitteKerkje-Slijk-Ewijk2

DSC_0714

DSC_0702

DSC_0718

DSC_0722

DSC_0735

september 10, 2014 at 10:57 pm Plaats een reactie

Parent-Child Reunification After Alienation (Edward Kruk, 2013)

Parent-Child Reunification After Alienation – Strategies to Reunite Alienated Parents and Their Children

By Edward Kruk, Ph.D., 2013

Children and parents who have undergone forced separation from each other in the absence of abuse, including cases of parental alienation, are highly subject to post-traumatic stress, and reunification efforts in these cases should proceed carefully and with sensitivity. Alienated children seem to have a secret wish for someone to call their bluff, compelling them to reconnect with the parent they claim to hate; despite strongly held positions of alignment, alienated children want nothing more than to be given the permission and freedom to love and be loved by both parents (Baker, 2010). Yet the influence of the alienating parent is too strong to withstand, and children’s fear that the alienating parent may fall apart or withdraw his or her love holds them back. Research has shown that many alienated children can transform quickly from refusing or staunchly resisting the rejected parent to being able to show and receive love from that parent, followed by an equally swift shift back to the alienated position when back in the orbit of the alienating parent (Fidler and Bala, 2010). Thus while children’s stated wishes regarding parental residence and contact in contested custody after divorce should be considered, they should not be determinative in cases of parental alienation.

Reunification efforts subsequent to prolonged absence should be undertaken with service providers with specialized expertise in parental alienation reunification. A number of models of intervention have been developed, the best-known being Warshak’s (2010) Family Bridges Program, an educative and experiential program focused on multiple goals: allowing the child to have a healthy relationship with both parents, removing the child from the parental conflict, and encouraging child autonomy, multiple perspective-taking, and critical thinking. Sullivan’s Overcoming Barriers Family Camp (Sullivan et al, 2010), which combines psycho-educational and clinical intervention within an environment of milieu therapy, is aimed toward the development of an agreement regarding the sharing of parenting time, and a written aftercare plan. Friedlander and Walters’ (2010) Multimodal Family Intervention provides differential interventions for situations of parental alignment, alienation, enmeshment and estrangement. All of these programs emphasize the clinical significance of children coming to regard their parents as equally valued and important in their lives, while at the same time helping enmeshed children relinquish their protective role toward their alienating parents.

In reunification programs, alienated parents will benefit from guidelines with respect to their efforts to provide a safe, comfortable, open and inviting atmosphere for their children. Ellis (2005) outlines five strategies for alienated parents: (1) erode children’s negative image by providing incongruent information; (2) refrain from actions that put the child in the middle of conflict; (3) consider ways to mollify the anger and hurt of the alienating parent; (4) look for ways to dismantle the coalition between the child and alienating parent and convert enemies to allies; and (5) never give up on reunification efforts. As much as possible, Warshak (2010) recommends, alienated parents should try to expose their children to people who regard them, as parents, with honor and respect, to let children see that their negative opinion, and the opinion of the alienating parent, is not shared by the rest of the world. This type of experience will leave a stronger impression than anything the alienated parent can say on his or her own behalf, according to Warshak.

As Baker (2010) writes, alienated parents acutely feel the hostility and rejection of their children. These children seem cruel, heartless, and devaluing of their parents. Yet it is important to realize that from the child’s perspective, it is the targeted parent who has rejected them; they have been led to believe that the parent whom they are rejecting does not love them, is unsafe, and has abandoned them. Thus, the primary response of the alienated parent must always be one of loving compassion, emotional availability, and absolute safety. Patience and hope, unconditional love, being there for the child, is the best response that alienated parents can provide their children, even in the face of the sad truth that this may not be enough to bring back the child.

With alienating parents, it is important to emphasize that as responsible parenting involves respecting the other parent’s role in the child’s life, any form of denigration of a former partner and co-parent is harmful to children. Children’s connections to each parent must be fully respected, to ensure their well being, as children instinctively know, at the core of their being, that they are half their mother and half their father. This is easier said than done, as alienating parents are themselves emotionally fragile, with a prodigious sense of entitlement and need to control (Richardson, 2006), and thus pose significant clinical challenges. Yet poisoned minds and instilled hatred toward a parent is a very serious form of abuse of children. When children grow up in an atmosphere of parental alienation, their primary role model is a maladaptive, dysfunctional parent. It is for this reason that many divorce specialists (e.g., Fidler and Bala, 2010) recommend custody reversal in such cases, or at least a period of separation between a child and an alienating parent during the reunification process with an alienated parent. I have come to believe, however, that the means of combating alienation should not themselves be alienating, and that a non-punitive approach is most effective, with co-parenting being the primary goal. Thus engaging and involving the alienating parent in reunification programs, whenever possible, is critical (Sullivan et al, 2010).

Finally, it is often quite difficult to discern who is the alienating and who is the targeted parent in alienation cases. Thus equal or shared parenting is clearly preferable to primary residence or sole custody orders in potential alienation cases, as courts are ill-equipped to assess the dynamics attendant to parental alienation, and co-parenting is preventive of alienation.

Literature:

Baker, A. (2010). “Adult recall of parental alienation in a community sample: Prevalence and associations with psychological maltreatment.” Journal of Divorce and Remarriage, 51, 16-35.

Ellis, E.M. (2005). “Support for the alienated parent.” American Journal of Family Therapy, 33, 415-426.

Fidler, B. and Bala, N. (2010). “Children resisting postseparation contact with a parent: Concepts, controversies, and conundrums.” Family Court Review, 48 (1), 10-47.

Friedlander, S. & Walters, M.G. (2010). “When a child rejects a parent: Tailoring the intervention to fit the problem.” Family Court Review, 48 (1), 98-111.

Richardson, P. (2006). A Kidnapped Mind. Toronto: Dundurn Press.

Sullivan, M.J. et al. (2010). “Overcoming Barriers Family Camp.” Family Court Review, 48 (1), 116-135.

Warshak, R. (2010). “Family Bridges: Using insights from social science to reconnect parents and alienated children.” Family Court Review, 48 (1), 48-80.

december 31, 2013 at 10:58 pm Plaats een reactie

Parental Alienation ‘is not as valued as it should’ in Portugal

Source: Portugal | Sun Journal | Society | 2662 Views | 04/24/2013 09:46:00
http://www.sol.pt/noticia/73612

Experts in the welfare of children believe that parental alienation “is not as valued as it should,” and advocate a “more serious” for the practice, others ask sanctioning instruments that shared custody is more applied.

“Parental alienation is not valued as it should. If it were the processes of failure of parental responsibilities would be much quicker, “says the president of the Portuguese Association for Missing Children, who was speaking to Lusa the purpose of the International Day of Awareness on Parental Alienation, marked on Thursday.

Patricia Cipriano argues that there should be “much more severe sanctioning instruments for parents who do not fulfill the duty to let the child visit the other parent.”

“If there was a different efficacy in decisions and if people begin to see that the breach of the parental responsibilities you could have serious legal consequences, would have other behavior” supports the president of the association, which has received “very serious” situations.

Although the “legal penalties” be necessary, Patricia Cipriano says that is not enough: “There must be a work with these families.”

“The situation should be evaluated by technicians who worked with the courts, particularly in terms of family mediation, so that such behavior was ceased and the parent clearly understood that this behavior seriously affects the child,” he explains.

The president of the Portuguese Association for Parental Equality, Ricardo Simões, advocates the creation of standardized instruments of early intervention.

“It is still being built in Portugal, because there is no broad agreement on how to intervene in these matters consensus,” says Ricardo Simões.

To him, a way to prevent parental alienation, in legislative terms, is the creation of “legal presumption of alternating residence.”

“The starting point is that the child has to live with both parents and is only kept this presumption if there is justifiable reasons for this”, he explains.

In countries where the shared custody rule is, these situations are “much smaller” without the social dimension that exists in Portugal, says Ricardo Simões.

“It makes no sense” logic of magistrates and judges select only one parent. “Rather, we must promote the child spend the most time possible with the parents and not just with a” advocates.

The secretary-general of the Institute of Child Support, Manuel Coutinho, calls for “good sense” of parents to avoid these situations: “It is up to the father and mother realize that above all your questions, there are children who are a precious asset that must be safeguarded. ”

Psychologist warns that the conflict between the parents’ cause irreversible damage “in children” are very fragile, sad “they feel responsible for the situation and” develop loyalty pledges “.

“They tell the father what the parent wants to hear, tell the mother what the mother wants to hear, but never tell their parents what they feel, because they are so focused on guerrilla who forget their most precious asset, the son,” laments .

To the psychologist, “is critical” parents “solve your problem instead of conjugal and not ruin forever the issues of parenting, because children are forever.”

Lusa / SOL

april 24, 2013 at 1:40 pm Plaats een reactie

Uitspraak Rechtbank Den Bosch: Uit huis plaatsing vanwege ouderverstotingssyndroom (ECLI:NL:RBSHE:2012:BW5616, 2012)

Referentie: ECLI:NL:RBSHE:2012:BW5616, voorheen LJN BW5616, Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 246254 / JE RK 12-669 en 244529 / JE RK 12-423MZ01
Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak: 10-05-2012
Datum publicatie: 14-05-2012
Zaaknummer: 246254 / JE RK 12-669 en 244529 / JE RK 12-423MZ01
Rechtsgebieden: Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl, JPF 2012/100, RFR 2012/102

Inhoudsindicatie

De vier kinderen hebben hun hoofdverblijf bij moeder. Voor contact met vader bestaan volgens de Raad geen contra-indicaties. Tussen de kinderen en hun vader is al drie jaar op geen enkele wijze contact mogelijk gebleken, ook niet door tussenkomst van de rechtbank. Zo hebben forensische mediation en begeleide omgang tot niets geleid. Bij de kinderen is volgens de Raad sprake van het PAS-syndroom. De rechtbank acht de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk. Het bestaan van het PAS-syndroom én de overige (psychische) problemen van de kinderen vormen een zeer ernstige bedreiging van hun geestelijke ontwikkeling. Slechts door een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing, waarbij tevens sprake van behandeling van de kinderen dient te zijn, is het mogelijk de schade en bedreiging welke de kinderen thans is aangedaan te beperken en weg te nemen. De rechtbank realiseert zich dat de kinderen een hoge prijs moeten betalen voor het gedrag van hun ouders, maar gelet op het belang van de kinderen, op korte en lange termijn en de situatie waarin de kinderen door toedoen van hun ouders terecht zijn geraakt welke zeer schadelijk is voor hun gezondheid, kan niet anders worden geoordeeld.

Wetsverwijzingen

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 246254 / JE RK 12-669 en 244529 /JE RK 12-423MZ01
Uitspraak : 10 mei 2012

Inzake : Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing

Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, gegeven met betrekking tot de minderjarigen:
[minderjarige A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[minderjarige B], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[minderjarige C], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[minderjarige D], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

kinderen van:
[naam vader] en [naam moeder],
rechtens wonende in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch,
hierna ook wel te noemen: (de) vader en (de) moeder.

Het gezag over de minderjarigen berust bij de ouders.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:
– vader;
– moeder;
– de minderjarigen [minderjarige A] en [minderjaige B];
– alsmede de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • een brief met acht bijlagen van mr. Kranenburg d.d. 19 maart 2012;
  • een brief met acht bijlagen van mr. Kranenburg d.d. 20 maart 2012;
  • een brief met twee bijlagen van mr. Kranenburg d.d. 20 maart 2012;
  • een brief met een bijlage van mr. Kranenburg d.d. 20 maart 2012;
  • de zittingsaantekeningen van mr. Kranenburg d.d. 21 maart 2012;
  • de faxbericht van de stichting d.d. 17 april 2012;
  • een brief van mr. Peters d.d. 17 april 2012;
  • de zittingsaantekeningen van mr. Kranenburg d.d. 18 april 2012 met bijlage;
  • een schriftelijk verzoek van de Raad van 23 april 2012;
  • een faxbericht met bijlagen van de stichting van 24 april 2012.

De procedure

Op 9 maart 2012 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van vader, strekkende tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen en het vastleggen van een – in het kader van de verzochte ondertoezichtstelling – verdeling van zorg- en opvoedingstaken op verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per overtreding (zaaknummer 244529 JE RK 12-423MZ01).

Op 21 maart 2012 heeft de kinderrechter het verzoekschrift ter zitting met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord vader, moeder alsmede een vertegenwoordiger van de Raad en van de stichting. Op die zitting heeft de Raad een verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] gedaan.

De kinderrechter heeft de beslissing op de verzoeken aangehouden, teneinde eerst [minderjarige A] en [minderjarige B] over die verzoeken te kunnen horen. Die periode is door de ouders benut om de contacten tussen vader en de kinderen te hervatten. Gebleken is dat na de aanhouding van de zitting door de kinderrechter tot de zitting van 18 april 2012, de ouders hebben geïnvesteerd in het herstel van het contact tussen vader en de kinderen en de ouders onderling.

Op 18 april 2012 heeft de kinderrechter ter zitting met gesloten deuren [minderjarige A] en [minderjarige B] gehoord. Vervolgens zijn de vader, moeder en de vertegenwoordiger van de Raad en van de stichting gehoord. De ouders hebben tijdens die voortgezette behandeling hun standpunten nogmaals uiteengezet en verslag gedaan over de afgelopen periode. De vader heeft een schriftelijk voorstel voor een opbouwende omgangsregeling gedaan. Moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.

Tijdens deze zitting blijkt dat sinds de zitting van 21 maart 2012 contacten hebben plaatsgevonden tussen vader en de kinderen. Sprake was van een opbouw, op grond waarvan de Raad vader heeft geadviseerd het verzoek tot de ondertoezichtstelling in te trekken, op basis van strategische en psychologische gronden, om hem zodoende “uit de boeman-positie” te krijgen. Vader heeft vervolgens zijn verzoek ter zitting ingetrokken. Nu het verzoek tot het vastleggen van een verdeling van zorg- en opvoedingstaken door vader in het kader van een verzoekt tot ondertoezichtstelling is gedaan, beschouwt de kinderrechter ook dat verzoek als ingetrokken. Op die verzoeken behoeft derhalve niet meer te worden beslist.

De Raad zag overigens, hierbij gesteund door de stichting, aanleiding zelfstandig ter zitting een verzoek tot een ondertoezichtstelling van de kinderen te doen. De Raad heeft gepersisteerd bij haar verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Dit verzoek is schriftelijk bevestigd op 23 april 2012 (zaaknummer 246254 JE RK 12-669). Ter zitting heeft de Raad tevens verzocht in het kader van de verzochte ondertoezichtstelling, voor het geval geen machtiging uithuisplaatsing wordt afgegeven, de voorlopige omgangsregeling zoals door vader is voorgesteld vast te leggen.

De kinderrechter heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Van het verhandelde ter zitting op 21 maart 2012 en 18 april 2012 is proces-verbaal opgemaakt.

De verzoeken

De Raad verzoekt de rechtbank een ondertoezichtstelling alsmede machtiging uithuisplaatsing voor de duur van één jaar voor [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] uit te spreken. De Raad heeft bij monde van haar vertegenwoordiger gesteld dat, anders dan de vrouw stelt, wel degelijk gronden voor een ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De kinderen worden in hun ontwikkeling bedreigd, nu zij een waar schrikbeeld van de vader hebben en klem zitten tussen hun ouders. Reeds het feit dat alle vier de kinderen blijkens de betreffende behandelverslagen ernstige reacties vertonen bij [naam instelling] als over vader wordt gesproken, maakt al dat sprake is van een ernstige bedreiging. De kinderen hebben last van het slechte beeld dat zij van hun vader hebben.

De vader en moeder zijn er niet in geslaagd om hun conflicten op partnerniveau te beslechten waardoor de huidige ernstige situatie is ontstaan. Enkel een ondertoezichtstelling is onvoldoende om de ernstige bedreiging van de kinderen weg te nemen en de situatie waarin de kinderen zich thans bevinden ten goede te keren. Reeds alle overige denkbare middelen zijn ingezet, forensische mediation, diverse gerechtelijke procedures, begeleide omgang via [naam omgangshuis] , echter zonder resultaat. Enkel een ondertoezichtstelling kan weinig kans van slagen hebben, gelet op onder meer de vastgelopen communicatie tussen ouders, omdat er een groot risico is dat de gezinsvoogd in een parallel proces terecht komt en verzandt in de communicatie tussen ouders. Om dat te voorkomen verzoekt de raad een machtiging uithuisplaatsing. De onderliggende reden hiervoor is dat zowel de Raad als de stichting van mening zijn dat bij de kinderen sprake is van een ouderverstotingssyndroom, hetgeen zeer schadelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen. In dit verband spreekt de Raad zelfs van kindermishandeling.

De Raad is van oordeel dat het noodzakelijk is dat het beeld van vader in de ogen van de kinderen in de nabije toekomst bijstelling behoeft. De kinderen laten extreme reacties zien op hun vader. Moeder werkt gaandeweg deze procesvoering eerst mee aan de totstandkoming van omgang, maar trekt deze omgang later weer in twijfel en geeft aan niet te willen komen tot een (voorlopige) omgangsregeling tussen de kinderen en hun vader. De Raad ziet voldoende gronden voor het verzoeken van een ondertoezichtstelling op basis van bovengenoemde feiten. De ontwikkelingen ter zitting van 18 april 2012, en in het bijzonder de hardnekkige opstelling van moeder en haar raadsvrouw heeft ertoe geleid dat de Raad persisteert bij haar eerder gedane verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van alle vier de kinderen. Vanuit een neutrale verblijfplaats, is het mogelijk omgang te organiseren tussen de kinderen en hun vader en tussen de kinderen en hun moeder. De gezinsvoogd kan dit proces actief begeleiden en zo voor de kinderen een reëel beeld creëren van beide ouders. Daarnaast kunnen ouders (met hulp) aan de slag met het reorganiseren van hun ouderschap “op afstand”.

De Raad verzoekt derhalve de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar, alsmede de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

De stichting ondersteunt de verzoeken van de Raad. De stichting heeft bij brief van 17 april 2012 een kort verslag gegeven over het verloop van de contacten tussen de ouders en de kinderen in de periode van 21 maart tot 18 april 2021.

Ter zitting is namens de stichting gesteld dat de kinderen “klem en verloren” zitten tussen hun ouders en dat de kinderen vanuit de thuissituatie bij de moeder niet de kans krijgen om een relatie met de vader op te bouwen. De stichting spreekt over een zeer ernstige situatie waarin de kinderen verkeren. Ter illustratie hiervan verwijst de stichting naar de escalatie tussen de ouders en kinderen welke plaatsvond tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling op 18 april 2012.

De vader verklaart ter zitting dat hij wel gronden ziet voor een ondertoezichtstelling, maar dat hij deze niet (meer) zelf wenst te verzoeken, omdat hij niet door de kinderen als een boeman wil worden gezien. De vader stelt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd omdat de vrouw de contacten tussen vader en de kinderen op alle mogelijke manieren, zowel feitelijk als juridisch, frustreert, waardoor de kinderen van hem vervreemden. Door de opstelling van de moeder hebben de kinderen een uiterst negatief beeld van hun vader gekregen. De vader stelt dat bij de kinderen sprake is van tekenen van het ouderverstotingssyndroom. De moeder persisteert in haar weigerachtige houding en stimuleert de kinderen niet om – op een normale wijze – contact aan te gaan met de vader. Voorts weigert zij het beeld dat de kinderen hebben van hun vader bij te stellen. De moeder blijft de kinderen bij voortduring opzetten tegen hun vader. Naar het oordeel van de vader heeft tot mei 2009 op een normale wijze contact plaatsgevonden tussen hem en de kinderen. Sindsdien heeft de vader geen contact meer gehad met de kinderen. Vader heeft schriftelijk een voorstel voor opbouw van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedaan, welk verzoek hij zoals hiervoor overwogen heeft ingetrokken.

De vader kan zich niet vinden in de verzochte machtiging uithuisplaatsing. Hij verklaart desgevraagd dat hij niet wil dat de kinderen uit huis worden geplaatst.

De moeder voert gemotiveerd verweer tegen zowel de verzochte ondertoezichtstelling alsmede de uithuisplaatsing. De moeder stelt dat de vader de rechtbank onjuist informeert nu de contacten tussen de vader en de kinderen – tot mei 2009 – niet op een normale wijze zijn verlopen. De moeder heeft naar haar oordeel desondanks steeds meegewerkt aan de omgang. Bij de kinderen is echter sprake van grote angst en onrustgevoelens jegens de vader. De oorzaak hiervan ligt volgens de moeder in het huiselijk geweld dat de vader jegens de moeder en de kinderen heeft gepleegd, doch dat hij op geen enkele wijze erkent. Het feit dat de vader, aldus de moeder, niet strafrechtelijk voor die feiten is veroordeeld, betekent immers niet dat hiervan geen sprake is geweest. De moeder stelt dat pas op het moment dat de vader het geweld erkent de kinderen hem kunnen vergeven en de gebeurtenissen een plaats kunnen geven. Pas dan zal er ruimte zal kunnen komen voor neutrale, dan wel positieve gevoelens ten aanzien van de vader.

Volgens de moeder ontbreekt iedere grond en noodzaak voor een ondertoezichtstelling. Uit niets blijkt dat sprake is van problemen waarbij een eerder ingezette aanpak heeft gefaald. Met de kinderen gaat het, zoals ook blijkt uit de schoolrapporten en de behandelverslagen van [naam instelling] , goed. Zij zitten bij afwezigheid van de vader goed in hun vel, zijn vriendelijk en sociaal en vorderen goed op cognitief vlak. Moeder heeft in de bijlage, overgelegd bij de zittingsaantekeningen van haar advocaat d.d. 18 april 2012, verweer gevoerd tegen de door vader voorgestelde geleidelijke opbouw van contacten tussen hem en de kinderen.

Moeder concludeert dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling noch uithuisplaatsing is voldaan en baseert zich hierbij mede op de uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2001 (LJN AB1009). Bovendien, zo stelt moeder bij monde van haar advocaat met een beroep op de dissertatie van G.J. van Wijk (“Hoezo noodzakelijk? Rechtsgronden voor kinderbeschermingsmaatregelen), dat de maatregel van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in het onderhavige geval meer kwaad dan goed zal doen.

[minderjarige A] heeft verklaard dat het goed met haar gaat. Zij wil geen contact hebben met haar vader, die op haar verzoek “[roepnaam vader]” wordt genoemd. Zij is boos op hem, omdat hij niet de waarheid heeft gesproken over de mishandeling van haar moeder en omdat hij haar, [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] als leugenaar heeft bestempeld. [minderjarige A] heeft geen vertrouwen in haar vader temeer nu hij haar heeft geschreven haar met rust te laten, terwijl hij tegelijkertijd wel om een ondertoezichtstelling heeft verzocht.

[minderjarige B] heeft verklaard dat het goed met haar gaat. Zij wil geen contact hebben met haar vader. Zij vertelt nooit goed contact met hem te hebben gehad, omdat hij niet als een vader voelt aangezien hij altijd met zichzelf bezig was. [minderjarige B] wil graag dat haar vader haar met rust laat en haar de tijd gunt om zelf te bepalen wanneer zij contact met haar vader zal opnemen. [minderjarige B] is bang voor haar vader, omdat zij vindt dat hij niet te vertrouwen is. [minderjarige B] neemt het haar vader kwalijk dat hij heeft gelogen over de mishandeling van haar moeder die hij, na deze eerst steeds te hebben ontkend, wel tijdens het eerste contact met de kinderen aan hen heeft toegegeven.

De beoordeling

Thans komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de verzoeken tot de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C].

Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing betekent een inmenging in het gezinsleven van ouders en kinderen. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van de kinderen.

Artikel 1:254, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft betrekking op de ondertoezichtstelling en bepaalt het volgende.

“Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg”.

Artikel 1:261, eerste lid BW heeft betrekking op de uithuisplaatsing en bepaalt het volgende:

“Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting (…) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie”.

De rechtbank concludeert dat zowel aan de gronden voor de ondertoezichtstelling als aan de gronden voor de machtiging uithuisplaatsing is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank worden zowel [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] als [minderjarige C] ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en is zowel een ondertoezichtstelling als een uithuisplaatsing, hoe ingrijpend deze maatregelen ook voor [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] zullen zijn, noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen ouders in ieder geval al sinds mei 2009 zeer moeizaam verloopt en dat er sinds mei 2009, met uitzondering van de periode van 21 maart 2012 tot 18 april 2012 (welke korte periode van contact door beide ouders als positief is ervaren), geen contact is geweest tussen de vader en de kinderen. Hiertoe zijn, mede door tussenkomst van de rechtbank, diverse pogingen ondernomen. De rechtbank doelt hierbij op het door haar gelaste forensisch ouderschapsonderzoek, nadat diverse door de rechtbank opgelegde omgangsregelingen niet succesvol bleken te zijn, evenmin als de door haar opgelegde begeleide omgang bij “[naam omgangshuis] ”.

Het forensisch ouderschapsonderzoek is op last van de rechtbank in de bodemprocedure aangevangen door forensisch mediator [naam mediator], maar is voortijdig afgebroken zonder dat hierbij het contact tussen de vader en de kinderen tot stand is gekomen.

Ook de begeleide omgang bij “[naam omgangshuis] ” heeft, anders dan de rechtbank heeft beslist, niet tot enig contact, anders dan de uitwisseling van brieven tussen vader en de kinderen, geleid. Hierover heeft “[naam omgangshuis] ” in haar rapportage van 14 januari 2012, aangevuld bij brief van 20 januari 2012 (als productie G en H door de moeder bij brief van 20 maart overgelegd) het volgende gesteld:

“Kinderen zijn allen boos en stellig dat ze vader niet willen zien. (…). Kinderen laten heftige emoties zien zoals boos en angstig, praten in volwassen taal en spreken elkaar na. Kinderen willen dat vader hen met rust laat en toegeeft dat hij moeder heeft geslagen en dit ook toegeeft aan de rechters. (…). Tijdens dit voorbereidend gesprek blijkt dat de kinderen zo vol emoties zitten dat zij niet te sturen zijn en te begrenzen. Dit maakt dat het Omgangshuis er voor kiest om het eerste contact via brieven te laten verlopen omdat het nu onverantwoord is dat de kinderen vader zien maar het is ook onverantwoord hier niets mee te doen omdat de kinderen zo vast zitten in hun beeld van vader dat er geen realiteitszin meer lijkt te zijn. Het is heel belangrijk dat er toch weer ruimte gecreëerd gaat worden bij de kinderen. (…). Het doel om tot contactherstel te komen tussen vader en de kinderen is niet behaald, het Omgangshuis heeft de visie dat contact tussen vader en de kinderen op dit moment teveel onrust en emoties zou veroorzaken bij de kinderen en moeder. (…). Het omgangshuis maakt zich grote zorgen over het beeld wat de kinderen hebben van hun vader. Zij uiten zich zeer negatief over vader en laten zich hier niet in begrenzen door het omgangshuis. Het Omgangshuis is het ook opgevallen dat moeder de kinderen niet begrenst in de manier waarop zij zich uitten over vader. Het spreken over vader brengt paniek en ontzetting teweeg bij de kinderen. Dit wordt door hen gekoppeld aan ervaringen uit het verleden. Er is onvoldoende vertrouwen bij moeder en de kinderen om ruimte te creëren voor een genuanceerder beeld van vader in het heden. [naam huisvriend], hij noemt zichzelf huisvriend van moeder en de kinderen, is regelmatig aangesloten bij de gesprekken. Volgens het Omgangshuis is hij aan de ene kant steunend voor moeder en de kinderen, maar aan de andere kant bevestigt hij het beeld van vader bij de kinderen en brengt hij geen ruimte in om het beeld van vader te kunnen bijstellen. Het Omgangshuis vindt het van groot belang, voor de ontwikkeling van de kinderen, dat moeder en de kinderen hierbij worden geholpen. Zij adviseert deze hulp te vragen via het Trauma team van het GGZE of via Psychologen Praktijk [naam instelling] , eventueel onder supervisie van het Trauma Team van de GGZE”.

Uit deze verslaglegging van “[naam omgangshuis] ” leidt de rechtbank af dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door het feit dat de kinderen bij “[naam omgangshuis] ” ernstig acting outgedrag vertonen op het moment dat slechts enkel over vader wordt gesproken. Het feit dat moeder weliswaar heeft meegewerkt aan de begeleide omgang en de kinderen hierin heeft gestimuleerd maakt dit niet anders, nu het ook moeder is die niet in staat is (gebleken) de kinderen te begrenzen in de manier waarop zij zich uit(t)en over vader, waarbij overigens ook de rol van de huisvriend van moeder hierin niet als onverdeeld positief kan worden geduid. Bovendien bevestigt het verslag van “[naam omgangshuis] ” dat de geestelijke gesteldheid van de kinderen wordt bedreigd. Of hiervoor nu juist hulp van het Trauma Team, hetgeen door moeder is betwist, of van Psychologenpraktijk [naam instelling] nodig is, is in zoverre niet relevant nu het feit dát de kinderen die hulp nodig hebben, hetgeen ook door ouders is onderkend, vast staat.

In dat verband wijst de rechtbank op de psychologische behandeling van alle vier de kinderen bij Psychologenpraktijk [naam instelling] . Door de moeder zijn de behandelovereenkomsten van de kinderen en het behandelverslag van [minderjarige D] en [minderjarige C] in het geding gebracht en is hierop uitdrukkelijk een beroep gedaan.

Uit die behandelovereenkomsten en het behandelverslag leidt de rechtbank af, dat de zorgen die zowel de Raad, de stichting als “[naam omgangshuis] ” over de kinderen hebben, terecht en zeer groot zijn. De rechtbank overweegt dat die inhoud van deze stukken bevestigt dat sprake is van een ernstige bedreiging van de geestelijke belangen van de kinderen welke bedreiging niet door tussenkomst van “[naam omgangshuis] ” noch [naam instelling] kon worden afgewend. De behandeling bij [naam instelling] is gestart, na een initiatief hiertoe van moeder waarmee vader uiteindelijk heeft ingestemd. Dat de ouders hiertoe hebben besloten valt te prijzen. Echter de oorzaak voor deze behandeling van alle vier de kinderen is gelegen in de echtscheidingsproblematiek welke in alle heftigheid gedurende langere tijd structureel en op alle fronten (zowel financieel als voor wat betreft de kinderen) speelt. Kennelijk hadden de kinderen deze vorm van begeleiding nodig om die echtscheidingsperikelen van hun ouders en het onvermogen van de ouders om zich hier in hun rol als ouders van te distantiëren, het hoofd te kunnen gaan bieden, hetgeen overigens tot op heden nog niet is gelukt. Dat het blijkens schoolrapporten mogelijk wel goed gaat met de kinderen op school, doet aan die conclusie niets af.

De rechtbank wijst ter onderbouwing van haar conclusie hierbij op de volgende passages uit de stukken van [naam instelling] .

Behandelovereenkomst [minderjarige A] / beschrijvende diagnose
Er is bij [minderjarige A] sprake van veel onverwerkte boosheid ten opzichte van haar vader en instanties waar ze mee te maken heeft gehad in verband met de zaak betreffende een omgangsregeling. [minderjarige A] heeft geen contact met haar vader en dit wil zij ook graag zo houden. De loyaliteit naar haar moeder is juist heel sterk. [minderjarige A] functioneert goed op school, thuis bij haar moeder en met vriendinnen.

Behandelovereenkomst [minderjarige B]/ beschrijvende diagnose
Er is bij [minderjarige B] sprake van veel onverwerkte boosheid ten opzichte van haar vader, waar ze veel negatieve ervaringen mee heeft opgedaan, waarbij ze het vertrouwen in hem volledig is verloren. Er is geen contact tussen de vader en de kinderen. De loyaliteit naar haar moeder is juist heel sterk. [minderjarige B] functioneert goed op school, thuis bij haar moeder en met vriendinnen.
Behandelovereenkomst [minderjarige D] / beschrijvende diagnose
[minderjarige D] is een ruim [leeftijd] meisje dat veel heeft meegemaakt en nog meemaakt met betrekking tot de relatie tussen haar ouders, de scheiding en vele gebeurtenissen die daar omheen hebben plaatsgevonden. [minderjarige D] is van nature gesloten en houdt veel rekening met hoe iets voor een ander is. Het liefst ontziet ze anderen in hetgeen haar bezig houdt, waardoor er te weinig ruimte is voor haar eigen gevoel en beleving.

Behandelovereenkomst [minderjarige C] / beschrijvende diagnose
[minderjarige C] is een jongen van [leeftijd] die last heeft van de situatie die er tussen de ouders speelt en gespeeld heeft in het verleden. Hij heeft nare herinneringen aan gebeurtenissen thuis en voelt zich buitenshuis niet veilig vanuit de angst dat hij wellicht geconfronteerd wordt met onverwacht contact met zijn vader. [minderjarige C] voelt zich prettig in het contact met zijn zussen en haalt hier steun uit. Hij heeft moeite om zich te concentreren. Onduidelijk is of dit een gevolg is van de gebeurtenissen en de huidige spanningen die zich van tijd tot tijd voordoen of dat dit een op zichzelf staand probleem is.

Over [minderjarige D] en [minderjarige C] is door moeder ook het behandelverslag in het geding gebracht. [naam instelling] concludeert hierin het volgende.

“De conclusie van de behandeling tot op heden is dat er bij [minderjarige D] en [minderjarige C] op emotioneel niveau onvoldoende ruimte is om zichzelf open te stellen om een (positieve) representatie c.q. beeld van vader te ontwikkelen. Beiden lijken een bestaan van vader te loochenen, hij is er niet voor hen. Het vermoeden bestaat dat [minderjarige D] en [minderjarige C] mogelijk onvoldoende positieve hechtingservaringen met vader hebben opgedaan. De ingrijpende gebeurtenissen voor, tijdens en na de scheiding hebben dit mogelijk versterkt. Praten over vader, denken, laat staan voelen roept grote angst bij hen op en dit weren zij af door te ontkennen dat hij bestaat. Op (object) relationeel vlak is de ontwikkeling van [minderjarige D] en [minderjarige C] gestagneerd en zijn zij als persoon zeer kwetsbaar. (…). Zo kan er dan eveneens langzamerhand ruimte ontstaan om een beeld van (een) vader toe te laten in hun emotioneel leven zonder dat dit met druk gepaard gaat van één van beide ouders. Tevens zal dan ruimte kunnen ontstaan om meer gedifferentieerd te zijn in de relatie met moeder, te weten allerlei verschillende gevoelens aan haar durven tonen. Van belang voor een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling is dat zij beide kunnen ervaren en de bijbehorende gevoelens (…) kunnen verdragen. Het lijkt daarbij aan te bevelen dat vader zich open stelt voor begeleiding om stil te staan bij de wijze waarop hij kan luisteren naar de kinderen, zodat zij zich echt gehoord en gezien voelen door hem”.

Daar komt nog bij dat ook uit de e-mail van moeder aan vader d.d. 17 april 2012 welke als bijlage bij de zittingsaantekeningen van de advocaat van de moeder ter zitting van 18 april 2012 is overgelegd, blijkt dat alle kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Weliswaar heeft de moeder deze e-mail aangegrepen om aan te geven waarom (nog) niet moet worden gewerkt aan een (geleidelijke) uitbreiding van de “omgang” zoals door vader is voorgesteld, maar de rechtbank ziet in de inhoud van dit e-mailbericht een bevestiging van haar conclusie dat de kinderen ernstig worden bedreigd in hun geestelijke ontwikkeling en dat een uithuisplaatsing van de kinderen, hoe treurig dan ook voor de kinderen, noodzakelijk is.

In dit verband wijst de rechtbank in het bijzonder op de volgende passages.

“Je hebt zelf ervaren dat het vertrouwen van de kinderen in jou helaas nihil is: [minderjarige C] durft zelf niet eens open te doen als je voor de deur staat en ondanks jullie gedeelde liefde voor voetbal wil hij geen balletje met je trappen. De contacten zijn er maar de afstand en het wantrouwen is nog zeer groot en dat heeft tijd nodig. (…). Zelf heb ik de afgelopen weken ervaren dat de kinderen bijzonder gespannen zijn in de aanloop naar de dagen dat er omgang is en dat de opluchting als het weer voorbij is, erg groot is. (…). [minderjarige A] heeft zelfs letterlijk gezegd dat, als het aan haar ligt, ze niets te maken wil hebben met je”.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt reeds dat alle andere middelen ter afwending van de bedreiging van de geestelijke belangen van de kinderen hebben gefaald en zullen falen. Het is immers geen enkele instantie, al dan niet na hiertoe te zijn gelast door de rechtbank, gelukt deze bedreiging weg te nemen.

Tot de overtuiging van de rechtbank dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing is voldaan, draagt voorts bij de door vader erkende en door moeder niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken stelling van de Raad dat bij de kinderen sprake is van het ouderverstotingssyndroom, ook wel PAS (Parental Alienation Syndrome) genoemd. Bij het ouderverstotingssyndroom is sprake van een pathologische binding tussen ouder en kind, in dit geval moeder en de kinderen, met uitsluiting van de andere ouder, in casu vader. De voornaamste uiting hiervan is een ongerechtvaardigd denigrerende houding van het kind tegenover de uitwonende ouder.

De gedingstukken alsmede de uitlatingen en gedragingen van alle kinderen ten overstaan van “[naam omgangshuis] ” en [naam instelling] en die van [minderjarige A] en [minderjarige B] ten overstaan van de kinderrechter welke hen heeft gehoord, bevestigen dat hiervan sprake is. Dat moeder een rechtvaardiging vindt voor het afhouden van (te snel) contact tussen vader en de kinderen, gelegen in een door haar gestelde mishandeling in het verleden van haar door vader – waarvan vader zowel in eerste aanleg als in appel is vrijgesproken – en door de wens van de kinderen om geen contact meer te hebben met hun vader, kan hieraan op geen enkele wijze afdoen, nog daargelaten dat zulks nimmer reden kan zijn voor het (voeden van) het ouderverstotingssyndroom waaraan de kinderen thans lijden. Immers de Raad heeft onomwonden in haar rapport van 9 april 2010 geconcludeerd dat geen sprake is van enige contra-indicatie voor het (herstellen van het) contact tussen de kinderen en vader en heeft die conclusie zowel ter zitting van 21 maart 2012 als die van 18 april 2012 bevestigd. Deze conclusie is ondersteund door de stichting. Het verweer van moeder dat die contra-indicaties wel aanwezig zijn getuige het gedrag van de kinderen acht de rechtbank van onvoldoende gewicht nu die gedragingen juist de constatering van het ouderverstotingssyndroom bevestigen en de conclusie dat de kinderen ernstig in hun geestelijke ontwikkeling worden bedreigd ten gevolge waarvan een uithuisplaatsing noodzakelijk is, onderbouwen. Het baart de rechtbank zorgen dat moeder dit niet onder ogen wil zien.

De rechtbank overweegt dat het bestaan van het ouderverstotingssyndroom bij alle vier de kinderen in onderling verband bezien met de overige (psychische) problemen van de kinderen een zeer ernstige bedreiging van de geestelijke ontwikkeling van de kinderen vormt. Slechts door een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing, waarbij tevens sprake van behandeling van de kinderen dient te zijn, is het mogelijk de schade die dit ouderverstotingssyndroom alsmede hetgeen dat daartoe heeft geleid, al heeft aangericht te beperken en zo mogelijk weg te nemen.

Gelet op het vorenoverwogene in onderling verband beschouwd met de gedingstukken en het het verhandelde ter zitting concludeert de rechtbank dat [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] thans in een omgeving opgroeien waar het hen niet vrij staat een band, op welke wijze dan ook, op te bouwen met hun vader. De argumenten die moeder hiervoor hanteert acht de rechtbank van onvoldoende gewicht. De kinderen verblijven reeds gedurende langere tijd in een omgeving waarin de vechtscheiding van hun ouders, en niet de kinderen zelf, centraal staan. De kinderen zijn inzet van de strijd geweest, met alle gevolgen van dien. Dat de kinderen de thans ingezette en ook nog geadviseerde begeleiding nodig hebben is een gevolg daarvan geweest evenals de aanwezigheid van het als zeer ernstig te noemen ouderverstotingssyndroom. Het feit dat het vader noch moeder lukt tezamen afspraken te maken over hun rol als ouders van de kinderen en in redelijkheid als ouders met elkaar en met hun kinderen om te gaan, heeft ertoe geleid dat de huidige situatie niet meer kan worden gehandhaafd en op geen enkele wijze in het belang van de [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige D] en [minderjarige C] kan worden geacht. De kinderen worden ernstig in hun geestelijke ontwikkeling bedreigd. Het feit dat zij niet de kans krijgen onbelast contact met beide ouders te hebben en sprake is van het ouderverstotingssyndroom, maakt dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Het nog langer later verblijven van de kinderen in deze omgeving moet als zijnde zeer schadelijk en niet in het belang van de kinderen worden geacht. Slechts een ondertoezichtstelling, een uithuisplaatsing en behandeling van de kinderen voor het hen door beide ouders aangedane leed, kan in hun belang worden geacht. De rechtbank realiseert zich dat de kinderen een hoge prijs moeten betalen voor het gedrag van hun ouders. Echter, gelet op het belang van de kinderen op zowel korte als lange termijn en het feit dat de kinderen door toedoen van hun ouders thans in een geweldsvacuüm terecht zijn geraakt dat zeer schadelijk is voor hun geestelijke gezondheid, kan niet anders worden geoordeeld. Vanuit de uithuisplaatsing, bezien als een “nulpunt”, zullen de vader en de moeder hun rol als ouder, onder deskundige begeleiding, dienen te hervatten. De rechtbank wenst zicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen en de vorderingen van de ouders met betrekking tot hun taak als opvoeders en zal daarom het verzoek tot de machtiging uithuisplaatsing slechts voor de duur van zes maanden – in plaats van de verzochte duur van één jaar – afgeven en voor het overige aanhouden.

De Raad en de stichting dienen de rechtbank tijdig voor afloop van deze periode te informeren over het verloop van de uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van de kinderen en ontwikkelingen in de relatie tussen ouders.

Nu het verzoek tot de machtiging uithuisplaatsing wordt toegewezen, behoeft geen voorlopige omgangsregeling in het kader van de ondertoezichtstelling te worden opgelegd. Het tot stand brengen van de contacten tussen vader, moeder en de kinderen, nadat deze uit huis zijn geplaatst, zal aan de stichting worden overgelaten.

De beslissing

De kinderrechter:

  • stelt de minderjarigen voornoemd onder toezicht van een stichting, te weten: BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT, Wal 20, 5611 GG Eindhoven met ingang van 10 mei 2012 voor de duur van één jaar;
  • verleent machtiging tot plaatsing van voornoemde minderjarigen in een voorziening voor verblijf pleegouders 24 uurs voor de duur van zes maanden;
  • houdt het verzoek voor het overige aan tot de zitting van 31 oktober 2012;
  • verzoekt de Raad en de stichting uiterlijk twee weken voor de zitting van 31 oktober 2012 aanvullende rapportage uit te brengen zoals hiervoor overwogen;
  • beveelt de griffier de belanghebbenden op te roepen voor de zitting van 31 oktober 2012 op een nog nader te bepalen tijdstip.
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te ‘s-Hertogenbosch door mrs. P.P.M. van Reijsen, O.A.J.M. Lavrijssen en V.R. de Meyere, kinderrechters en uitgesproken ter openbare zitting van 10 mei 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Conc.PvR
Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat -hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch:
a) door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.

Referentie:
ECLI:NL:RBSHE:2012:BW5616, voorheen LJN BW5616, Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 246254 / JE RK 12-669 en 244529 / JE RK 12-423MZ01

mei 10, 2012 at 12:28 pm Plaats een reactie

Rechtbank Roermond – Voorbeeld inzet “klemcriterium” en “loyaliteitsconflict” om kinderen tegen hun wil bij zorgvader weg te halen en bij moeder te plaatsen

Hieronder een voorbeeld van hoe in een recente familierechtuitspraak van de Rechtbank Roermond (enkelvoudige kamer) het zgn. klemcriterium (BW1, Artikel 1:251:lid 1a: Kinderen raken klem en verloren tussen de beide ouders) door kinderbescherming en kinderrechter wordt toegepast om de kinderen tegen hun eigen wil bij een (overigens aan beperkte omgang van de kinderen met moeder meewerkende) zorgvader weg te halen en bij moeder te plaatsen. De beide kinderen willen dat zelf nadrukkelijk niet, maar daar wordt overheen gegaan “in het belang van het kind”. Vader wordt daarbij vervolgens verder buitenspel gezet naar de kinderen middels begeleide omgang.

Als grondmotief voor deze zwaarwegende beslissing wordt door de rechter gesteld: “De kinderrechter overweegt met de raad voor de kinderbescherming dat de kinderen onvoldoende ruimte krijgen om zich bij beide ouders op hun gemak te voelen en dat ze vanuit deze positie kennelijk voor de vader hebben gekozen. Dit is zeer zorgelijk te noemen, nu de kinderen recht hebben op een goed contact met beide ouders. Een dergelijk contact met beide ouders is ook noodzakelijk voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van de kinderen.” Dit hoofdargument (b)lijkt in de praktijk van deze uitspraak echter bij nader inzien toch eigenlijk vooral een gelegenheidsargument, waar vader vervolgens middels een zgn. begeleide omgangsregeling door rechter en kinderbescherming in zijn contact met de kinderen vrijwel onmiddelijk verder buitenspel wordt gezet. Kennelijk telt het goede contact van de kinderen met hun vader voor deze rechter en de kinderbescherming dan toch minder mee dan het contact met hun moeder. (Wel zou je hierbij kunnen opmerken dat het gebruikte gelegenheidsargument mogelijk reden is geweest dat vader nog enige begeleide omgang heeft gekregen, anders was zijn betrokkenheid bij de kinderen mogelijk van de ene dag op de andere zelfs geheel door rechter en kinderbescherming stopgezet.)

Interessant hierbij is verder dat het in de hoofdargumentatie gebruikte “klemcriterium” (BW1, Artikel 1:251:lid 1a) hier oneigenlijk gebruikt wordt door de kinderrechter. De kinderrechter gebruikt het klemcriterium hier namelijk om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen, terwijl de wet het gebruik van het klemcriterium door de rechter bepaalt of beperkt tot gezagsbeslissingen of – wijzigingen tot eenoudergezag en aan dit (gezamenlijk) gezag verandert de rechter in deze uitspraak niets:

Artikel 1:251a:Lid 1a: Het klemcriterium
1.De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. (……….)

Dit onjuiste gebruik van het klemcriterium door Nederlandse rechters, dat door de wetgever bij de invoering van de wet in 2009 juist bedoeld was alleen te worden toegepast bij hoge uitzondering, krijgt hiermee een steeds breder, steeds willekeuriger en zelfs buitenwettig karakter. Het gebruik van het klemcriterium dreigt daarmee – net als het willekeurige en ongedefinieerde gebruik van ‘het belang van het kind’ – in de huidige rechtspraktijk te verworden tot rechterlijke willekeur en panacee.

Interessant is tot slot dat het in deze uitspraak eigenlijk vooral ook lijkt te gaan om een verkapte inzet door kinderbescherming en kinderrechter van het door psychiater Richard Gardner goed omschreven en gedefinieerde “ouderverstotingssyndroom” (PAS), zonder dat deze terminologie in deze uitspraak overigens gebruikt wordt. In plaats daarvan glippen kinderbescherming en kinderrechter hier weg met het gebruik van oncontroleerbare en onnavolgbare (want nergens goed gedefinieerde of omschreven) terminologie zoals “loyaliteitsconflict” en/of “in de knel of klem raken tussen de ouders”  en wordt hier gesproken over een “ernstig loyaliteitsconflict van de kinderen t.o.v. hun ouders” etc. (‘Whatever that may be?’).

Het kan goed zijn dat deze vader mogelijk de beide kinderen zodanig ernstig heeft vervreemd van moeder, dat een dergelijke zwaarwegende beschikking als gegeven in deze uitspraak te rechtvaardigen valt, maar stel deze hier veronderstelde negatieve invloed van vader op de kinderen dan wel eerst ook deugdelijk vast met helder omschreven, goed gedefinieerde, gevalideerde en objectiveerbare termen, criteria en terminologie die ook in de wet zijn vast gelegd, in plaats van het huidige gerommel met ongedefinieerde, willekeurige en onnavolgbare termen zoals we hier in de Nederlandse familierechtspraak en kinderbescherming steeds weer opnieuw zien.

In deze uitspraak is die rechtvaardiging echter geenszins gegeven en draagt de familierechtuitspraak verder bij aan het verlies van vertrouwen van Nederlandse burgers in de Nederlandse rechtspraak op het voor burgers meest essentiële punt, dat van de liefde en zorg als ouder voor de eigen kinderen en het contact met de eigen kinderen.

Maar graag jullie reactie en mening.

Groet,
Peter Tromp
Vader Kennis Centrum

———————————————

ECLI:NL:RBROE:2011:BU4821, Rechtbank Roermond, 109342 / FA RK 11-889

Datum uitspraak:16-11-2011
Datum publicatie:17-11-2011
Rechtsgebied:Personen-en familierecht
Soort procedure:Eerste aanleg – enkelvoudig
Vindplaats: Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie:
Ernstig loyaliteitsconflict kinderen (van 11 en 8 jaar oud) ten aanzien van ouders. Kinderen wonen bij vader. Door zijn houding belemmert vader contact tussen de kinderen en de moeder. Hoewel kinderen zelf aangeven bij vader en niet bij de moeder te willen wonen wordt de hoofdverblijfplaats bij moeder bepaald en voorlopig een regeling vastgesteld waarbij omgang tussen vader en de kinderen onder begeleiding plaats zal vinden. Kinderrechter ziet deze voor de kinderen zeer ingrijpende stap als enige mogelijkheid om impasse te doorbreken.

Uitspraak
RECHTBANK ROERMOND
Sector civielrecht

Zaaknummer: 109342 / FA RK 11-889

Beschikking van 16 november 2011 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[de moeder],
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr.drs. I. Ligtelijn- Huisman;

tegen:

[de vader],
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. J.J. Geuze.

Als belanghebbende merkt de rechtbank tevens aan de minderjarigen:
[minderjarige dochter], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
[minderjarige zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:
– de tussen partijen gegeven beschikking d.d. 27 juli 2011 de beslissing over de verzoeken is aangehouden en de raad voor de kinderbescherming is verzocht rapport en advies uit te brengen;
– het op 14 oktober 2011 ingekomen rapport en advies van de raad voor de kinderbescherming te Roermond;
– de brief, met bijlage, van 18 oktober 2011 van de raad voor de kinderbescherming;
– de brieven, met bijlagen, van 19 oktober 2011 en 4 november 2011 van de advocaat van
de vader;
– de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 7 november 2011 en waarbij zijn verschenen:
– de ouders, bijgestaan door hun advocaten;
– [gezinsvoogdes], gezinsvoogdes van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
– [vertegenwoordiger van de Raad], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

2. Het oordeel van de rechtbank

2.1. De raad voor de kinderbescherming adviseert de hoofdverblijfplaats van de kinderen te bepalen bij de moeder en een reguliere omgangsregeling tussen de kinderen en de vader te bepalen, waar naartoe wordt gewerkt via een begeleide omgangsregeling bij de Mutsaersstichting.
De raad stelt zich daarbij op het standpunt dat de kinderen ernstig knel zitten in de strijd tussen hun ouders. De zorgen over de kinderen zijn – ondanks hulpverlening vanuit een ondertoezichtstelling – nog onverminderd groot.
De zorgen die door de vader geuit worden over de mishandeling van de kinderen door de moeder en haar partner lijken gebaseerd te zijn op incidenten. De raad voor de kinderbescherming heeft sterke aanwijzingen dat de kinderen in een positie zijn geraakt, waarin twee incidenten sterk benadrukt worden. De kinderen komen hierdoor steeds verder af te staan van de werkelijkheid. De kinderen moeten serieus genomen worden in hun beleving, maar het is ook noodzakelijk dat de kinderen een reëel beeld krijgen van de gebeurtenissen. Dat de kinderen zich niet veilig voelen bij de moeder en haar partner, ziet de raad als een reactie op het loyaliteitsconflict, waarin de kinderen zitten. Vanuit de praktijk komen geen signalen naar voren waaruit blijkt dat de kinderen daadwerkelijk angstig zijn. De kinderen ogen ontspannen in het bijzijn van de moeder en haar partner en het is zorgelijk te noemen dat de kinderen terug in hun schulp lijken te kruipen als de moeder ter sprake komt in het bijzijn van de vader. De kinderen krijgen van de vader onvoldoende ruimte om op een positieve wijze contact te hebben met de moeder. Hoewel de vader zegt het belang van de kinderen in het oog te houden en moeite te zullen doen de omgang tussen de moeder en de kinderen mogelijk te maken, blijkt dit niet uit zijn handelen.
De moeder legt geen druk op de kinderen en probeert vanuit haar positie de contacten zo positief mogelijk in te vullen, waardoor deze contacten ook positief verlopen.
Rust en continuïteit voor de kinderen kunnen alleen gecreëerd worden vanuit de thuissituatie van de moeder. De raad verwacht dat de moeder de kinderen de ruimte en vrijheid zal bieden om de vader een rol in hun leven te laten hebben.
De raad vindt een begeleide omgangsregeling met de vader noodzakelijk om voor de kinderen veiligheid en vertrouwen te creëren en te wennen aan de nieuwe situatie. Daarnaast zijn er vermoedens van negatieve beïnvloeding van de kinderen door de vader en wil de raad voorkomen dat de kinderen verder in een loyaliteitsconflict gebracht worden.

2.2. De moeder is het eens met het advies van de raad voor de kinderbescherming.

2.3. De vader is het niet eens met het advies van de raad voor de kinderbescherming.
Het advies is gebaseerd op de interpretatie van containerbegrippen door de raad. De raad gaat voorbij aan het punt dat gebleken is dat de kinderen zich veilig voelen bij de vader en niet bij de moeder.
Volgens de vader werkt hij wel mee aan herstelcontacten met de moeder, hetgeen ook blijkt uit de vele contacten tussen de moeder en de kinderen in de afgelopen maanden. De vader vindt het tempo hiervan te hoog voor de kinderen. Dat is wat hij heeft aangegeven.
Vanaf half september gaat het niet goed met de kinderen, hetgeen de vader wijt aan het advies van de raad voor de kinderbescherming en de onrust die daardoor is ontstaan.
De teamleider van de school heeft recent geconcludeerd dat [minderjarige zoon] verdriet heeft, omdat hij zich zorgen maakt dat hij bij de moeder moet gaan wonen en dat hij naar een andere school moet. [minderjarige dochter] wil graag leuk gevonden worden en doet daarvoor erg haar best, maar gedraagt zich heel vrij om zichzelf te zijn bij de vader thuis. [minderjarige dochter] kruipt niet in haar schulp in aanwezigheid van de vader. [minderjarige dochter] heeft moeder verteld dat ze niet bij haar wil wonen.
De situatie voor de kinderen is al langere tijd onveilig. Een echtscheiding is voor kinderen een onveilige situatie en het grensoverschrijdende opvoedgedrag van de moeder maakt de situatie extra onveilig. In de rapportage spreekt de moeder enkel negatief over de vader, maar de vader niet over de moeder.

2.4. De gezinsvoogd heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er weliswaar een verandering in de houding van de vader heeft plaatsgevonden, maar dat is onvoldoende.
De school spreekt van een schrijnende situatie. De kinderen kunnen zich niet meer concentreren. Dat het nu niet goed gaat op school, komt door het loyaliteitsconflict waarin de kinderen zitten.
De vader werkt niet van harte mee aan de herstelcontacten tussen de moeder en de kinderen. De vader heeft zelfs tegen een medewerker van de stichting gezegd dat kinderen het contact met de moeder niet nodig hebben, nu kinderen van wie de moeder is overleden ook geen contact hebben met hun moeder.
Tussen de moeder en de kinderen zijn afgelopen zomer drie begeleide omgangsmomenten geweest en dat ging goed. Daarom vond de stichting dat de omgang kon worden uitgebreid tot zes uur en niet meer onder begeleiding hoefde plaats te vinden. Met moeite heeft de vader kunnen instemmen met twee uur onbegeleide omgang per 14 dagen.
De gezinsvoogd heeft recent met de kinderen, de moeder en haar partner gesproken over wat de kinderen nodig hebben van de moeder. Dit is een goed gesprek geweest en de afspraak is daarbij gemaakt om een nacht te logeren. Dit heeft de gezinsvoogd samen met [minderjarige dochter] aan de vader verteld, maar de reactie van de vader maakte dat [minderjarige dochter] terug in haar schulp kroop. Ook non-verbaal zet de vader de kinderen onder druk. De kinderen voelen daarom niet de toestemming van de vader om een positief contact te hebben met de moeder. De gezinsvoogd heeft hierover een emotioneel gesprek gehad met [minderjarige dochter]. De kinderen voelen zich genoodzaakt om te kiezen.

2.5. Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
(…)
De rechter beproeft alvorens te beslissen op voormeld verzoek een vergelijk tussen de ouders.

2.6. Uit de processtukken blijkt dat er is geïnvesteerd in de onderlinge communicatie tussen de ouders. Dit heeft tot op heden niet tot een constructieve manier van communiceren geleid.
De kinderrechter overweegt met de raad voor de kinderbescherming dat de kinderen onvoldoende ruimte krijgen om zich bij beide ouders op hun gemak te voelen en dat ze vanuit deze positie kennelijk voor de vader hebben gekozen. Dit is zeer zorgelijk te noemen, nu de kinderen recht hebben op een goed contact met beide ouders. Een dergelijk contact met beide ouders is ook noodzakelijk voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van de kinderen.
Blijkens het rapport van de raad, alsmede de stelling van de gezinsvoogd ter zitting zijn pogingen om deze situatie te veranderen mislukt, waarbij voorts is gebleken dat de vader de omgang tussen de moeder en de kinderen belemmert. Er is weliswaar onder druk van de gezinsvoogd omgang tussen de moeder en de kinderen tot stand gekomen, echter door de opstelling van de vader krijgen de kinderen onvoldoende ruimte en goedkeuring van hem om het contact met de moeder op een positieve manier te laten plaatsvinden.
Met de raad voor de kinderbescherming is de kinderrechter derhalve van oordeel dat de overtuiging van de vader over wat goed is voor de kinderen, hierdoor niet langer overeen komt met wat de kinderen werkelijk nodig hebben. Vader toont zich in zijn overtuiging onverzettelijk.
Dat de kinderen zich op dit moment veilig voelen bij de vader en niet bij de moeder, is naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van voormelde houding en overtuiging van de vader.
Dat er zich incidenten bij de moeder hebben voorgedaan neemt de kinderrechter aan. Naar het oordeel van de kinderrechter is echter niet gebleken dat er in de opvoedingssituatie bij de moeder sprake is van structurele lichamelijke of psychische mishandeling van de kinderen. Zowel de vader als de kinderen zelf benoemen twee gedateerde voorbeelden.
Gebleken is voorts dat de moeder thans geen druk legt op de kinderen, zodat er naar het oordeel van de kinderrechter bij haar meer kansen liggen voor de kinderen om uit het loyaliteitsconflict te geraken. De kinderrechter laat in zijn oordeel meewegen de begeleiding die de gezinsvoogd geeft en het constructieve gesprek dat zij met de moeder, haar partner en de kinderen heeft gehad omtrent de vraag wat de kinderen van de moeder op dit moment kunnen verwachten. De kinderrechter realiseert zich dat de verhuizing naar de moeder een ingrijpende stap is voor de kinderen, maar ziet geen andere weg om de ontstane impasse te doorbreken.

2.7. Gelet op het vorenstaande oordeelt de kinderrechter dat de in het ouderschapsplan d.d. 6 april 2010 opgenomen regelingen dienen te worden gewijzigd, in die zin dat de belangen van de kinderen vereisen dat de hoofdverblijfplaats voortaan bij de moeder zal zijn en dat het contact tussen de vader en de kinderen voorlopig via de begeleide omgangsregeling (BOR) van de Mutsaersstichting zal plaatsvinden.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijzigt de uitspraak van deze rechtbank van 9 juni 2010 en de daarin opgenomen onderlinge regelingen, zoals opgenomen in het ouderschapsplan d.d. 6 april 2010, in de zin als hierna vermeld;

3.2. bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
1. [minderjarige dochter], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
2. [minderjarige zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
voortaan bij de vrouw zal zijn;

3.3. bepaalt dat het contact tussen de vader en de kinderen voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, onder begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR) zal plaatsvinden;

3.4. verzoekt de raad voor de kinderbescherming te Roermond uiterlijk op 16 mei 2012 (pro forma) de rapportage van de Mutsaersstichting bij de rechtbank in te dienen, waarna de rechtbank partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;

3.5. houdt iedere verdere beslissing aan;

3.6. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. Wassenberg, kinderrechter en ter openbare terechtzitting van 16 november 2011 uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

DT

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.

Referentie:
ECLI:NL:RBROE:2011:BU4821, Rechtbank Roermond, 109342 / FA RK 11-889

november 17, 2011 at 7:07 am 7 reacties

Belgisch wetsvoorstel tegen oudervervreemding en tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht in het strafrecht

Belgisch Wetsvoorstel tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht (indien de vrederechter of jeugdrechter vaststelt dat, na scheiding, de ouderband met een van de ouders verloren dreigt te gaan : wijziging Burgerlijk Wetboek en Gerechtelijk Wetboek – Wijziging Strafwetboek : ouderverstoting) (5-520)
– Voorstel van mevrouw Christine Defraigne

5-520/1 p. 1-12

Wetsvoorstel tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht
(Ingediend door mevrouw Christine Defraigne) –Wetgevingsstuk 5-520/1 – 2010/2011 – 23 november 2010
http://www.senate.be/www/webdriver?MItabObj=pdf&MIcolObj=pdf&MInamObj=pdfid&MItypeObj=application/pdf&MIvalObj=83886634
http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub&COLL=S&LEG=5&NR=520&PUID=83886624&LANG=nl

BELGISCHE SENAAT, ZITTING 2010-2011, 23 NOVEMBER 2010

TOELICHTING

Tegenwoordig gaan steeds meer koppels uit elkaar. Hun aantal stijgt voortdurend. Volgens de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, KMO, Middenstand en Energie vonden er in 2008 in België 35 366 scheidingen plaats. Dat zijn er 5 285 meer dan in 2007 en 6 177 meer dan in 2006. In januari van dit jaar (2010) alleen al scheidden 3 411 koppels. Deze cijfers tonen een duidelijke toename van het aantal scheidingen in ons land aan.

Een relatiebreuk kan een zeer moeilijke periode zijn voor de gezinsleden. Volgens psychiater Jean-Marc Delfieu (1) past een kind dat met deze situatie wordt geconfronteerd zich over het algemeen tamelijk goed aan en ontwikkelt zich pas ongeveer twee jaar na de scheiding van zijn ouders psychisch verder op een normale manier. (2) Indien een van beide ouders ontbreekt, kan het kind later als volwassene communicatiepro- blemen ondervinden in de omgang met mensen van het andere of hetzelfde geslacht.

Helaas gebeurt het dat bij een relatiebreuk een van beide ouders wraak wil nemen op de andere wegens het leed dat die hem of haar heeft aangedaan. Een van de ouders wil de ex-partner dan moreel vernietigen. In een dergelijk geval kan die ouder het kind gijzelen.

Het komt ook voor dat een ouder het kind exclusief voor zich wil houden omdat hij of zij reeds zijn of haar partner heeft verloren. In een dergelijke situatie kunnen die ouder en het kind zich tegen de andere ouder keren, die dan de boeman wordt die verantwoordelijk is voor alle ellende.

Het is zo dat het « ouderverstotingssyndroom » kan ontstaan. Dit syndroom wordt in 1986 omschreven door Richard A. Gardner, Amerikaans professor kinderpsychiatrie en psychiatrie. Volgens hem is het « ouderverstotingssyndroom » een afwijking bij kinderen, die zich bijna uitsluitend voordoet in de context van conflicten rond ouderlijk gezag. Primair kenmerk is de campagne van denigreren van een ouder (voortdurende kritiek en negatieve voorstelling), een campagne waar geen rechtvaardiging voor is. Het is het resultaat van de combinatie van de indoctrinatie van een programmerende (hersenspoelende) ouder en de eigen bijdragen van het kind aan de verkettering van de ouder die het doelwit is. » (3). Het kind verstoot en verkettert de ouder van wie het zoveel hield en is onverbrekelijk één met de verstotende ouder, wat die laatste ook wil.

In extreme gevallen van ouderverstoting gaat de verstotende ouder zelfs zover dat hij het kind ontvoert naar het buitenland, uit wraak of uit overtuiging dat dit voor het kind het beste is. De verstotende ouder verbreekt definitief de ouderband tussen het kind en de andere ouder. Zo heeft de verstoten ouder niet alleen geen affectieve band meer met zijn of haar kind, maar worden hem of haar daarenboven zijn of haar ouderlijke rechten ontzegd, namelijk zeggenschap hebben in de beslissingen die betrekking hebben op het leven van het kind, weten waar het kind zich bevindt en op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen met het kind onderhouden. Het hogere belang van het kind wordt geschonden. Dit feit heeft zware gevolgen voor het kind, vooral als het nog jong is.

Volgens Gardner zijn er vier kenmerken om het gedrag van de verstotende ouder te herkennen : « 1) de belemmering van de relatie en het contact met het kind; 2) valse aantijgingen van allerlei misbruiken; 3) de angstreactie van de kinderen; en 4) de verslechtering van de relatie sinds de scheiding. » (4)

Hij beschrijft vervolgens acht belangrijke uitingen bij het kind :

— ongegronde afwijzings- en lastercampagne : de afgewezen ouder wordt onderuitgehaald zonder het minste schuldgevoel bij het kind. De afgewezen ouder wordt als gemeen en gevaarlijk beschreven;

— absurde rationalisering : het kind voert irrationele of absurde excuses aan die geen reëel verband houden met de daadwerkelijke ervaringen;

— het ontbreken van ambivalente gevoelens : de afgewezen ouder is louter « slecht » en de verstotende ouder is louter « goed ». Er is niks daartussenin;

— reflexmatige steun aan de verstotende ouder : wanneer beide ouders zich in elkaars aanwezigheid bevinden, kiest het kind partij voor de ouder bij wie het leeft, soms zelfs vooraleer de afgewezen ouder zich heeft uitgesproken;

— uitbreiding van de vijandigheid tot de hele familie in ruime zin (grootouders, tantes, neven, enz.) en tot de omgeving van de afgewezen ouder (buren, vrienden, enz.);

— nageprate « eigen mening » van het kind : het kind wordt geconditioneerd om de mening van de verstotende ouder voor te stellen als zijn eigen mening. Psychoanalist Jean-Marc Delfieu verklaart dit doordat geen enkel kind de ouder die zich over hem ontfermt en van wie het afhangt, wil ontgoochelen (5);

— afwezigheid van schuldgevoelens over de onverbiddelijkheid jegens de verstoten ouder : het kind gaat ervan uit dat de afgewezen ouder koel en ongevoelig is en bijgevolg niet lijdt onder de afwijzing, maar verdient wat er hem of haar overkomt;

— letterlijk citeren van onbegrepen woorden : het kind neemt de verhalen van de verstotende, manipulerende ouder over.

Volgens Jean-Marc Delfieu indoctrineert in geval van ouderverstotingssyndroom de ouder die de vervreemding realiseert, het kind bewust of onbewust. Hiertoe maakt de ouder misbruik van zijn of haar praktisch onbeperkte macht om invloed uit te oefenen op en te beschikken over het kind. Een dergelijke invloed heeft veel weg van misbruik en brengt ernstige psychische gevolgen voor het kind en de verstoten ouder met zich mee (6).

Het begrip « ouderverstoting », de criteria die tot een diagnose leiden en de opvatting van het syndroom verschillen naar gelang van de specialisten. Zo bestaan er definities die al dan niet sterk verschillen van die van Gardner. Bijvoorbeeld :

Warshak (7) legt de nadruk op drie randvoorwaarden : de lastercampagne gebeurt via voortdurend gestook; de afwijzing van de betrokken ouder is niet gerechtvaardigd; de afwijzing vloeit gedeeltelijk voort uit de invloed van de verstotende ouder. Net zoals bij Gardner bevat zijn definitie dus een onontbeerlijk causaal verband.

Kelly negeert elk oorzakelijk verband en richt zich uitsluitend op het gedrag van het kind. Volgens hem is er sprake van ouderverstoting wanneer een kind tegenover een ouder vrijuit en voortdurend onredelijke gevoelens (woede, haat, afwijzing, vrees) en meningen koestert die overdreven zijn in verhouding tot de reële ervaring van het kind met die ouder (8).

Volgens Darnall daarentegen heeft het kind geen actief aandeel, maar speelt het uitsluitend de rol die de ouder die uit is op de verstoting van de ex-partner, suggereert. Hij omschrijft het verschijnsel van ouderverstoting als een gedrag bij de kribbige ouder dat kan leiden tot een verstoring in de relatie tussen het kind en de andere ouder.

In België tracht psycholoog en bemiddelaar Benoît Van Dieren, die een stevige ervaring heeft met deze problematiek, specifieke middelen te vinden om deze situaties, waarbij de ouderband dreigt verloren te gaan of effectief verloren is gegaan, en die in de ergste gevallen kunnen leiden tot ouderverstoting, te diagnosticeren en te verhelpen. Het klopt dat het Belgische gerecht onvoldoende is uitgerust om enerzijds een diagnose te maken van gevaarlijke situaties die kunnen ontaarden in het verlies van de ouderband en anderzijds de strijd aan te gaan tegen het onvermogen of de onwil van de ouders om samen te werken om het ouderlijk gezag gezamenlijk uit te oefenen.

De heer Van Dieren zegt zelfs dat de manipulerende ouder, die zijn of haar greep op het kind wil behouden en daarbij de andere ouder zwartmaakt, er min of meer zeker van is dat zijn of haar streven om de « foute » of storende ouder te vernietigen, uiteindelijk zal slagen. De verstotende ouder speculeert enerzijds op de tijd die voorbijgaat en op de procedures, wetende dat het op het einde van de rit de « wil » van het kind is die het zal halen van justitie. Hij benadrukt tevens dat uiteindelijk het « spontane » verhaal van het kind, dat, als het kind eenmaal goed geconditioneerd is, een eigen leven gaat leiden en zeer overtuigend wordt tegenover iedereen, magistraten en psychologen inbegrepen (9) ».

Een van de vernieuwende middelen die deze psycholoog voorstelt, is ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht, een begeleidingsvorm die moet worden opgelegd zodra de rechter vaststelt dat de ouderband met een van de ouders dreigt verloren te gaan of reeds effectief verloren is gegaan.

De indiener van het wetsvoorstel stelt voor om de mogelijkheid voor de rechter in te voeren om een beroep te doen op deze begeleiding wanneer er in een zaak met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van een kind (artikelen 223, 373, 374, 387bis, 387ter van het Burgerlijk Wetboek en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek) sprake is van een (dreigend) verlies van de ouderband.

De snelheid waarmee deze begeleiding wordt opgelegd is een troef om een situatie te verhelpen die zeer snel dreigt vast te lopen, te verslechteren en jammer genoeg definitief kan worden. Zodra het proces van ouderverstoting is begonnen en alle contact met de afgewezen ouder verbannen wordt, blijkt het moeilijk om de situatie te verhelpen omdat de afgewezen ouder niet meer aan het kind kan tonen wie hij of zij echt is.

Om dezelfde redenen is het uiterst belangrijk dat de begeleiding plaatsvindt binnen een strakke timing die evenwel ruimte laat voor een diepgaande evolutie van de relaties en standpunten van eenieder (10). De indiener van het voorstel voorziet dan ook in bemiddelingszittingen binnen termijnen van maximaal twee maanden.

Ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht impliceert in een eerste fase voor de rechter die vaststelt dat de ouderband verloren dreigt te gaan of reeds verloren is gegaan, dat deze vaststelling aan de partijen wordt meegedeeld. De rechter geeft aan dat deze situatie niet toelaatbaar is en dat ze moet worden verholpen voor het welzijn van het kind. Met het oog op dit welzijn is het de facto nodig om zo snel mogelijk de banden tussen de kinderen en elk van hun ouders naar best vermogen te herstellen.

De rechter speelt een pedagogische rol die erin bestaat de ouders bewust te maken van hun ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het kind. Hier- toe is het vaak noodzakelijk dat de « verstotende » ouder zijn of haar rol van ex-partner los ziet van die als ouder, aangezien het proces van oudervervreemding in de meeste gevallen ontstaat bij de scheiding van het koppel. Dat is geen evidente zaak.

De rechter deelt de ouders in dit verband mee dat er een deskundige in ouderbegeleiding zal worden aangesteld die hen zal helpen een oplossing voor dit probleem te vinden via onderhandelingen. Hij benadrukt dat om tot een oplossing te komen beide partijen zullen moeten samenwerken. Dit psychologisch-juridisch hulpmiddel impliceert tevens de actieve medewerking van de advocaten die zich ertoe verbinden de confrontatielogica te laten vallen om deze ouderlijke samenwerking met respect voor elk familielid alle slaagkansen te bieden.

Men maakt de partijen duidelijk dat de deskundige de partijen — en hun advocaten — en de rechter telkens als hij dat nodig acht een verslag zal sturen over de evolutie van de relaties en standpunten van elke partij. Er is dus sprake van een permanent toezicht van de rechter.

Zoals de heer Van Dieren aangeeft (11) kan de tussenkomende partij in geval van matige of ernstige ouderverstoting de rechter zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van reacties als sabotage van het proces, niet-naleving van verbintenissen, laster, manipulatie, of kwade trouw die ze zelf heeft kunnen vaststellen tijdens het begeleidingsproces zelf en die niet bij het begin naar voren werden geschoven (hetgeen altijd met klem wordt ontkend door de betrokkene).

Anderzijds is deze ouderlijke samenwerking een fundamenteel element waarmee de rechter rekening houdt om een oordeel te vormen met betrekking tot de beslechting van het geschil. Zo kan een gebrek aan samenwerking in het kader van deze begeleiding zware gevolgen hebben zoals bijvoorbeeld een voorlopige omkering van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, een beslissing die definitief kan worden in een definitief vonnis, of een dwangsom, een veroordeling tot de betaling van alle onkosten en honoraria van de deskundige of een veroordeling tot de procedurekosten en de advocatenkosten van de tegenpartij.

De mogelijkheid om op elk moment van de begeleiding dergelijke sancties opgelegd te krijgen, is bijgevolg een doorslaggevende vorm van dwang voor het welslagen van het proces.

Binnen de procedure van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht wordt er op verzoek van de rechter of wanneer de deskundige het opportuun acht een voorlopig verslag ingediend volgens de procedure van het Gerechtelijk Wetboek. De partijen of hun raadsman delen hun commentaar mee binnen een termijn die wordt vastgesteld door de deskundige, rekening houdend met de aard van het geschil. De deskundige stelt dan het definitieve verslag op dat hij bezorgt aan de rechter en aan de partijen en hun raadsman.

Teneinde de ouderbegeleiding aan een bepaalde timing te koppelen, wordt bepaald dat de rechter binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het definitieve verslag de rechtsdag bepaalt.

Het is duidelijk dat dit middel geen wondermiddel is dat alle conflicten kan oplossen. Het is een van de vele actiemiddelen waarover de beroepsmensen beschikken, zoals bijvoorbeeld de klassieke expertise, de bemiddeling in gezinszaken, maar ook — sinds de wet op de gelijkmatig verdeelde huisvesting — de voortdurende aanhangigmaking voor de jeugdrechter, de mogelijkheid om een dwangsom te eisen en de gedwongen uitvoering in uitzonderlijke gevallen.

Gezien de schade ten aanzien van het kind dat geen affectieve band met een van zijn ouders heeft en ten aanzien van de « verstoten » ouder moet de Belgische justitie worden uitgerust met bijkomende middelen. Het beschikbare arsenaal is duidelijk niet voldoende. De ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht komt tegemoet aan een lacune op grond van de bijzondere elementen ervan, namelijk :

— reële interdisciplinaire samenwerking : rechter, advocaten, deskundige;

— permanente en effectieve controle — men wacht niet gedurende zes maanden op de expertise, want tijdens deze periode kan de situatie voorgoed vastlopen — van de rechter op het verloop van de begeleiding via verslagen van de deskundige;

— focus tijdens de begeleiding op de wil en het vermogen om samen te werken en niet op de geschiktheid om een goede ouder te zijn;

— dreiging van sancties in geval van niet-samenwerking vanwege een ouder;

— responsabilisering van de ouders;

— snelheid van de invoering en van het verloop van de begeleiding.

De indiener van het genoemde voorstel meent dat een strafrechtelijk aspect eveneens noodzakelijk is. Net zoals familieverlating of niet-afgeven van kinderen moet worden bestraft, moet ook de ouder die aan ouderverstoting doet strafrechtelijk kunnen worden gestraft, ofwel met een geldboete, ofwel met een gevangenisstraf, ofwel met beide. De strafrechtelijke sanctie zal in laatste instantie worden ingezet. Zonder dit zwaard van Damocles zouden sommige ouders de begeleiding onder gerechtelijk toezicht niet volgen en de zaken laten ontaarden.

De uitspraak van een probatie-uitstel door de rechter is altijd mogelijk en zou een bijkomende stimulans kunnen zijn om de begeleiding onder gerechtelijk toezicht na te leven en een einde te maken aan dit verstotingssydroom. Dat wordt uiteraard aan de rechter overgelaten.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen 2, 3 en 4

Deze bepalingen stellen de vrederechter of de jeugdrechter in staat om ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht op te leggen wanneer hij of zij vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of dreigt te gaan.

Artikel 5

Dit artikel voegt in boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek een hoofdstuk XIIter in. Het beschrijft de procedure van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht.

Artikel 6

Dit artikel voegt een afdeling Vbis in hoofdstuk III van deel VIII van het Strafwetboek in, met als opschrift : Ouderverstoting.

Deze bepaling strekt ertoe een misdrijf wegens belemmering van de uitoefening van het ouderlijk gezag te creëren, dat wordt bestraft met een gevangenisstraf en/of een geldboete, aangezien elk kind het recht heeft op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen met beide ouders te onderhouden, zoals bepaald in artikel 9, punt 3, van het International Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989. In dit artikel wordt dus gezegd wat dient te worden verstaan onder « ouderverstoting » en wat de mogelijke straffen zijn.

Christine DEFRAIGNE.

***

WETSVOORSTEL

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Wijziging van het Burgerlijk Wetboek

Art. 2

In artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen door de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 28 januari 2003, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :

« Indien de vrederechter of de jeugdrechter vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan hij de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht als bedoeld in hoofdstuk XIIter van boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek opleggen. »

Art. 3

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387quater ingevoegd, luidende :

« 387quater. — Indien de rechter, tijdens de procedures bedoeld in de artikelen 373, 374, 387bis en 387ter, vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan hij de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht als bedoeld in hoofdstuk XIIter van boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek opleggen. »

Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 4

In artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 19 maart 2010, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :

« Indien de rechter vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan hij de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht als bedoeld in hoofdstuk XIIter van boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek opleggen. »

Art. 5

In boek IV van deel IV van het Gerechtelijk Wetboek wordt een hoofdstuk XIIter ingevoegd, bestaande uit de artikelen 1322 quinquiesdecies tot 1322 vicies semel, luidende :

« Hoofdstuk XIIter. Ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht

Art. 1322quinquiesdecies. — De rechter bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt op grond van de artikelen 223, 373, 374, 387bis, 387ter van het Burgerlijke Wetboek en 1280, in eerste aanleg of in hoger beroep, en die vaststelt dat de ouderband met een van de ouders verloren is gegaan of verloren dreigt te gaan, kan de ouders ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht, hierna « begeleiding » genoemd, opleggen.

Art. 1322sexiesdecies. — Ter zitting deelt de rechter de partijen mee dat hij vastgesteld heeft dat de ouderband is verloren gegaan of dreigt verloren te gaan en dat die situatie moet worden verholpen.

Hij vraagt de partijen om via onderhandelingen een oplossing te vinden voor hun geschil rond de persoon van de kinderen, teneinde de bedreigde ouderband te versterken, wat de samenwerking van elkeen impliceert.

Hiertoe stelt hij een deskundige aan die de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht zal uitoefenen. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de deskundige moet voldoen om in het kader van deze begeleiding te worden aangesteld.

De rechter legt de partijen de procedure met betrekking tot de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht uit, met name de interactie tussen enerzijds de rechter, die de begeleiding permanent controleert, en anderzijds de deskundige, alsook de maatregelen die de rechter op elk moment kan nemen indien een van de partijen onvoldoende samenwerkt.

Hij deelt de partijen de datum van de volgende zitting mee, die binnen een termijn van drie maanden moet plaatsvinden.

Art. 1322septiesdecies. — Bij tussenvonnis stelt de rechter een deskundige aan die de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht zal uitvoeren.

Het vonnis maakt melding van de opdracht van de deskundige, die tot doel heeft de bedreigde ouderband te versterken. Teneinde de rechter te informeren over de evolutie van de situatie, is de deskundige verplicht tijdens het hele verloop van zijn opdracht verslag uit te brengen over elk relevant element. Hij moet de rechter tevens inlichten over het vermogen en de wil van de partijen om samen te werken in het belang van de kinderen.

Het vonnis vermeldt de datum waarop de volgende zitting plaatsvindt.

De artikelen van dit hoofdstuk worden bij het vonnis gevoegd.

Art. 1322octiesdecies. — § 1. Op de eerste vergadering legt de deskundige de partijen de procedure van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht uit. Hij herinnert de partijen eraan dat de samenwerking van ieder van hen vereist is, dat er geregeld verslagen naar de rechter worden gestuurd zodat die gaandeweg de evolutie van de situatie en met name hun vermogen en wil tot samenwerking kan volgen.

Men maakt de partijen de juridische gevolgen van een gebrek aan samenwerking duidelijk.

De instemming van de partijen en hun raadsman met deze procedure wordt door de deskundige verkregen alvorens hij de ouderbegeleiding aanvat.

§ 2. De deskundige informeert de rechter, de partijen en hun advocaat over de evolutie van zijn opdracht telkens als hij dat wenselijk acht.

Art. 1322noviesdecies. — § 1. Op de in het tussenvonnis vastgestelde zitting hoort de rechter de partijen of hun raadsman over de resultaten van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht.

Indien hij dat wenselijk acht, neemt hij de nodige voorlopige maatregelen voor de gerechtelijke begeleiding van de evolutie van de ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht.

Hij kan tevens vragen dat de deskundige zijn voorlopig verslag indient.

§ 2. Het voorlopig verslag kan op verzoek van de rechter of op initiatief van de deskundige worden opgesteld. Dit verslag vat het gehele begeleidingsproces samen en vermeldt de waarnemingen van de deskundige, meer bepaald wat de samenwerking van de partijen en de resultaten met betrekking tot de versterking van de ouderband betreft.

De partijen of hun raadsman delen hun commentaar mee binnen een termijn die wordt vastgesteld door de deskundige, rekening houdend met de aard van het geschil. De deskundige moet geen rekening houden met commentaar die te laat werd meegedeeld. De rechter kan die commentaar van ambtswege weglaten uit de behandeling.

De deskundige stelt het definitieve verslag op dat hij overlegt aan de rechter en aan de partijen en hun raadsman.

De rechter bepaalt de rechtsdag binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het definitieve verslag.

Art. 1322vicies. — De rechter doet uitspraak.

Hij kan in het bijzonder :

1o de huisvesting wijzigen teneinde een evenwichtige relatie met beide ouders te bevorderen;

2o een dwangsom uitspreken;

3o de partij die niet met de begeleiding meewerkt alle kosten en honoraria van de deskundige aanrekenen;

4o de partij die ondanks de begeleiding verantwoordelijk is voor het verlies van de ouderband, de procedurekosten en advocatenkosten van de tegenpartij aanrekenen.

De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Art. 1322viciessemel. — Voor het overige zijn de artikelen 962 en volgende betreffende het deskundigenonderzoek van toepassing. »

Wijziging van het Strafwetboek

Art. 6

In hoofdstuk III van deel VIII van het Strafwetboek wordt een afdeling Vbis ingevoegd, die een artikel 432bis bevat, luidende :

« Afdeling Vbis. Ouderverstoting.

Art. 432bis. — Onverminderd de toepassing van de artikelen 1385bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de dwangsom wordt elke ouder die bewust de uitoefening van het ouderlijk gezag belemmert door herhaalde handelingen of allerlei vormen van manipulatie, met de bedoeling de affectieve band met de andere ouder te verzwakken of zelfs te vernietigen, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en geldboete van zesentwintig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen. »

30 september 2010.

Christine DEFRAIGNE.

104259 – I.P.M.

(1) Jean-Marc Delfieu is psychiater en deskundige bij het hof van beroep van Nîmes.
(2) Delfieu, J.-M., « Syndrome d’aliénation parentale, diagnostic et prise en charge médico-juridique », in Experts, nr. 67, juni 2005, bladzijde 25.
(3) Gardner, R.A. (1998), « The Parental Alienation Syndrome » (2. Ed.), Creative Therapeutics, Cresskill, NJ, page XX, Introduction.
(4) http://www.lepost.fr/article/2009/07/09/1613503_syndrome-d-alienation-parentale-sap.html.
(5) Delfieu, J.-M., op.cit., blz. 27.
(6) Delfieu, J.-M., op.cit., blz. 26.
(7) Van Gijseghem, « L’aliénation parentale : les principales controverses », in JDJ, nr. 237, september 2004, bladzijde 19.
(8) Van Gijseghem, H., op.cit., bladzijde 19.
(9) Van Dieren, B., « La justice face au processus d’aliénation parentale », lezing in het kader van de opleiding voor Franstalige en Nederlandstalige magistraten die door de Hoge Raad voor de Justitie wordt georganiseerd.
(10) Van Dieren, B., op.cit.
(11) Benoît Van Dieren, op.cit.

Christine Defraigne – MR
Wetgevingsstuk nr. 5-520/1
http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub&COLL=S&LEG=5&NR=520&PUID=83886624&LANG=nl
Wetgevingsstuk nr. 5-520/1 Dossierfiche

Gemeenschapssenator (Parlement van de Franse Gemeenschap )

Fractievoorzitter Senaat tel.: 02 501 77 14
e-mail: defraigne@senators.senate.be
Correspondentie Vinave d’Ile 9
4000 Liège
tel.: 04 223 01 11
fax: 04 222 36 13
e-mail: contact@christinedefraigne.be
Privé avenue Blonden 20
4000 Liège
tel.: 04 254 16 10
e-mail: contact@christinedefraigne.be

Geboren te Luik op 29 april 1962Licentiaat in de rechten (ULg)

Advocate

1985-1987 : kabinetsattaché (vice-eerste minister en minister van de Institutionele Hervormingen)
1989-1994 en sinds 2001 : gemeenteraadslid (Luik)
Sinds 1999 : lid van het Waals Parlement (vóór 25 februari 2005 genoemd : Waalse Gewestraad )
Sinds 1999 : lid van het Parlement van de Franse Gemeenschap (vóór 25 februari 2005 genoemd : Raad van de Franse Gemeenschap )
2003-2008 : voorzitster van TEC Luik-Verviers
Sinds 12 juni 2003 : senator aangewezen door het Parlement van de Franse Gemeenschap
2003-2009 : voorzitster van de MR-fractie (Senaat)
2004-2007 : plaatsvervangend lid van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa en de Assemblee van de West-Europese Unie
Sinds 7 december 2011 : voorzitster van de MR-fractie (Senaat)

Ridder in de Leopoldsorde (5 juni 2007)

Lidmaatschap van commissies Lid

Plaatsvervanger

Parlementair werk Auteursregister
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Wetgevend werk
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Schriftelijke vragen
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Mondelinge vragen
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007 Vragen om uitleg
Legislatuur 2010       Legislatuur 2007-2010       Legislatuur 2003-2007

christine defraigne mr – Google zoeken
http://www.google.nl/#hl=nl&gs_nf=1&cp=20&gs_id=7&xhr=t&q=Christine+Defraigne+mr&pf=p&sclient=psy-ab&site=&source=hp&pbx=1&oq=Christine+Defraigne+&aq=0&aqi=g1&aql=&gs_sm=&gs_upl=&bav=on.2,or.r_gc.r_pw.r_cp.,cf.osb&fp=a2ffff73d6b2e4c9&biw=1600&bih=668

christine defraigne aliénation parentale – Google zoeken
http://www.google.nl/#hl=nl&gs_nf=1&cp=40&gs_id=n&xhr=t&q=Christine+Defraigne+ali%C3%A9nation+parentale&pf=p&sclient=psy-ab&source=hp&pbx=1&oq=Christine+Defraigne+ali%C3%A9nation+parentale&aq=f&aqi=&aql=&gs_sm=&gs_upl=&bav=on.2,or.r_gc.r_pw.r_cp.,cf.osb&fp=a2ffff73d6b2e4c9&biw=1600&bih=668

christine defraigne ouderverstoting – Google zoeken
http://www.google.nl/#pq=christine+defraigne+ali%C3%A9nation+parentale&hl=nl&gs_nf=1&cp=35&gs_id=39&xhr=t&q=Christine+Defraigne+ouderverstoting&pf=p&sclient=psy-ab&source=hp&pbx=1&oq=Christine+Defraigne+ouderverstoting&aq=f&aqi=&aql=&gs_sm=&gs_upl=&bav=on.2,or.r_gc.r_pw.r_cp.,cf.osb&fp=a2ffff73d6b2e4c9&biw=1600&bih=668

Christine Defraigne – Ma politique
http://www.christinedefraigne.be/

november 23, 2010 at 7:19 am Plaats een reactie

Oudere berichten



Contact met het Vader Kennis Centrum (VKC):
Jacob Cabeliaustraat 17
3554 VH Utrecht
T. 030 - 238 3636
secretariaat@vaderkenniscentrum.nl

‘Jullie papa is helemaal niet lief’ :: Peter van Straaten

Peter van Straaten - Jullie papa is helemaal niet lief - Over ouderverstoting of oudervervreemding door moeders bijscheiding en omgang

Over oudervervreemding of -verstoting bij scheiding en omgang

Geef hier uw email adres op om email attenderingen van nieuwe artikelen te ontvangen.

Doe mee met 634 andere volgers

Info pagina’s

Alle artikelen

  • 10 mei 2012 - Uitspraak Rechtbank Den Bosch: Uit huis plaatsing vanwege ouderverstotingssyndroom
  • 17 november 2011 - Uitspraak Rechtbank Roermond - Voorbeeld inzet "klemcriterium" en "loyaliteitsconflict" om kinderen tegen hun wil bij zorgvader weg te halen en bij moeder te plaatsen
  • 13 november 2010 - Belgisch wetsvoorstel tegen oudervervreemding en tot invoering van ouderbegeleiding onder gerechtelijk toezicht in het strafrecht
  • 26 augustus 2010 - Nieuwe Braziliaanse Wet 12 318 definieert en bestraft oudervervreemding na scheiding als kindermishandeling
  • 2 augustus 2010 - Negen jaar cel voor oudervervreemding
  • 5 maart 2010 - Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” - Bezoekruimte Het Huis, Brugge, België
  • 26 februari 2010 - Symposium “Van loyaliteitsconflict tot ouderverstoting” - Bezoekruimte Het Huis, Antwerpen, België
  • 10 october 2009 - 'Thuis heerste het grote zwijgen' (Cornald Maas interviewt in de Volkskrant kinderen van gescheiden ouders)
  • 13 augustus 2009 - Uitspraak Gerechtshof Den Bosch - Raad voor Kinderbescherming stelt in rapport mogelijke diagnose ouderverstotingssyndroom of Parental Alienation Syndrome (PAS)
  • 3 december 2008 - Ouderverstotingssyndroom - Parental Alienation Syndrome (The Gregory Mantell Show - Video - delen 1 en 2)
  • 22 october 2008 - Le Syndrome d’Aliénation Parentale (Thése Médecinal à l’Université Claude Bernard-Lyon, Bénédicte Goudard, 2008)
  • 31 juli 2008 - Esma Kaplan - Ouderverstoting in Nederland (Masterthesis, Universiteit van Utrecht, 2008)
  • 13 juni 2007 - Uitspraak Rechtbank Maastricht - Rechter stelt in uitspraak ouderverstoting vast
  • 1 juni 2005 - Syndrome d’aliénation parentale - Diagnostic et prise en charge médico-juridique (Jean-Marc Delfieu, 2005)
  • 8 october 2002 - Verhaltensmuster und Persönlichkeitsstruktur Entfremdender Eltern (Walter Andritzky, 2002)
  • 15 december 1995 - Wolfgang Klenner - Rituale der Umgangsvereitelung bei getrenntlebenden oder geschiedenen Eltern - Eine psychologische Studie zur elterlichen Verantwortung (Duitsland, 1995)
  • 26 december 1994 - John Dunne & Marsha Hedrick – The Parental Alienation Syndrome – Analysis of Sixteen Selected Cases (1994)
  • Sigmund – Echtscheiding is voor kinderen psychologisch erger dan het overlijden van één van hun ouders!

    KA-PAW! Als moeder wil je toch het beste voor je kinderen.

    VKC twittert nu ook

    Categorieën

    november 2018
    M D W D V Z Z
    « Aug    
     1234
    567891011
    12131415161718
    19202122232425
    2627282930  

    Blog Stats

    • 81.662 hits